# Rijbewijs B Theorie > Rijbewijs B Theorie bereidt je voor op het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen (België): een gratis theoriecursus, les per les, met een quiz op het einde van elke les. De site wordt uitgegeven door Permis Online SRL. Permis Online SRL is een Belgisch e-learningbedrijf voor het rijbewijs. De site bereidt voor op het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen (België). De site neemt het theorie-examen niet af. Bij elke referentieregel staan de officiële bron en de controledatum. Taal: nl-BE. Regio: Vlaanderen (België). Contact: contact@rijbewijs-b-theorie.be. Bijgewerkt op: 2026-10-23. ## Het belangrijkste - [Rijbewijs B theorie: gratis cursus met quiz en uitleg](https://rijbewijs-b-theorie.be/) : Leer je rijbewijs B theorie gratis, les per les, met quiz en uitleg. Zo verloopt het examen: 50 vragen, 41 punten om te slagen, 15 seconden per vraag. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/index.md) - [Gratis theoriecursus rijbewijs B](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/) : De gratis theoriecursus, hoofdstuk per hoofdstuk · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie.md) ## De cursus: 50 lessen ### Hoofdstuk 1: Aan de slag - [Soorten verkeersborden in Vlaanderen: 6 categorieën](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-verkeersborden/) : Welke soorten verkeersborden zijn er? Leer de zes categorieën, het onderbord en de uitzonderingen. Gratis les met oefenvragen voor je theorie-examen B. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-verkeersborden.md) ### Hoofdstuk 2: De verkeersborden - [Gevaarsborden: wat ze betekenen en hoe je reageert](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gevaarsborden/) : Alle gevaarsborden voor je theorie-examen: wat ze aankondigen, op welke afstand ze staan en hoe je reageert. Gratis, met afbeeldingen en oefenvragen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gevaarsborden.md) - [Voorrangsborden: voorrang verlenen, stoppen of doorrijden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsborden/) : Welk voorrangsbord betekent wat? Voorrang verlenen, stopbord, voorrangsweg en rotonde uitgelegd voor het theorie-examen, met valkuilen en oefenvragen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsborden.md) - [Verbodsborden: wie, wat en tot waar geldt het verbod?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verbodsborden/) : Verbodsborden uitgelegd voor je theorie-examen: wie mag er niet in, wat is verboden en tot waar geldt het verbod? Met borden, valkuilen en oefenvragen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verbodsborden.md) - [Gebodsborden: ronde blauwe borden voor het theorie-examen](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gebodsborden/) : Een rond blauw bord legt je iets op. Leer de gebodsborden voor je theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen: rotonde, pijlen, fietspad en voetgangers. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gebodsborden.md) - [Parkeerborden: parkeerverbod/stilstaan en parkeren verboden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/parkeerborden/) : Welk bord verbiedt parkeren en welk bord ook stilstaan? Het verschil, de basisregel, beurtelings parkeren en de onderborden voor het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/parkeerborden.md) - [Aanwijzingsborden: betekenis en voorbeelden per groep](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/aanwijzingsborden/) : Aanwijzingsborden in Vlaanderen: bebouwde kom, zone 30, woonerf, autosnelweg, wegwijzers en voorzieningen. Leer ze per groep voor het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/aanwijzingsborden.md) - [Verkeerslichten: wat betekenen rood, oranje en groen?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeerslichten/) : Rood, oranjegeel, groen, pijlen, fietslichten en knipperlichten aan een overweg: alle regels over verkeerslichten voor je theorie-examen, met oefenvragen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeerslichten.md) - [Onderborden bij verkeersborden: betekenis en voorbeelden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderborden/) : Wat betekent een onderbord onder een verkeersbord? Leer uren, afstanden en fietssymbolen lezen, met valkuilen en oefenvragen voor het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderborden.md) - [Zoneborden: blauwe zone, fietszone en snelheidszone](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zoneborden/) : Blauwe zone, fietszone en snelheidszone: leer waar een zone begint en eindigt, met borden, valkuilen en oefenvragen voor je theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zoneborden.md) ### Hoofdstuk 3: De weggebruikers - [Voetgangers: regels, oversteekplaatsen en borden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangers/) : Wanneer verleen je voorrang op een zebrapad? Waar loop je als voetganger? De regels voor voetgangers en bestuurders, met de borden uitgelegd. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangers.md) - [Fietsers, steps en bromfietsers: de regels (theorie B)](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietsers-en-bromfietsen/) : Fietspad herkennen, 1 meter afstand, elektrische steps en speed pedelecs: de regels voor je theorie-examen B in Vlaanderen. Gratis les en quiz. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietsers-en-bromfietsen.md) - [Minimumleeftijd bestuurders: wat mag je op welke leeftijd?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/minimumleeftijd-bestuurders/) : Vanaf welke leeftijd mag je rijden in Vlaanderen? De minimumleeftijden voor bromfiets, step, auto, motor, vrachtwagen en bus, met de valkuilen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/minimumleeftijd-bestuurders.md) - [Prioritaire voertuigen en reddingsstrook: wat doe je?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/prioritaire-voertuigen/) : Sirene, reddingsstrook, bus aan de halte of wielerwedstrijd: wat moet je doen? De regels voor je theorie-examen, met oefenvragen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/prioritaire-voertuigen.md) ### Hoofdstuk 4: Wegmarkeringen - [Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/doorlopende-en-onderbroken-strepen/) : Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je overschrijden? Ook busstrook, oranje spijkers en gele streep uitgelegd voor je theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/doorlopende-en-onderbroken-strepen.md) - [Stopstreep, haaientanden en zebrapad: waar stop je?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stopstreep-en-haaientanden/) : Stopstreep en haaientanden: waar je stopt, wat een zebrapad vraagt en hoe je de oversteek voor fietsers herkent op het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stopstreep-en-haaientanden.md) - [Andere wegmarkeringen: pijlen en schuine strepen](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/andere-wegmarkeringen/) : Pijlen, schuine strepen, dambord en opstelvlak: herken de markering en weet waar je rijdt, stopt of parkeert op het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/andere-wegmarkeringen.md) ### Hoofdstuk 5: Stilstaan en parkeren - [Stilstaan of parkeren: verschil, verboden en afstanden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stilstaan-en-parkeren/) : Stilstaan of parkeren? Verboden plaatsen en de afstanden 5, 20, 15, 3, 1,5 en 1 meter voor je theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stilstaan-en-parkeren.md) - [Blauwe zone: parkeerschijf, uren en valkuilen](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/blauwe-zone-en-parkeerschijf/) : Parkeerschijf in de blauwe zone, halfmaandelijks parkeren en voorbehouden plaatsen: de regels voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/blauwe-zone-en-parkeerschijf.md) ### Hoofdstuk 6: Snelheid - [Snelheidsbeperkingen in Vlaanderen: theorie rijbewijs B](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsbeperkingen/) : Hoe snel mag je rijden in Vlaanderen? Leer 50, 70, 90 en 120 km/u, zone 30 en de grenzen per voertuig. Gratis les en quiz voor je theorie-examen B. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsbeperkingen.md) - [Te snel rijden: boete, intrekking en verval](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsovertredingen/) : Meer dan 20 km/u te snel in de bebouwde kom en je rijbewijs kan meteen weg. Drempels, bedragen sinds 1 juli 2026 en het verval. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsovertredingen.md) ### Hoofdstuk 7: Overtredingen - [Overtredingen per graad: wat elke fout kost](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/overtredingen-per-graad/) : De vier graden van verkeersovertredingen: 64 tot 520 euro, wanneer je naar de politierechtbank moet, en welke fout 5 punten kost op het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/overtredingen-per-graad.md) - [Zware overtredingen op het theorie-examen](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zware-overtredingen/) : Rood licht, verboden richting, keren op de autosnelweg: de derde en vierde graad die op het Vlaamse theorie-examen vijf punten kosten. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zware-overtredingen.md) ### Hoofdstuk 8: De openbare weg - [Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijbaan-trottoir-en-berm/) : Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg, en waar rijd je? Uitgelegd voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijbaan-trottoir-en-berm.md) - [Autosnelweg: 70 en 120 km/u, pechstrook](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autosnelweg/) : Minimum 70 km/u en maximum 120 op de autosnelweg, wie niet op mag, de pechstrook alleen bij pech, en op de oprit verleen jij voorrang. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autosnelweg.md) - [Autoweg of autosnelweg: wat is het verschil?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autoweg/) : Wat is een autoweg in Vlaanderen? Het blauwe bord, wie er niet op mag, en wanneer je 70, 90 of 120 km/u mag. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autoweg.md) - [Fietspaden en fietsborden: herkennen en wie mag erop?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietspaden/) : Zo herken je een echt fietspad: blauw bord of twee witte strepen. Rood asfalt telt niet. Wie mag erop, en wat is een fietszone? · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietspaden.md) - [Bord woonerf: zone 30, erf en schoolstraat](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zone-30-erf-en-schoolstraat/) : Woonerf aan 20 km/u, zone 30 en fietszone aan 30, schoolstraat stapvoets. De borden voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zone-30-erf-en-schoolstraat.md) - [Voetgangerszone en voorbehouden wegen: regels](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangerszone-en-voorbehouden-wegen/) : Voetgangerszone, speelstraat en voorbehouden weg: wie mag erin, stapvoets of 30 km/u, en wanneer je een tram- of busbedding mag dwarsen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangerszone-en-voorbehouden-wegen.md) - [Voorrang rotonde en kruispunt: wie mag eerst?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/kruispunten-en-rotondes/) : Wie mag eerst op een kruispunt zonder borden, bij een groen licht of op een rotonde? De reflexen voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/kruispunten-en-rotondes.md) - [Tunnels: afstand houden, pech en brand](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijden-in-tunnels/) : Dimlichten, voldoende afstand en niet stilstaan op de rijbaan. Bij pech de vluchthaven, bij brand de nooduitgang. Gratis theorie voor Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijden-in-tunnels.md) ### Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen - [Tegenliggers kruisen: regels, uitzonderingen en tram](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/tegenliggers-kruisen/) : Hoe kruis je een tegenligger? Rechts, genoeg afstand, de berm als het smal is, en de tram soms links. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/tegenliggers-kruisen.md) - [Inhalen: wanneer mag het en wanneer niet?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/inhalen/) : Wanneer mag je inhalen, links of rechts? De verboden, de tram en de valkuilen voor het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/inhalen.md) - [Afslaan en voorsorteren: links, rechts en op de rotonde](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/afslaan-en-voorsorteren/) : Afslaan en voorsorteren voor het theorie-examen: rechts kort, links ruim, de juiste rijstrook en de rotonde. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/afslaan-en-voorsorteren.md) - [De dode hoek](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/dode-hoek/) : Leer je dode hoek controleren, veilig van rijstrook veranderen en opletten bij vrachtwagens. Gratis uitleg en quiz voor je theorie-examen B in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/dode-hoek.md) ### Hoofdstuk 10: Voorrang - [Voorrangsregels: wie mag er eerst?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsregels/) : Voorrang van rechts, stopbord en rotonde: leer wie eerst mag op elk kruispunt, voor het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsregels.md) ### Hoofdstuk 11: Milieu en zuinig rijden - [Weer en milieu: aquaplaning, ijzel, claxon en LEZ](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/weer-en-milieu/) : Claxon, mistlichten en aquaplaning: wat je doet bij regen, sneeuw en ijzel, en wanneer je een lage-emissiezone binnen mag. Voor je theorie-examen B. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/weer-en-milieu.md) - [Zuinig en ecologisch rijden: tips om minder te verbruiken](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zuinig-rijden/) : Zuinig rijden voor het theorie-examen in Vlaanderen: anticiperen, vroeg schakelen, start-stop, banden en wanneer toeteren mag. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zuinig-rijden.md) ### Hoofdstuk 12: Het voertuig - [Soorten voertuigen: bromfiets, aanhangwagen, vierwieler](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-voertuigen/) : Bromfiets, lichte vierwieler of aanhangwagen: welk rijbewijs heb je nodig? De grens van 750 kg en 3 500 kg, klaar voor het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-voertuigen.md) - [Voertuigcontroles: banden, verplichte uitrusting en pech](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voertuigcontroles/) : Banden, veiligheidsvest, gevaarsdriehoek en parkeerrem: wat je controleert voor je vertrekt en voor je uitstapt, voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voertuigcontroles.md) - [Veiligheid in de auto: gordel en kinderzitje](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/veiligheid-in-de-auto/) : Gordel voor iedereen, kinderzitje onder 1,35 m en 18 jaar, voorairbag en claxon: de regels voor het theorie-examen rijbewijs B. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/veiligheid-in-de-auto.md) - [Onderhoud, technische keuring en lading](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderhoud-keuring-lading/) : Vloeistoffen, keuring vanaf vier jaar, maximale toegelaten massa van 3 500 kg en de maten van je lading. Klaar voor het theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderhoud-keuring-lading.md) - [Banden: profieldiepte, spanning en markeringen](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/banden/) : Hoe diep moeten de groeven van je banden zijn, wanneer mag je M+S-banden monteren en wat betekent 205/55 R 16? Gratis les voor het theorie-examen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/banden.md) - [Documenten aan boord: wat moet je bij je hebben?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/documenten-aan-boord/) : Welke documenten moet je in de auto hebben? Rijbewijs, identiteitskaart, inschrijving, verzekering, keuring en gelijkvormigheid. Gratis theorieles. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/documenten-aan-boord.md) ### Hoofdstuk 13: Zien en gezien worden - [Verlichting en zichtbaarheid: dimlicht en mist](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verlichting-en-zichtbaarheid/) : Wanneer zet je dimlicht, grootlicht of mistlicht aan? De regels bij regen, mist en slecht zicht, voor je theorie-examen in Vlaanderen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verlichting-en-zichtbaarheid.md) ### Hoofdstuk 14: Ongevallen vermijden - [Alcohol, drugs en vermoeidheid: mag je nog rijden?](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/alcohol-drugs-vermoeidheid/) : Alcohol 0,22 en 0,09 mg/l, drugs vanaf de analysegrens, twaalf uur rijverbod en herhaling: de cijfers voor het theorie-examen rijbewijs B. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/alcohol-drugs-vermoeidheid.md) - [Defensief rijden: afstand houden en handelen na een ongeval](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/defensief-rijden/) : Defensief rijden voor het theorie-examen: ver kijken, afstand houden, en wat je doet met de gevaarsdriehoek na een ongeval. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/defensief-rijden.md) - [Slecht weer, mist en nacht: zo rijd je veilig](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/slecht-weer-mist-en-nacht/) : Regen, sneeuw, ijzel en mist: wanneer je mistlichten aansteekt, hoe je je snelheid aanpast, en welke straf een herhaling meebrengt. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/slecht-weer-mist-en-nacht.md) ### Hoofdstuk 15: Verkeersagenten - [Verkeersagenten: gebaren boven lichten en borden](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeersagenten/) : Wat doe je als de agent zijn arm opsteekt en het licht groen is? Leer de drie stopbevelen en waarom zijn bevel boven het licht gaat. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeersagenten.md) ### Hoofdstuk 16: Klaar voor het examen - [Theorie-examen auto: tips voor je examendag](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/examendag/) : Theorie-examen auto in Vlaanderen: 50 vragen, 41 op 50, 15 seconden, 19 euro. Zo pak je de examendag aan. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/examendag.md) ## Regels en procedures (gecontroleerde feiten) Officiële regels voor Vlaanderen (België), elk met zijn officiële bron en zijn controledatum. [Referentiegegevens](https://rijbewijs-b-theorie.be/brand-facts/) · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/brand-facts.md) · [JSON](https://rijbewijs-b-theorie.be/.well-known/brand-facts.json) ## Wie zit achter Rijbewijs B Theorie en hoe alles wordt gecontroleerd Auteur: Wenceslas Dasnois, oprichter van Rijbewijs B Theorie. Hij ontwerpt en leidt de site: hij beslist wat er wordt onderwezen, kiest de officiële teksten die als bron dienen en legt de controlemethode vast. De lessen, quizzen en artikels worden onder zijn leiding ontworpen en geschreven, met de hulp van AI-hulpmiddelen bij het schrijven en de controle, volgens die methode. - [Contact](https://rijbewijs-b-theorie.be/contact/) : Een vraag, een fout in een les of een probleem met je account? Schrijf ons via het formulier of per e-mail. Geen livechat, antwoord meestal binnen 2 werkdagen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/contact.md) - [Wettelijke vermeldingen](https://rijbewijs-b-theorie.be/wettelijke-vermeldingen/) : Wie geeft Rijbewijs B Theorie uit? Permis Online SRL, een Belgische vennootschap: zetel, ondernemingsnummer, contact, hosting en wat je mag overnemen. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/wettelijke-vermeldingen.md) - [Privacybeleid](https://rijbewijs-b-theorie.be/privacybeleid/) : Welke gegevens Rijbewijs B Theorie gebruikt en waarom: gratis account, voortgang, berichten, serverlogs en cookies. Bewaartermijnen, partners en jouw rechten. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/privacybeleid.md) ## Andere pagina’s van Rijbewijs B Theorie - [Gratis oefentest](https://rijbewijs-b-theorie.be/oefenen/) : Test je kennis voor het theorie-examen rijbewijs B: 10 vragen uit alle thema's of 20 vragen over verkeersborden, met verbetering en de les om te herhalen. Gratis, zonder account. · [Markdown](https://rijbewijs-b-theorie.be/oefenen.md) ## Openbare API, MCP-server en bestanden Regels met bron, methode, aanbod, team, lessen, artikels en pagina’s, alleen lezen, zonder sleutel. - [Gegevens en integraties](https://rijbewijs-b-theorie.be/gegevens/) : De openbare gegevens van Rijbewijs B Theorie voor programma’s en AI-assistenten: API (alleen lezen), MCP-server, bestanden voor AI en hergebruik. - [De openbare API van Rijbewijs B Theorie](https://rijbewijs-b-theorie.be/gegevens/api/) : Documentatie van de openbare API van Rijbewijs B Theorie: zoeken, fiches, bronnen, controledatums, paginering, limieten en voorbeelden om te kopiëren. - [De MCP-server van Rijbewijs B Theorie](https://rijbewijs-b-theorie.be/gegevens/mcp/) : Verbind een compatibele AI-assistent met de openbare fiches van Rijbewijs B Theorie: de tools search en fetch, protocolversies, headers en een volledig voorbeeld. - [Referentiegegevens van Rijbewijs B Theorie](https://rijbewijs-b-theorie.be/brand-facts/) : Wie Rijbewijs B Theorie uitgeeft, wat de site aanbiedt en de officiële regels van het theorie-examen, elk met bron en controledatum. - [Bronnen en verwijzingen](https://rijbewijs-b-theorie.be/sources/) : De officiële teksten waarop Rijbewijs B Theorie gebaseerd is, de bronnen die in de pagina’s worden aangehaald en de bronnenlijst van de lessen, met de pagina’s die ze vermelden. - OpenAPI: https://rijbewijs-b-theorie.be/api/v1/openapi.json - Zoeken in JSON: https://rijbewijs-b-theorie.be/api/v1/facts - MCP: https://rijbewijs-b-theorie.be/mcp (Streamable HTTP, POST, protocollen 2026-07-28 en 2025-11-25, tools search en fetch) - [Volledige tekst](https://rijbewijs-b-theorie.be/llms-full.txt) · [Bronnen](https://rijbewijs-b-theorie.be/sources.txt) · [Graaf](https://rijbewijs-b-theorie.be/.well-known/schema.json) · [AI-beleid](https://rijbewijs-b-theorie.be/.well-known/ai.json) · [Aanbod](https://rijbewijs-b-theorie.be/.well-known/offers.json) · [Sitemap](https://rijbewijs-b-theorie.be/sitemap.xml) --- # Volledige tekst van de openbare inhoud ## Rijbewijs B theorie: gratis cursus met quiz en uitleg Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/ Gewijzigd op: 2026-10-22 Rijbewijs B theorie gratis leren, van je eerste les tot het examen. 50 lessen die je in je eigen tempo volgt, elk met een quiz met uitleg. En je weet precies hoe het theorie-examen in Vlaanderen verloopt: 50 vragen, 41 punten om te slagen. Helemaal gratis, zonder betaalkaart Regels uit de officiële wegcode Het examen uitgelegd volgens GOCA Vlaanderen Je eerste les Soorten verkeersborden in Vlaanderen: 6 categorieën Gratis · hoofdstuk 1 · 8 min · leerstof en quiz Het programma 16 hoofdstukken, 50 lessen, alles gratis Kies een hoofdstuk en begin waar je wilt. Bij elke les hoort een quiz met uitleg. Hoofdstuk 1 · 1 les · 8 min leestijd Aan de slag Soorten verkeersborden in Vlaanderen: 6 categorieën Hoofdstuk 2 · 9 lessen · ~1 u 22 leestijd De verkeersborden Gevaarsborden: wat ze betekenen en hoe je reageert Voorrangsborden: voorrang verlenen, stoppen of doorrijden Verbodsborden: wie, wat en tot waar geldt het verbod? Gebodsborden: ronde blauwe borden voor het theorie-examen Parkeerborden: parkeerverbod/stilstaan en parkeren verboden Aanwijzingsborden: betekenis en voorbeelden per groep Verkeerslichten: wat betekenen rood, oranje en groen? Onderborden bij verkeersborden: betekenis en voorbeelden Zoneborden: blauwe zone, fietszone en snelheidszone Hoofdstuk 3 · 4 lessen · 35 min leestijd De weggebruikers Voetgangers: regels, oversteekplaatsen en borden Fietsers, steps en bromfietsers: de regels (theorie B) Minimumleeftijd bestuurders: wat mag je op welke leeftijd? Prioritaire voertuigen en reddingsstrook: wat doe je? Hoofdstuk 4 · 3 lessen · 26 min leestijd Wegmarkeringen Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je? Stopstreep, haaientanden en zebrapad: waar stop je? Andere wegmarkeringen: pijlen en schuine strepen Hoofdstuk 5 · 2 lessen · 18 min leestijd Stilstaan en parkeren Stilstaan of parkeren: verschil, verboden en afstanden Blauwe zone: parkeerschijf, uren en valkuilen Hoofdstuk 6 · 2 lessen · 17 min leestijd Snelheid Snelheidsbeperkingen in Vlaanderen: theorie rijbewijs B Te snel rijden: boete, intrekking en verval Hoofdstuk 7 · 2 lessen · 19 min leestijd Overtredingen Overtredingen per graad: wat elke fout kost Zware overtredingen op het theorie-examen Hoofdstuk 8 · 8 lessen · ~1 u 09 leestijd De openbare weg Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg? Autosnelweg: 70 en 120 km/u, pechstrook Autoweg of autosnelweg: wat is het verschil? Fietspaden en fietsborden: herkennen en wie mag erop? Bord woonerf: zone 30, erf en schoolstraat Voetgangerszone en voorbehouden wegen: regels Voorrang rotonde en kruispunt: wie mag eerst? Tunnels: afstand houden, pech en brand Hoofdstuk 9 · 4 lessen · 34 min leestijd Kruisen en inhalen Tegenliggers kruisen: regels, uitzonderingen en tram Inhalen: wanneer mag het en wanneer niet? Afslaan en voorsorteren: links, rechts en op de rotonde De dode hoek Hoofdstuk 10 · 1 les · 9 min leestijd Voorrang Voorrangsregels: wie mag er eerst? Hoofdstuk 11 · 2 lessen · 17 min leestijd Milieu en zuinig rijden Weer en milieu: aquaplaning, ijzel, claxon en LEZ Zuinig en ecologisch rijden: tips om minder te verbruiken Hoofdstuk 12 · 6 lessen · 51 min leestijd Het voertuig Soorten voertuigen: bromfiets, aanhangwagen, vierwieler Voertuigcontroles: banden, verplichte uitrusting en pech Veiligheid in de auto: gordel en kinderzitje Onderhoud, technische keuring en lading Banden: profieldiepte, spanning en markeringen Documenten aan boord: wat moet je bij je hebben? Hoofdstuk 13 · 1 les · 9 min leestijd Zien en gezien worden Verlichting en zichtbaarheid: dimlicht en mist Hoofdstuk 14 · 3 lessen · 26 min leestijd Ongevallen vermijden Alcohol, drugs en vermoeidheid: mag je nog rijden? Defensief rijden: afstand houden en handelen na een ongeval Slecht weer, mist en nacht: zo rijd je veilig Hoofdstuk 15 · 1 les · 9 min leestijd Verkeersagenten Verkeersagenten: gebaren boven lichten en borden Hoofdstuk 16 · 1 les · 8 min leestijd Klaar voor het examen Theorie-examen auto: tips voor je examendag De cursus bereidt je voor op het theorie-examen voor rijbewijs B (personenwagen), en alleen daarop. Het volledige overzicht van alle lessen vind je op de pagina van de cursus. Zo verloopt het theorie-examen voor rijbewijs B Je legt het examen af op een computer in een examencentrum en het duurt ongeveer 30 minuten. De vraag wordt voorgelezen en staat ook op het scherm. Jij kiest het juiste antwoord uit twee of drie mogelijkheden. 50 vragen, bij elke vraag één juist antwoord Maximaal 15 seconden antwoordtijd per vraag Een lichte fout kost 1 punt, een zware overtreding 5 punten Je slaagt met minstens 41 punten op 50 Bij twee zware overtredingen ben je uitgesteld: dan slaag je niet De aanpak De cursus in 6 stappen Volg de lessen in de volgorde van het programma of spring meteen naar het onderwerp dat je nodig hebt. Na elke les oefen je met de quiz. Hieronder zie je hoe je de onderwerpen kunt aanpakken, van de borden tot de examendag. Leer de borden en de verkeerslichten De eerste lessen gaan over de verkeersborden en de verkeerslichten. Gevaarsborden Voorrangsborden Verbodsborden Verkeerslichten Weet wie voorrang heeft Voorrangsregels, kruispunten, rotondes en tegenliggers: wie mag eerst, en waarom. Voorrangsregels Kruispunten en rotondes Tegenliggers kruisen Ken de strepen en de manoeuvres Wat betekenen de strepen op het wegdek, en wanneer mag je inhalen of afslaan? Doorlopende en onderbroken strepen Stopstreep en haaientanden Inhalen Afslaan en voorsorteren Ken de snelheden en de overtredingen De maximumsnelheden, de boetes en de overtredingen per graad. De zware overtredingen van het examen horen er ook bij. Snelheidsbeperkingen Te snel rijden Overtredingen per graad Zware overtredingen Ken je auto en je eigen rijgedrag Verlichting, banden, de dode hoek, alcohol en vermoeidheid, defensief rijden. Verlichting Banden Dode hoek Alcohol, drugs en vermoeidheid Defensief rijden Bereid je examendag voor Wat je meeneemt en hoe je het examen aanpakt. Examendag Veelgestelde vragen Je vragen over de cursus en het theorie-examen Is de cursus van Rijbewijs B Theorie echt gratis? Ja. Alle lessen en hun quizzen met uitleg zijn gratis. Je hebt geen betaalkaart en geen account nodig om te leren. Hoe verloopt het theorie-examen voor rijbewijs B? Het examen telt 50 vragen en duurt ongeveer 30 minuten. Je legt het af op een computer in een examencentrum. De vraag wordt voorgelezen en staat ook op het scherm. Je kiest het juiste antwoord uit twee of drie mogelijkheden en je hebt maximaal 15 seconden antwoordtijd per vraag. Hoeveel fouten mag je maken op het theorie-examen? Je moet minstens 41 punten op 50 halen. Een lichte fout kost 1 punt en een zware overtreding 5 punten. Je mag dus 9 lichte fouten maken, of 1 zware overtreding en 4 lichte fouten. Bij twee zware overtredingen ben je uitgesteld en slaag je niet. Wat is een zware overtreding op het theorie-examen? Voor rijbewijs B zijn alle overtredingen van de derde en de vierde graad zware overtredingen, en ook alle snelheidsovertredingen. GOCA Vlaanderen geeft als voorbeelden een rood verkeerslicht negeren of een witte doorlopende streep overschrijden (derde graad) en de bevelen van een politieagent niet naleven (vierde graad). Een fout bij zo’n vraag kost je 5 punten. Vanaf welke leeftijd kun je het theorie-examen afleggen? Vanaf 17 jaar. Je kiest zelf in welk examencentrum je het examen aflegt. Wat kost het theorie-examen? In 2026 kost het theorie-examen voor rijbewijs B 19 euro, btw inbegrepen. Hoe lang blijft een geslaagd theorie-examen geldig? Drie jaar. Slaag je bijvoorbeeld op 15 januari 2026, dan is je theorie-examen geldig tot en met 14 januari 2029. Kun je bij Rijbewijs B Theorie ook het officiële examen afleggen? Nee. Rijbewijs B Theorie is een privésite die je voorbereidt op het theorie-examen. Het is geen dienst van de Vlaamse overheid en geen examencentrum: het officiële examen leg je af in een erkend examencentrum. Wie zijn we Waarom je deze cursus kunt vertrouwen Officiële bronnen. De regels in de lessen komen uit de wegcode (het koninklijk besluit van 1 december 1975), in de versie die in Vlaanderen geldt. Over het examen volgen we de brochure van GOCA Vlaanderen en de website van de Vlaamse overheid. Met datum erbij. De feiten over het examen op deze pagina zijn gecontroleerd op 22 oktober 2026 in de brochure van GOCA Vlaanderen (18 augustus 2026) en op vlaanderen.be (pagina bijgewerkt op 19 oktober 2026). Een privésite, geen overheidsdienst. Rijbewijs B Theorie bereidt je voor op het examen, maar je legt het niet bij ons af: dat doe je in een erkend examencentrum. Wie maakt Rijbewijs B Theorie? Wenceslas Dasnois, oprichter van Rijbewijs B Theorie, ontwerpt en leidt de cursus. Hij kiest de onderwerpen, de methode en de officiële bronnen en beslist wat er wordt gepubliceerd. Wettelijke vermeldingen Privacybeleid Contact Klaar om te beginnen? De cursus is gratis, van de eerste les tot de dag van je examen. Bronnen GOCA Vlaanderen, “Het rijbewijsexamen” (Doc. 130, Vlaams Gewest), brochure van 18 augustus 2026, geraadpleegd op 21 oktober 2026: 50 vragen, 41 punten om te slagen, 5 punten per zware overtreding en 1 punt per lichte fout, 15 seconden antwoordtijd, ongeveer 30 minuten, minimumleeftijd 17 jaar, 3 jaar geldig. Vlaamse overheid, “Theorie-examen voor rijbewijs B”, pagina bijgewerkt op 19 oktober 2026, geraadpleegd op 21 oktober 2026: vanaf 17 jaar, 19 euro, 3 jaar geldig. GOCA Vlaanderen, tarief van de vergoedingen vanaf 1 januari 2026 (btw inbegrepen): 19,00 euro voor het theorie-examen rijbewijs B. Codex Vlaanderen, koninklijk besluit van 1 december 1975 (algemeen reglement op de politie van het wegverkeer), Vlaamse versie, geconsolideerd op 21 oktober 2026: de regels in de lessen. Credits van de afbeeldingen. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975). Bronnen: - [GOCA Vlaanderen, tarief van de vergoedingen vanaf 1 januari 2026](https://cdn.prod.website-files.com/604a00a4df74a7000318621d/6954e72ec4002f322a296b98_Tarief%2020260101%20-%20FM860RBMOW-H.pdf) - [GOCA Vlaanderen, “Het rijbewijsexamen” (Doc. 130, Vlaams Gewest)](https://cdn.prod.website-files.com/604a00a4df74a7000318621d/6a842f609086c9b4e5a61a7b_Doc%20130-KAN_V.pdf) - [Codex Vlaanderen, koninklijk besluit van 1 december 1975 (algemeen reglement op de politie van het wegverkeer)](https://codex.vlaanderen.be/PrintDocument.ashx?id=1023782) - [Vlaamse overheid, “Theorie-examen voor rijbewijs B”](https://www.vlaanderen.be/mobiliteit-en-openbare-werken/auto-en-motor/rijbewijzen-en-rijopleiding/rijbewijs-b-voor-auto/theorie-examen-voor-rijbewijs-b) ## Soorten verkeersborden in Vlaanderen: 6 categorieën Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-verkeersborden/ Hoofdstuk 1: Aan de slag Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Er zijn drie soorten verkeerstekens: verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen. Je moet ze alle drie opvolgen. Verkeersborden vallen in zes categorieën: gevaar, voorrang, verbod, gebod, stilstaan en parkeren, aanwijzing. Een onderbord hangt onder een verkeersbord en vult dat aan, bepaalt het nader of beperkt het. Een gevaars-, voorrangs-, verbods-, gebods- of aanwijzingsbord boven een rijstrook geldt alleen voor die rijstrook. Vorm en kleur helpen je de categorie te vinden, maar onthoud ook de uitzonderingen. De uitleg, de afbeeldingen en de valkuilen staan hieronder. Dit is de basis van alle signalisatie. Welke soorten verkeerstekens zijn er, in welke zes groepen zitten de verkeersborden en wat doet dat kleine bord onder een groot bord? Welke soorten verkeerstekens zijn er? Op de weg krijg je regels en aanwijzingen op drie manieren. Een verkeersbord staat langs de weg of hangt erboven, een verkeerslicht wisselt van kleur en een wegmarkering ligt op het wegdek zelf. Definitie. Verkeerstekens zijn de verkeerslichten, de verkeersborden en de wegmarkeringen. Samen geven ze op de openbare weg de regels en aanwijzingen die je moet volgen. Verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen: de drie soorten verkeerstekens. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Je moet ze alle drie opvolgen, zolang ze de voorgeschreven vorm hebben, goed zichtbaar zijn en volgens het reglement zijn aangebracht. Er is ook een vaste rangorde: eerst de bevelen van een bevoegd persoon, bijvoorbeeld een politieagent die het verkeer regelt; dan de verkeerstekens: lichten, borden en markeringen; pas daarna de gewone verkeersregels, zoals de voorrang van rechts. Onthoud. Regelt een politieagent het verkeer, dan volg je zijn bevelen, ook als een bord of een verkeerslicht iets anders zegt. Een verkeersteken gaat op zijn beurt voor op een gewone verkeersregel, zoals de voorrang van rechts. Wat betekenen oranje strepen bij wegenwerken? Bij wegenwerken wordt het verkeer soms geleid door voorlopige markeringen. Dat zijn oranje doorlopende of onderbroken strepen, of oranje spijkers in het wegdek. Ze betekenen hetzelfde als de gewone doorlopende en onderbroken strepen. Op het examen. Voorlopige markeringen bij werken zijn oranje. Ze maken de witte overlangse markeringen (de strepen in de lengte van de weg) op dezelfde plaats waardeloos. Volg dus de oranje strepen en niet de witte. Wie de werken uitvoert, moet ze zelf signaleren. Zodra de werken af zijn, moet die persoon de verkeerstekens ook weer wegnemen. Geldt een bord boven een rijstrook voor de hele weg? Op een brede weg met meerdere rijstroken naast elkaar hangt soms een bord boven één rijstrook. Stel: boven de rechterrijstrook van een weg in Antwerpen hangt een bord met een lagere maximumsnelheid. Die snelheid geldt dan alleen voor wie op die rijstrook rijdt. Denk aan een rode kaart in het voetbal: die geldt voor één speler, niet voor de hele ploeg. Een bord boven een rijstrook werkt net zo. Het geldt voor die ene rijstrook en niet voor de rijstroken ernaast. Op het examen. Een gevaarsbord, voorrangsbord, verbodsbord, gebodsbord of aanwijzingsbord boven een rijstrook geldt alleen voor die rijstrook. Hangt het boven een ander deel van de openbare weg, dan geldt het alleen voor dat deel. Boven de linkerrijstrook van een weg in Gent hangt een verbodsbord. Voor welk deel van de weg geldt het? Wat is een onderbord? Definitie. Een onderbord is een rechthoekig bord dat onder een verkeersbord bevestigd is. Het vult de betekenis van dat verkeersbord aan, bepaalt ze nader of beperkt ze. Meestal staat er een wit opschrift of symbool op een blauwe achtergrond. Voor fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen is het anders: zwarte opschriften en symbolen op een witte achtergrond. Een onderbord kan ook een afstand of een lengte aangeven. Zo toont het ongeveer de afstand waarop een verbod begint, of hoe lang een gevaarlijk stuk van de weg is. Een onderbord hangt dus nooit alleen: het hoort altijd bij het verkeersbord erboven. Een onderbord hangt altijd onder het verkeersbord waar het bij hoort. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Valkuil. Niet elk blauw rechthoekig bord is een aanwijzingsbord. Hangt het onder een ander verkeersbord, dan is het een onderbord. En het bord waarmee parkeren is toegelaten, heeft ook een blauwe achtergrond, maar hoort bij stilstaan en parkeren. Onder een verbodsbord hangt een klein rechthoekig blauw bord met een wit symbool. Wat is dat bord? Welke zes categorieën verkeersborden zijn er? De verkeersborden zijn ingedeeld in zes categorieën, en elke categorie heeft haar eigen taak: Gevaarsborden waarschuwen voor een gevaar, zoals een gevaarlijke bocht, een steile helling, de doortocht van vee of werken op de weg. Voorrangsborden (officieel: verkeersborden betreffende de voorrang) zeggen wie eerst mag: voorrang verlenen, stoppen en voorrang verlenen (het stopbord), het kruispunt waar de voorrang van rechts geldt of een smalle doorgang. Verbodsborden verbieden iets, zoals de maximumsnelheid, het inhaalverbod of de verboden richting. Gebodsborden leggen iets op, zoals een verplichte richting, verplicht rondgaand verkeer op een rotonde of een verplicht fietspad. Borden voor stilstaan en parkeren (officieel: verkeersborden betreffende het stilstaan en parkeren) regelen waar je mag of niet mag stilstaan en parkeren, bijvoorbeeld met een parkeerverbod. Aanwijzingsborden geven aanwijzingen over de weg, de richting en zones, zoals het begin van een bebouwde kom, een wegwijzer, een rijstrook voor autobussen of een oversteekplaats voor voetgangers. Eén voorbeeld per categorie. Het parkeerverbod hoort bij stilstaan en parkeren, niet bij de verbodsborden. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Let op: de naam oversteekplaats voor voetgangers hoort bij twee borden uit twee categorieën, een gevaarsbord (een driehoek) en een aanwijzingsbord. Kijk dus naar de vorm en de kleur, niet alleen naar de naam. Verkeersborden zijn een vast onderdeel van de leerstof van het theorie-examen. GOCA Vlaanderen, de federatie van de erkende bedrijven voor autokeuring en rijbewijsexamens, meldde in januari 2024 (met cijfers over 2023) dat kandidaten onder meer moeite hadden met de verkeersborden voor voetgangers en met de aanwijzingsborden bij tunnels en vluchthavens. Oefen die dus extra. Onthoud. Zes categorieën: gevaarsborden, voorrangsborden, verbodsborden, gebodsborden, borden voor stilstaan en parkeren en aanwijzingsborden. Aanwijzingsborden geven meer dan informatie. Het bord dat het begin van een bebouwde kom aanduidt, brengt een regel mee: de snelheid is er beperkt tot 50 km/u, tenzij een snelheidsbord iets anders aangeeft. In een woonerf of een erf is dat 20 km/u. Tot welke categorie hoort het bord parkeerverbod? Waar staan de verkeersborden langs de weg? Gevaarsborden, voorrangsborden en verbodsborden staan rechts van de weg. Laat de situatie ter plaatse dat niet toe, dan mogen gevaarsborden en verbodsborden boven de rijbaan hangen. Een voorrangsbord mag boven de rijbaan of links herhaald worden. Gebodsborden staan op de plaats waar ze het best zichtbaar zijn. Een gevaarsbord staat normaal op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats. In bijzondere omstandigheden mag het dichterbij of verder staan, en dan toont een onderbord ongeveer de afstand. Een uitzondering zijn de borden overweg voor enkel spoor en overweg voor twee of meer sporen, beter bekend als het Sint-Andrieskruis: die staan vlak bij de overweg zelf. Hoe herken je de categorie aan vorm en kleur? Een bord dat je nog nooit zag, kun je vaak toch al inschatten. Kijk eerst naar de vorm, dan naar de kleur en daarna naar het symbool. Zo vind je meestal de categorie, en die zegt al veel over wat het bord van je vraagt. Categorie | Zo herken je ze meestal | Voorbeeld | Gevaarsborden | Driehoek met de punt omhoog en een rode rand | Werken | Voorrangsborden | Verschillende vormen, zoals een omgekeerde driehoek of een achthoek | Voorrang verlenen, stopbord | Verbodsborden | Rond met een rode rand | Maximumsnelheid, inhaalverbod | Gebodsborden | Rond en blauw, met een wit symbool of een witte pijl | Verplichte richting | Stilstaan en parkeren | Blauw; de verboden zijn rond met een rode rand en een rode streep of een rood kruis | Parkeerverbod, stilstaan en parkeren verboden | Aanwijzingsborden | Meestal rechthoekig of vierkant, vaak blauw | Oversteekplaats voor voetgangers | Onthoud. Leer verkeersborden niet blind van buiten, maar ontcijfer ze: eerst de vorm, dan de kleur, dan het symbool. Zo kom je ook bij een bord dat je nog nooit zag meestal bij de juiste categorie uit. Let wel op de uitzonderingen. Houd rekening met deze uitzonderingen: De driehoek met het zwarte kruis is geen gevaarsbord. Hij kondigt een kruispunt aan waar de voorrang van rechts geldt. Het Sint-Andrieskruis bij een overweg is wel een gevaarsbord, maar geen driehoek. De verboden richting is geen wit bord met een rode rand, maar een volledig rode schijf met een witte balk. Een rond blauw bord met een rode rand is geen verbodsbord, maar hoort bij stilstaan en parkeren. Je ziet een driehoek met een rode rand en een zwart kruis. Wat is dat voor bord? Je kent nu de bouwstenen van alle signalisatie: drie soorten verkeerstekens, zes categorieën verkeersborden en het onderbord dat een bord aanvult. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je bij elk bord meteen weet in welke categorie het hoort. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 5, 6.1, 6.2, 11.1, 60.1, 65.1, 65.2, 65.4, 66.1 tot 66.4, 67.1, 67.3, 68.1 tot 68.3, 69.1, 69.3, 70.1, 71.2, 73.1, 73.4, 78.1.1 en 78.1.2. Wegcode, Vlaamse versie: verkeersborden A31, A45, A47, B1, B5, B17, C1, C43, D1, E1, E3, E9a, F17, F19 en F49. Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, Vlaamse versie: artikel 31 en bijlage 4 (stof van het theoretisch examen). GOCA Vlaanderen, Doc. 130: brochure over het theorie-examen (leerstof). GOCA Vlaanderen, nieuwsbericht Slaagpercentages theorie-examen evolueren licht positief van 24 januari 2024 (cijfers over 2023). Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 66.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord E9a, bord A31, bord B1, bord B5, bord C1, bord C43, bord D1, bord E1, bord E3, bord F49, bord A45, bord A47 en bord B17 ## Gevaarsborden: wat ze betekenen en hoe je reageert Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gevaarsborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een gevaarsbord waarschuwt je voor een gevaar. Meestal is het een driehoek met een rode rand. Het staat rechts van de weg, gewoonlijk op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats. Staat het dichterbij of verder weg, dan geeft een onderbord de afstand aan. Je reactie: je snelheid aanpassen aan het gevaar, het weer, het zicht en de staat van de weg. Alleen de borden overweg voor enkel spoor en overweg voor twee of meer sporen zijn geen driehoek. Ze staan bij de overweg zelf. De borden een voor een, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder. Ongeveer 150 meter: zoveel ruimte geeft de weg je om te reageren. Je rijdt over een landweg bij Leuven en rechts verschijnt een driehoek met een rode rand. Even verder wacht een scherpe bocht, een glad stuk weg of een oversteekplaats. Ken je de gevaarsborden, dan weet je vooraf wat eraan komt en hoe je reageert. Dat leer je hier, bord na bord. Wat is een gevaarsbord? Definitie. Een gevaarsbord is een verkeersbord dat een gevaar aankondigt. De meeste zijn een driehoek met een rode rand op een witte achtergrond, met in het midden een tekening van het gevaar. Die tekening vertelt je wat eraan komt: een bocht, een steile helling, een glad wegdek, kinderen, een overweg. De boodschap is altijd dezelfde: hier moet je extra opletten. Je vindt gevaarsborden rechts van de weg. Kan dat ter plaatse niet, dan mag het bord ook boven de rijbaan hangen. Waar het verkeer het nodig maakt, mag een bord herhaald worden. Hoe ver voor het gevaar staat een gevaarsbord? Onthoud één getal: een gevaarsbord staat gewoonlijk op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats. Dat ‘ongeveer’ telt, want niemand meet het op de meter af. Bij een bocht wordt de afstand gemeten vanaf het begin van de bocht. Soms staat een bord dichterbij of verder weg dan 150 meter. Dat mag in bijzondere omstandigheden. Dan geeft een onderbord ongeveer de afstand aan. Ook de lengte van een gevaarlijk stuk weg kan op een onderbord staan. Bij een reeks bochten of een reeks verhoogde inrichtingen staat het bord maar één keer, vóór de eerste. Het onderbord geeft dan de lengte van het hele stuk. Onthoud. Een gevaarsbord staat rechts van de weg, gewoonlijk op ongeveer 150 meter van het gevaar. Staat het dichterbij of verder weg, dan geeft een onderbord de afstand. Alleen de borden voor een overweg voor enkel spoor of voor twee of meer sporen staan aan de overweg zelf. Je rijdt in Gent en ziet rechts van de weg een gevaarsbord. Op welke afstand van het gevaar staat het gewoonlijk? Hoe reageer je op een gevaarsbord? Neem het bord voor een gevaarlijke bocht naar links. Het zegt dat er ongeveer 150 meter verder zo’n bocht komt. Wat doe je dan? Je past je snelheid aan en rijdt voorzichtig, zodat je geen ongeval veroorzaakt. Gevaarlijke bocht naar links: het bord staat ongeveer 150 meter voor de bocht. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Hoeveel trager je gaat, hangt af van wat er rond je gebeurt. Je stemt je snelheid af op: de andere weggebruikers, vooral de meest kwetsbare: voetgangers en fietsers; het weer: regen, sneeuw of ijzel; het zicht: donker, schemering of mist; de staat van de weg: oneffenheden, een slecht wegdek, modder of olie op de rijbaan. Een goede vuistregel: hoe meer risico’s samenkomen, hoe trager je rijdt en hoe alerter je blijft. Je moet bovendien altijd kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Het bord vertelt je net wat er aankomt. Valkuil. Een gevaarsbord waarschuwt, het beveelt geen manoeuvre. Het zegt niet ‘stop’ of ‘draai af’. Jij vermindert je snelheid en let beter op, zodat je tijdig kunt reageren. Je rijdt in de Vlaamse Ardennen en het regent hard. Voor je staat een gevaarsbord voor een gevaarlijke daling. Wat doe je? Onthoud. Stel jezelf bij elk gevaarsbord drie vragen: wat kondigt het aan, op welke afstand staat het en wat verander ik aan mijn rijgedrag? Kun je alle drie beantwoorden, dan ken je het bord. Bochten, hellingen en verrassingen op de rijbaan De eerste groep waarschuwt voor de weg zelf: het verloop van de weg en het wegdek. Het gaat om: een gevaarlijke bocht, naar links of naar rechts; een dubbele bocht of een reeks van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar links of naar rechts gaat; een gevaarlijke daling (de weg loopt naar beneden) en een steile helling (de weg stijgt); een rijbaanversmalling; een beweegbare brug en een uitweg op een kaai of een oever; een uitholling overdwars, een ezelsrug en een verhoogde inrichting; een glibberige rijbaan, kiezelprojectie en vallende stenen. Een uitholling overdwars is een dip dwars over de weg, een ezelsrug een bult. Een verhoogde inrichting is een verhoging dwars over de weg, bedoeld om de snelheid te matigen. Niet elke bocht of helling krijgt een bord. Een bord voor een bocht staat alleen bij een bocht die onverwacht opduikt of waarvoor je flink moet vertragen. Een daling of helling krijgt alleen een bord als ze minstens 7 procent is. Gevaarlijke bocht naar rechts: de tekening toont de richting van de bocht. Dubbele bocht of reeks van meer dan twee bochten, de eerste naar links. Valkuil. Bij een dubbele bocht telt de eerste bocht op het bord. Er bestaan twee bijna identieke borden: bij het ene gaat de eerste bocht naar links, bij het andere naar rechts. Kijk dus eerst naar de richting van de eerste bocht. Gevaarlijke daling: de weg loopt naar beneden. Glibberige rijbaan: de weg kan glad zijn. Bij het bord voor een glibberige rijbaan kan een onderbord zeggen wanneer de weg glad wordt, bijvoorbeeld bij ijzel, sneeuw of nat wegdek. Wie of wat kan er plots opduiken? De tweede groep waarschuwt voor weggebruikers, dieren en situaties die je plots op je weg kunt tegenkomen: een oversteekplaats voor voetgangers (het zebrapad); een plaats waar speciaal veel kinderen komen; een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen, of een plaats waar zij van het fietspad op de rijbaan komen; doortocht van groot wild en doortocht van vee; werken, verkeerslichten en een file; overtocht van vliegtuigen op geringe hoogte en zijwind; verkeer in beide richtingen na een stuk met eenrichtingsverkeer. Oversteekplaats voor voetgangers: dit bord waarschuwt vooraf. Het blauwe bord op de oversteekplaats zelf duidt het zebrapad aan. Plaats waar speciaal veel kinderen komen, bijvoorbeeld bij een school of speelplein. Valkuil. Het bord met de kinderen kondigt een plaats aan waar speciaal veel kinderen komen, bijvoorbeeld bij een school of speelplein. Staat het samen met het bord voor het begin van een zone 30, dan begint daar een schoolomgeving. Doortocht van groot wild: hier steken regelmatig herten, reebokken of everzwijnen over. Werken: pas ook hier je snelheid aan. Het bord voor zijwind staat waar vaak een sterke zijwind waait en een windzak voorzien is. Het bord voor verkeerslichten staat buiten de bebouwde kom bij lichten die je door de ligging niet vanop ongeveer 150 meter kunt zien. Bij het bord voor verkeer in beide richtingen geeft een onderbord de lengte van het stuk. Reken op tegenliggers. Verkeer in beide richtingen na een stuk met eenrichtingsverkeer. File: pas je snelheid aan, zodat je tijdig kunt stoppen. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Bij elk van deze borden geldt dezelfde logica als bij de bocht: je vermindert je snelheid, je kijkt goed rond en je bent klaar om te reageren. Welke borden bij een overweg zijn anders? Bij een overweg kruist de weg een spoorlijn. Daarvoor bestaan vier gevaarsborden. Twee ervan zijn gewone driehoeken, de andere twee werken anders. Eerst de gewone. Het bord overweg met slagbomen toont een slagboom. Het bord overweg zonder slagbomen toont een locomotief. Hier komt geen slagboom die je tegenhoudt: je mag de overweg pas oprijden nadat je je ervan vergewist hebt dat er geen trein nadert. Beide staan op ongeveer 150 meter van de overweg. Overweg met slagbomen: de tekening toont een slagboom. Overweg zonder slagbomen: de tekening toont een locomotief. Er komt geen slagboom die je tegenhoudt. Dan de twee uitzonderingen: het bord overweg voor enkel spoor en het bord overweg voor twee of meer sporen. Het zijn geen driehoeken maar Sint-Andrieskruisen: een enkel kruis bij één spoor en een dubbel kruis bij twee of meer sporen. Ze staan niet op 150 meter, maar aan de overweg zelf of er vlak bij. Overweg voor enkel spoor: een Sint-Andrieskruis in plaats van een driehoek. Overweg voor twee of meer sporen: een dubbel Sint-Andrieskruis. Op het examen. Verkeersborden en overwegen horen bij de leerstof van het theorie-examen. Zorg dus dat je weet welk bord bij welke overweg hoort: met of zonder slagbomen, enkel spoor of meer sporen. Alleen de borden voor een overweg voor enkel spoor en voor twee of meer sporen (de Sint-Andrieskruisen) zijn geen driehoek en staan aan de overweg zelf. Welk van deze gevaarsborden is geen driehoek? Sporen in de rijbaan en een gevaar zonder eigen bord Twee borden blijven over. Het eerste waarschuwt voor sporen in de rijbaan: de weg wordt gekruist door een of meer sporen die in de rijbaan liggen. Sporen in de rijbaan: de weg wordt gekruist door een of meer sporen. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Het tweede is het bord voor een gevaar zonder speciaal symbool: een driehoek met alleen een uitroepteken. Het wordt alleen gebruikt als geen ander gevaarsbord past. Een onderbord eronder zegt altijd om welk gevaar het gaat. Gevaar zonder speciaal symbool: het onderbord eronder zegt om welk gevaar het gaat. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Valkuil. Een gevaarsbord met alleen een uitroepteken is geen vergissing. Het onderbord eronder vertelt je welk gevaar er komt. Lees dus altijd ook het onderbord, anders weet je niet wat je moet verwachten. Onder een gevaarsbord met een uitroepteken hangt een onderbord. Wat staat daarop? Je kent nu alle gevaarsborden: wat ze aankondigen, waar ze staan en hoe je reageert. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je elk bord meteen herkent. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), Vlaamse versie: artikelen 10.1, 65, 66 en 2.37 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 (plaatsing van de verkeerstekens): artikel 7 en artikel 12.13 GOCA Vlaanderen, Doc. 130 Het rijbewijsexamen: leerstof voor het theorie-examen Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 65.1, 66.1, 66.4, 66.3, 2.74 en 20.2 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 7.1, 7.4, 7.2, 7.3, 7.5, 7.6, 7.7, 7.8, 7.9, 7.10, 7.11, 7.12 en 7.13 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord A1, bord A3, bord A5, bord A7, bord A9, bord A11, bord A13, bord A14, bord A15, bord A17, bord A19, bord A21, bord A23, bord A25, bord A27, bord A29, bord A31, bord A33, bord A35, bord A37, bord A39, bord A50, bord F4a, bord F49, bord A41, bord A43, bord A45, bord A47, bord A49 en bord A51 ## Voorrangsborden: voorrang verlenen, stoppen of doorrijden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Voorrangsborden bepalen wie eerst mag. Het zijn strikte regels, geen tips. Voorrang verlenen: je past je snelheid aan en stopt als dat nodig is. Stopbord: je stopt altijd volledig, ook op een leeg kruispunt. Op een rotonde heeft wie er al op rijdt voorrang. Wie oprijdt, verleent voorrang. De driehoek met het zwarte kruis kondigt voorrang van rechts aan. Hij geeft jou zelf geen voorrang. Werken de verkeerslichten niet, dan gelden de voorrangsborden op dezelfde weg wel. De borden een voor een, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder. Wie mag eerst: jij of de ander? Alle voorrangsborden beantwoorden die ene vraag. Hier leer je hoe je ze leest in de situaties waar je makkelijk twijfelt: een stopbord op een leeg kruispunt, de toegang tot een rotonde, verkeerslichten die niet werken. Wat is een voorrangsbord? Definitie. Een voorrangsbord zegt wie voorrang heeft en wie voorrang moet verlenen. Je vindt het rechts van de weg. Het mag ook boven de rijbaan of links herhaald worden. Vlak voor een kruispunt of een rotonde, waar je andere weggebruikers tegenkomt, beslissen de voorrangsborden voor jou: jij gaat eerst, of je laat de ander voorgaan. Zo’n bord is geen advies, maar een strikte regel. Een stopbord dwingt je tot een volledige stop, wat het verkeer ook doet. Dankzij de borden is altijd duidelijk wie eerst mag. Dat voorkomt verwarring en ongevallen. Op de weg geldt een vaste rangorde, en een voorrangsbord staat daarin boven de voorrang van rechts: eerst de bevelen van een bevoegd persoon, bijvoorbeeld een politieagent die het verkeer regelt; dan de verkeerstekens, zoals borden en verkeerslichten; en pas daarna de gewone verkeersregels, zoals de voorrang van rechts. Stel jezelf bij elk voorrangsbord één vraag: ben ik aan de beurt, ja of nee? Is het antwoord nee, zoek dan al van ver naar de weggebruikers aan wie je voorrang moet verlenen, nog voor je het kruispunt bereikt. Voorrang verlenen: de omgekeerde driehoek Het bord voorrang verlenen, een omgekeerde driehoek met rode rand, staat rechts van de weg, vlak bij de plaats waar je voorrang moet verlenen. Zodra je het ziet, pas je je snelheid aan, zodat je kunt stoppen als dat nodig is. Voorrang verlenen: de omgekeerde driehoek met rode rand. Voorrang verlenen wil niet zeggen dat je altijd stilstaat. Je rijdt pas verder als dat zonder gevaar kan, gelet op de plaats, de snelheid en de afstand van de andere weggebruikers. Kan het niet veilig, dan stop je. Op een kruispunt moet je trouwens altijd dubbel voorzichtig zijn. Op het wegdek kunnen haaientanden staan, een rij witte driehoeken. Ze tonen waar je, zo nodig, stopt om voorrang te verlenen. Dit bord kan ook op afstand aangekondigd worden. Het blauwe bord onder de driehoek geeft dan bij benadering de afstand aan. Zo’n aankondiging staat er niet altijd: in de bebouwde kom hoeft ze niet. Voorrang verlenen op de aangeduide afstand: het blauwe bord eronder geeft de afstand. Soms hoort er een onderbord bij het bord: wanneer er bij het oprijden van een kruispunt een fietspad is gemarkeerd dat in twee richtingen bereden wordt; wanneer in een straat met eenrichtingsverkeer ook fietsers, en eventueel bestuurders van tweewielige bromfietsen, in beide richtingen mogen rijden. Valkuil. Waar staat het bord voorrang verlenen? Altijd rechts. Boven de rijbaan of links mag het herhaald worden. Op een brede rijbaan met eenrichtingsverkeer, waar het verkeer in meerdere rijen naast elkaar kan rijden, moet het ook links staan. Voor verkeerslichten geldt een eigen regel: zolang ze werken, tellen de voorrangsborden op dezelfde weg niet. Een oranjegeel knipperlicht of de lichten boven de rijstroken veranderen niets aan de voorrang: het bord blijft dan gelden. De kleine borden voor fietsers en speed pedelecs onder een verkeerslicht, verderop in deze les, gelden wel bij werkende lichten. Valkuil. Werken de verkeerslichten niet? Dan verdwijnt de voorrangsregeling niet. Staat er op dezelfde weg een bord voorrang verlenen, dan volg je dat bord. In Kortrijk vallen de verkeerslichten uit. Op jouw weg staat een bord voorrang verlenen. Wat doe je? Wie heeft voorrang op een rotonde? Een rotonde is een weg waarop het verkeer in één richting rond een middeneiland rijdt. Een bord duidt de rotonde aan, en aan elke toegangsweg staat een bord voorrang verlenen of, zo nodig, een stopbord. Daardoor is de regel altijd dezelfde: wie een rotonde oprijdt, verleent voorrang aan de bestuurders die er al op rijden. En wie al op de rotonde rijdt, hoeft geen voorrang van rechts te verlenen. Onthoud. Rotonde met een bord voorrang verlenen op elke toegangsweg: wie er al op rijdt, heeft voorrang op wie wil oprijden. Jij rijdt pas op als er plaats is. Je rijdt in Mechelen een rotonde op via een bord voorrang verlenen. Wie heeft voorrang? Waarom moet ik stoppen bij een stopbord, ook als er niemand komt? Het stopbord zegt precies wat het bedoelt: je moet stoppen en voorrang verlenen. Dus geen stevig afremmen met een blik opzij, maar een volledige stop, wat het verkeer ook doet. Stel: het is zondagavond, je rijdt door een rustige wijk in Hasselt en er is geen auto te zien. Je stopt toch volledig. Het stopbord: je stopt altijd volledig en verleent voorrang. Op het wegdek toont de stopstreep, een doorlopende witte streep haaks op de rand van de rijbaan, waar je moet stoppen: bij een stopbord of bij een verkeerslicht. Haaientanden bij voorrang verlenen betekenen: stop hier alleen als het nodig is. Een stopbord staat er niet zomaar. Het wordt onder meer geplaatst wanneer het zicht ter plaatse zo beperkt is dat je geen voorrang zou kunnen verlenen zonder te moeten stoppen. Net als voorrang verlenen wordt ook het stopbord aangekondigd, met een blauw bord eronder dat bij benadering de afstand aangeeft. In principe geldt dat voor elk stopbord. In de bebouwde kom hoeft het niet. Aankondiging van een stopbord op de aangeduide afstand. Op het examen. Let op het verschil tussen de twee borden. Bij een stopbord stop je altijd, ook als de weg helemaal vrij is. Bij voorrang verlenen pas je je snelheid aan en stop je alleen als dat nodig is. Je komt aan een stopbord en het kruispunt is helemaal leeg. Mag je doorrijden zonder te stoppen? De driehoek met het zwarte kruis: hier geldt de voorrang van rechts Een driehoek met rode rand en een zwart kruis in het midden kondigt een kruispunt aan waar de voorrang van rechts geldt. Het bord voert geen nieuwe regel in. Het herinnert je aan de basisregel: je verleent voorrang aan de bestuurder die van rechts komt. Daar zijn uitzonderingen op. Wie op een rotonde rijdt, hoeft geen voorrang van rechts te verlenen. Een bestuurder die van rechts komt uit een verboden rijrichting, bijvoorbeeld tegen het eenrichtingsverkeer in, heeft geen voorrang. En wie uit een aardeweg of een pad een rijbaan oprijdt, verleent voorrang aan wie daar rijdt, ook als hij van rechts komt. Kruispunt waar de voorrang van rechts geldt: wie van rechts komt, mag eerst. Valkuil. De driehoek met het zwarte kruis geeft jou geen voorrang: hij waarschuwt dat wie van rechts komt, voorrang heeft. Ook zonder dit bord geldt de voorrang van rechts als basisregel. Je ziet de driehoek met het zwarte kruis en rechts van je komt een auto aan. Wie mag eerst? Welke borden geven jou voorrang, en wanneer houdt die op? Vier andere borden gaan over jouw voorrang, en over het punt waar die ophoudt: voorrangsweg: op deze weg heb je voorrang op de kruisende wegen. Het bord staat bij het begin en wordt na elk kruispunt herhaald; voorrang: je hebt voorrang aan het volgende kruispunt. De streep in het symbool mag aangepast worden aan de situatie ter plaatse; einde van de voorrangsweg: aan het volgende kruispunt is je voorrang voorbij; einde van de voorrangsweg, aangekondigd: hetzelfde, met een blauw bord eronder dat bij benadering de afstand aangeeft. Dit bord staat niet in de bebouwde kom. Voorrangsweg: wie op deze weg rijdt, heeft voorrang op de kruisende wegen. Voorrang aan het volgende kruispunt: de streep in het symbool mag aangepast worden aan de plaats. Vier varianten van hetzelfde bord: de streep in het symbool wordt aangepast om de situatie ter plaatse duidelijker te tonen. Einde van de voorrangsweg: aan het volgende kruispunt verlies je je voorrang. Het einde van de voorrangsweg wordt aangekondigd: het blauwe bord eronder geeft bij benadering de afstand. Valkuil. Niet elk bord uit deze groep geeft jou voorrang. Einde van de voorrangsweg betekent dat je voorrang ophoudt. Aan dat kruispunt kondigt altijd een bord de nieuwe regel aan: voorrang verlenen, een stopbord of de driehoek met het zwarte kruis. Twee dingen om te onthouden: het bord voorrangsweg en het bord voorrang staan nooit samen op dezelfde weg. En begint een voorrangsweg meteen na een kruispunt met voorrang van rechts, dan staat vóór dat kruispunt altijd de driehoek met het zwarte kruis. Smalle doorgang en fietsers bij rood licht: de bijzondere gevallen Twee borden regelen de smalle doorgang, een plaats waar twee auto’s elkaar niet kunnen kruisen. Ze zijn elkaars spiegelbeeld: het ene verplicht je voorrang te verlenen aan de bestuurders uit de tegenovergestelde richting, de tegenliggers; het andere geeft je voorrang op de bestuurders uit de tegenovergestelde richting. Smalle doorgang: jij verleent voorrang aan de bestuurders uit de tegenovergestelde richting. Smalle doorgang: jij hebt voorrang op de bestuurders uit de tegenovergestelde richting. Onthoud. De twee borden van de smalle doorgang lijken sterk op elkaar. Leer ze als een paar: het ene staat aan jouw kant, het andere aan de kant van de tegenligger. Vraag je bij elk bord af: moet ik voorrang verlenen, of heb ik voorrang? Twee kleine borden bij verkeerslichten gelden alleen voor fietsers en bestuurders van speed pedelecs. Ze mogen het licht voorbijrijden als het rood of oranjegeel is: om rechts af te slaan, op voorwaarde dat ze voorrang verlenen aan de andere weggebruikers op de openbare weg of op de rijbaan; om rechtdoor te rijden, op voorwaarde dat ze voorrang verlenen aan de andere weggebruikers vanaf het rode of oranjegele licht. Rechts afslaan bij rood of oranjegeel mag voor fietsers en speed pedelecs, als ze voorrang verlenen. Rechtdoor bij rood of oranjegeel mag voor fietsers en speed pedelecs, als ze voorrang verlenen. Het bord voor rechtdoor wordt alleen gebruikt als de fietsers geen verkeersstroom moeten dwarsen, dus geen ander verkeer moeten kruisen. Beide borden wijzigen de betekenis van het licht voor deze weggebruikers. Voor alle andere bestuurders blijven rood en oranjegeel gewoon gelden. Een fietser staat in Antwerpen voor een rood licht. Onder het licht hangt een klein bord met een fiets en een pijl naar rechts. Mag hij rechts afslaan? Je kent nu de taal van de voorrang: voorrang verlenen, stoppen en doorrijden. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je bij elk bord meteen weet wat je moet doen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.39, 6.1 tot 6.3, 10, 12.2, 12.3.1, 12.5, 61.1, 61.5, 64.1, 67.1 tot 67.4, 76.1 en 76.2 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikelen 8.1 tot 8.9 en 8.12 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 67.3 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 8.2, 8.3, 8.4, 8.5, 8.6 en 8.7 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord B1, bord B3, bord B5, bord B7, bord B17, bord B9, bord B11, bord B13, bord B15, bord B19, bord B21, bord B22 en bord B23 ## Verbodsborden: wie, wat en tot waar geldt het verbod? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verbodsborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een rond bord met een rode rand is een verbod. Het staat rechts, of boven de rijbaan als daar geen plaats voor is. Stel drie vragen: wie wordt bedoeld, wat is verboden en tot waar geldt het? Een keerverbod en een inhaalverbod lopen tot en met het volgende kruispunt. Afslaan is alleen verboden aan dat kruispunt. Een snelheidsbeperking eindigt na het volgende kruispunt, bij een nieuw snelheidsbord of bij het begin of het einde van een bebouwde kom, woonerf, erf of voetgangerszone. Lengte, breedte en hoogte tellen altijd lading inbegrepen. Wie, wat en tot waar: alles staat hieronder, met de borden erbij. Een rond bord met een rode rand verbiedt iets. Dat is een regel, geen advies. Bij elk verbodsbord helpen drie vragen je verder: wie wordt bedoeld, wat is verboden en tot waar geldt het? Hoe herken je een verbodsbord? Definitie. Een verbodsbord is een rond bord met een rode rand en een pictogram dat zegt wat verboden is: ergens binnenrijden, afslaan, inhalen, sneller rijden… Je vindt het rechts van de weg. Als daar geen plaats voor is, hangt het boven de rijbaan. Het bord mag herhaald worden waar nodig. Een verbod kan ook aangekondigd worden met een gelijkaardig bord en een onderbord dat ongeveer aangeeft op welke afstand het verbod begint. Onthoud. Sorteer de verbodsborden in drie laden: wie mag er niet in, wat mag je niet doen en welke afmetingen passen niet? Zoek bij een vraag eerst de juiste lade. Tot waar geldt het verbod? Een verbod geldt niet overal even ver: elk bord heeft zijn eigen bereik. Het verbod om te keren, het verbod om links in te halen en de snelheidsbeperking lopen van het bord tot en met het volgende kruispunt. Het verbod om af te slaan werkt anders: dat geldt alleen aan het volgende kruispunt, in de richting van de pijl. Een kruispunt is de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen. Dat kruispunt zelf hoort er nog bij: het verbod houdt pas erna op. Eindigt het verbod niet op een kruispunt, dan staat er een bord dat het einde aangeeft. Onthoud. Keren en links inhalen: het verbod loopt van het bord tot en met het volgende kruispunt. Een snelheidsbeperking ook, tenzij ze eerder eindigt. Afslaan in de richting van de pijl is alleen verboden aan dat kruispunt. Je ziet in Mechelen een bord dat keren verbiedt. Tot waar geldt dat verbod? Wie mag er niet in? De meeste verbodsborden zijn toegangsverboden. Twee ervan lijken sterk op elkaar. Eerst verboden richting: een rode schijf met een witte horizontale balk. Je mag er niet in vanuit jouw richting. De straat wordt in de andere richting bereden, dus er kan verkeer op je afkomen. Verboden richting voor ieder bestuurder: het verkeer komt je tegemoet. Het tweede bord heeft geen pictogram: een witte schijf met een rode rand en verder niets. Dat is verboden toegang in beide richtingen. Geen enkele bestuurder mag erin, jij niet en de tegenligger evenmin. Verboden toegang in beide richtingen voor ieder bestuurder. Valkuil. Verwar deze twee borden niet. Een witte balk in de rode schijf betekent: verboden richting, het verkeer komt je tegemoet. Een lege schijf met rode rand betekent: verboden toegang in beide richtingen. Je ziet een rode schijf met een witte horizontale balk. Wat verbiedt dat bord? Onder zo’n bord kan een onderbord staan. Een onderbord voor fietsers zegt dat het verbod niet voor fietsers geldt. Een ander onderbord doet dat voor tweewielige bromfietsen klasse A of voor speed pedelecs. Onder verboden toegang staat soms “Uitgezonderd plaatselijk verkeer”. Elke groep weggebruikers heeft een eigen toegangsverbod: motorfietsen, bromfietsen en fietsen (rijwielen); gespannen (een voertuig met dieren ervoor, zoals een koets met paarden), ruiters en handkarren; voetgangers; autocars en voertuigen die ontworpen en gebouwd zijn voor het vervoer van goederen; voertuigen waarvan de massa in beladen toestand hoger is dan de aangeduide massa; quads: motorvoertuigen met vier wielen voor onverhard terrein, met een open carrosserie, een stuur als op een motorfiets en een zadel. Verboden toegang voor voetgangers. Volgens GOCA Vlaanderen horen de verkeersborden voor voetgangers bij de vijf onderwerpen waar kandidaten het meest moeite mee hebben (cijfers van 2023). Verboden toegang voor quads: vier wielen, open carrosserie, een stuur als op een motorfiets en een zadel. Een autocar is gebouwd voor het vervoer van uitsluitend zittende passagiers en heeft meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend. Een autobus is ook gebouwd voor staande passagiers: het bord voor autocars geldt dus niet voor hem. Het bord voor goederenvervoer kijkt naar waarvoor het voertuig ontworpen en gebouwd is. Een camper is daar niet voor gebouwd, dus die mag erdoor. Staat de massa op het bord zelf, dan telt de massa in beladen toestand: het voertuig mét lading. Staat ze op een onderbord onder het bord voor goederenvervoer, dan gaat het om de maximaal toegelaten massa van het voertuig. Drie borden gaan over gevaarlijke goederen: een algemeen verbod, een verbod voor ontvlambare of ontplofbare stoffen en een verbod voor verontreinigende stoffen. Een onderbord met de letter B, C, D of E bij het algemene bord verwijst naar een categorie wegtunnels: het verbod geldt dan voor voertuigen met gevaarlijke goederen die tunnels van die categorie niet in mogen. Gevaarlijke goederen: de letter op het onderbord verwijst naar een categorie wegtunnels. Een bijzonder geval is het toegangsverbod voor motorvoertuigen met meer dan twee wielen en motorfietsen met zijspan, met het onderbord “Uitgezonderd 2+” of “3+”. Definitie. “Uitgezonderd 2+” of “3+”: de rijstrook is dan alleen toegankelijk voor voertuigen met minstens 2 of 3 inzittenden en voor de voertuigen van de geregelde openbare diensten voor gemeenschappelijk vervoer (het openbaar vervoer). Andere voertuigen mogen die rijstrook alleen volgen om op- en afritten te gebruiken, van richting te veranderen of een eigendom langs de rijstrook te bereiken. Bij het verbod voor motorvoertuigen met meer dan twee wielen staat “Uitgezonderd 2+”. Wie mag de rijstrook volgen? Te lang, te breed, te hoog? Drie borden leggen maximale afmetingen vast: een voor de lengte (van voertuigen of slepen), een voor de breedte en een voor de hoogte. Een sleep is een groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn en samen door één en dezelfde kracht voortbewogen worden, zoals een auto met een aanhangwagen. Op het examen. Lengte, breedte en hoogte op het bord gelden altijd lading inbegrepen. Een camper met fietsen op het dak is dus hoger dan de camper zelf. Te hoog? De hoogte op het bord geldt lading inbegrepen. Mag je afslaan, keren of links inhalen? Terug naar de tweede lade: wat mag je niet doen? Drie verboden: het verbod om af te slaan in de richting van de pijl; het verbod om te keren; het verbod om een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen links in te halen. Afslaan verboden aan het volgende kruispunt, in de richting van de pijl. Keren verboden, van het bord tot en met het volgende kruispunt. Links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden, tot en met het volgende kruispunt. Er bestaat ook een versie voor zware voertuigen: dan geldt het inhaalverbod voor bestuurders van voertuigen of slepen die voor goederenvervoer gebruikt worden en een maximaal toegelaten massa van meer dan 3500 kg hebben. Elk inhaalverbod heeft zijn eigen bord einde van het verbod: hetzelfde pictogram, maar grijs en doorgehaald. Dat bord staat er alleen als het verbod niet op een kruispunt eindigt. Einde van het inhaalverbod: het pictogram is grijs en doorgehaald. Het inhaalverbod telt de wielen. Een auto, een driewieler met motor of een gespan mag je niet links inhalen. Een fiets, een bromfiets of een motorfiets met twee wielen mag je wel links inhalen. Een driewielige bromfiets met twee wielen op dezelfde as die minder dan 0,46 m uit elkaar staan, telt als een bromfiets met twee wielen: die mag je dus wel links inhalen. Op het praktijkexamen ben je niet geslaagd als je een verboden rijrichting inslaat of het verbod om af te slaan of te keren negeert. Je bent net voorbij het bord met het inhaalverbod. Voor je rijdt een gewone fiets met twee wielen. Mag je die links inhalen? Waar eindigt een snelheidsbeperking? Het bord met een snelheid verbiedt je sneller te rijden dan het getal op het bord, bijvoorbeeld 50 km/u. De beperking loopt van het bord tot en met het volgende kruispunt. Snelheidsbeperking: niet sneller dan het getal op het bord, hier 50 km/u. Valkuil. Een snelheidsbeperking eindigt niet alleen bij het bord einde van de beperking. Ze valt ook weg na het volgende kruispunt, bij een nieuw snelheidsbord of bij het bord dat het begin of het einde van een bebouwde kom, een woonerf, een erf of een voetgangerszone aanduidt. Staat er onder het bord een massa, dan geldt de beperking alleen voor voertuigen waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan die massa. Het gaat om de toegelaten massa van het voertuig, niet om wat het op dat moment weegt. Het bord einde van de snelheidsbeperking toont hetzelfde getal, grijs en doorgehaald. Het staat er alleen als de beperking niet op een kruispunt eindigt. Einde van de snelheidsbeperking: het getal is grijs en doorgehaald. Wat geldt er daarna? In een bebouwde kom weer 50 km/u, vanaf het volgende kruispunt. Buiten de bebouwde kom is 70 km/u de basis voor gewone wegen, en een bord kan er 90 km/u toelaten. Buiten de bebouwde kom bij Leuven staat een bord met 50 km/u. Je rijdt door het volgende kruispunt. Geldt die 50 daarna nog? Tolpost en einde van alle verboden Het bord met het woord Tolpost (of Taks) verbiedt je voorbij te rijden zonder te stoppen. Bij een tolpost stop je dus altijd. Het bord dat het gebruik van de cruisecontrol verbood, bestaat sinds 1 oktober 2022 niet meer. Het laatste bord heft in één keer meerdere verboden op: einde van alle plaatselijke verboden voor voertuigen in beweging. Het maakt een einde aan het keerverbod, de inhaalverboden en de snelheidsbeperking, maar alleen als het verbod niet op een kruispunt of bij de toegang tot een autosnelweg eindigt. Een toegangsverbod heft het niet op. Einde van alle plaatselijke verboden voor voertuigen in beweging. Valkuil. “Einde van alle verboden” geldt alleen voor voertuigen in beweging. Stilstaan en parkeren vallen onder andere borden: een geparkeerde auto beweegt niet, dus dit bord heft een parkeerverbod niet op. Je hebt nu de drie laden (wie mag er niet in, wat mag je niet doen, welke afmetingen passen niet) en je weet tot waar een verbod geldt. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je elk bord herkent. Het volgende hoofdstuk gaat over de gebodsborden, de blauwe ronde borden die zeggen wat je móét doen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.9, 2.17, 2.18, 2.19, 2.25, 2.65, 2.66, 11.2, 53.1, 65.1, 68.1 tot 68.4 en 71, en de verkeersborden C1, C3, C5, C6, C19, C21 tot C25, C27, C29, C31, C33, C35, C37, C39, C41, C43, C45, C46 en C47, en C48 (opgeheven sinds 1 oktober 2022) Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikelen 9.1, 9.2, 9.8, 9.10, 9.11 en 9.12 GOCA Vlaanderen: brochure Op weg naar het rijbewijs B, praktijkexamen toegelicht; nieuwsbericht Slaagpercentages theorie-examen evolueren licht positief (24 januari 2024). Lokale kopieën van 21 oktober 2026 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 68.2 en 68.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord C31, bord C33, bord C35, bord C39, bord C43, bord C1, bord C3, bord C5, bord C6, bord C19, bord C21, bord C22, bord C23, bord C24a, bord C24b, bord C24c, bord C25, bord C27, bord C29, bord C37, bord C41, bord C45, bord C46, bord C47 en bord C48 ## Gebodsborden: ronde blauwe borden voor het theorie-examen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/gebodsborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een rond blauw bord met een wit symbool is een gebodsbord: het zegt wat je moet doen, het is geen advies. Het bord verplicht rondgaand verkeer signaleert een rotonde. Je laat het middeneiland links van je en rijdt dus tegen de wijzers van de klok in. Een pijl legt een richting op. Staat een niet-gebogen pijl op een hindernis, dan rijd je er langs de kant van de pijl voorbij. Het verplichte fietspad moeten fietsers en tweewielige bromfietsen klasse A volgen. Voor tweewielige bromfietsen klasse B telt de snelheidslimiet. Een streep tussen voetganger en fiets betekent gescheiden delen. Zonder streep delen voetgangers en fietsers hetzelfde deel. De borden een voor een, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder. Een rond blauw bord legt je iets op. Het zegt wat je op die plaats moet doen: een richting volgen, langs één kant van een hindernis rijden, een fietspad nemen. Hier leer je elk gebodsbord herkennen en zie je waar je makkelijk een fout maakt. Wat is een gebodsbord en hoe herken je het? Definitie. Een gebodsbord legt je een bepaald gedrag op: een richting volgen, een hindernis voorbijrijden of een fietspad nemen. Je herkent het aan de ronde vorm, de blauwe kleur en het witte symbool. Het principe is altijd hetzelfde: het bord zegt wat je op die plaats moet doen. Een rond bord met een rode rand doet het omgekeerde, want dat verbiedt iets. Let ook op de vorm: het blauwe bord voor een weg met eenrichtingsverkeer is rechthoekig, niet rond. Dat is een aanwijzingsbord en geen gebodsbord: het informeert je over de weg. Zo’n bord staat op de plek waar het zo goed mogelijk zichtbaar is. Een gebod kan ook vooraf worden aangekondigd: dan staat er een gelijkaardig bord met een onderbord dat ongeveer aangeeft op welke afstand het gebod begint. Een gebodsbord gaat boven de gewone verkeersregels. Alleen de bevelen van een bevoegd persoon, bijvoorbeeld een politieagent die het verkeer regelt, gaan nog voor het bord. Onthoud. Een rond bord met een rode rand verbiedt iets, een rond blauw bord zonder rode rand verplicht iets. Zie je een rond blauw bord, kijk dan wat het aanduidt: een pijl, een fiets, een voetganger of een ruiter. Daar zit het gebod. Je ziet een rond blauw bord met een witte pijl. Wat vraagt dat bord van je? Wat betekent het bord verplicht rondgaand verkeer? Dit gebodsbord toont pijlen die in een cirkel rondgaan. Het signaleert een rotonde: een weg waarop het verkeer in één richting rond een middeneiland rijdt. Een rotonde in Vlaanderen: het bord signaleert de rotonde, aan de toegangsweg staat een bord voorrang verlenen. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Verplicht rondgaand verkeer: het bord signaleert een rotonde en je laat het middeneiland links van je. Het bord wordt alleen geplaatst als alle bestuurders het middeneiland aan hun linkerhand moeten laten. Dat bepaalt de rijrichting: je rijdt tegen de wijzers van de klok in, met het middeneiland links van je. Wettelijk is het pas een rotonde als dit bord er staat én aan elke toegangsweg een bord voorrang verlenen of een stopbord staat. Zolang er geen verkeerslichten werken, is de voorrang op een rotonde daarom altijd dezelfde. Wie de rotonde oprijdt, verleent voorrang aan alle bestuurders die er al op rijden. Wie zelf op de rotonde rijdt, hoeft geen voorrang van rechts te verlenen. Rij een rotonde dubbel voorzichtig op en kijk eerst naar het verkeer dat er al op rijdt. Op het examen. Stel jezelf bij elk gebodsbord twee vragen: wat betekent het bord en wat moet ik doen? Bij verplicht rondgaand verkeer is het antwoord: het bord signaleert een rotonde, je laat het middeneiland links van je en je verleent voorrang aan wie er al op rijdt. In Brugge rij je een rotonde op. Er staat een bord verplicht rondgaand verkeer. Hoe rijd je rond het middeneiland? Wat doe je bij een bord met een of meer pijlen? Veel gebodsborden draaien om een pijl: de pijl zegt waar je heen moet. Er zijn drie gevallen en je houdt ze best uit elkaar. Eerste geval, één pijl: je volgt de richting van de pijl. Afhankelijk van de plaats wijst de pijl rechtdoor, naar links of naar rechts. Eén pijl: je volgt de aangeduide richting. Tweede geval, meerdere pijlen op hetzelfde bord: je volgt één van de aangeduide richtingen. Je kiest zelf, maar alleen uit die richtingen. Meerdere pijlen: je kiest één van de aangeduide richtingen. Derde geval, een niet-gebogen pijl op een hindernis. Dan kies je geen richting op het kruispunt: je rijdt de hindernis langs de kant van de pijl voorbij. Pijl op een hindernis: je rijdt er langs de kant van de pijl voorbij. Op een hindernis wijst de pijl schuin naar de grond, onder een hoek van ongeveer 45 graden. Zo’n bord kan ook op een zuil of een andere inrichting staan die het verkeer leidt. Zonder bord laat je zulke inrichtingen aan je linkerhand. Met het bord moet je langs één bepaalde kant voorbij. Valkuil. Een niet-gebogen pijl op een hindernis is geen richting die je op het kruispunt kiest. Het bord zegt dat je de hindernis langs de kant van de pijl voorbijrijdt. Kijk dus altijd eerst waar het bord staat. Er bestaat ook een bord voor voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren. Zij moeten de aangeduide richting volgen, een route die bij hun lading past. Voor alle andere voertuigen geldt dit bord niet. Verplichte richting voor voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren, hier met een onderbord met een letter. Op dat onderbord staat soms een letter: B, C, D of E. Dan geldt het gebod alleen voor voertuigen met gevaarlijke goederen die niet in een wegtunnel van die categorie mogen. Met je rijbewijs B heeft die letter niets te maken. Onder een bord met één pijl kan ook een onderbord hangen dat bepaalde weggebruikers uitzondert. Dat kunnen fietsers zijn, en daarnaast bromfietsen klasse A of speed pedelecs. Voor hen geldt het gebod dan niet. Op een verkeersgeleider in Leuven staat een bord met een niet-gebogen pijl naar rechts. Wat doe je? Wie moet het verplichte fietspad volgen? Het bord verplicht fietspad toont een witte fiets op een rond blauw bord. Het duidt een fietspad aan: een deel van de openbare weg voor fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A. Het fietspad hoort niet bij de rijbaan, en als bestuurder van een auto volg je de rijbaan. Verplicht fietspad. Een bromfiets klasse A is gebouwd voor hoogstens 25 km/u, klasse B voor hoogstens 45 km/u. Wie het fietspad moet volgen, hangt af van het voertuig: fietsers en tweewielige bromfietsen klasse A moeten het volgen als het berijdbaar is en in hun rijrichting is aangeduid; tweewielige bromfietsen klasse B en speed pedelecs mogen het volgen waar de snelheid beperkt is tot 50 km/u of minder, als ze de andere gebruikers van het fietspad niet in gevaar brengen; waar een hogere limiet geldt, moeten tweewielige bromfietsen klasse B en speed pedelecs het volgen als er een bruikbaar fietspad is. Een onderbord kan dat voor tweewielige bromfietsen klasse B en speed pedelecs anders regelen: het verplicht hen het fietspad te volgen of verbiedt hun dat. Het bord wordt na elk kruispunt herhaald. Wie het fietspad moet volgen, mag het verlaten om van richting te veranderen, om in te halen of om een hindernis te omzeilen. Ligt het fietspad links, dan mogen fietsers en bromfietsen klasse A in bijzondere omstandigheden rechts rijden. Onthoud. Fietsers en tweewielige bromfietsen klasse A moeten het verplichte fietspad volgen. Bij tweewielige bromfietsen klasse B en speed pedelecs telt de limiet: bij 50 km/u of minder mag het fietspad, zonder anderen in gevaar te brengen; bij een hogere limiet moet het, als het bruikbaar is. Je rijdt in Hasselt met een tweewielige bromfiets klasse B op een weg met een limiet van 70 km/u. Daar ligt een bruikbaar verplicht fietspad. Wat moet je doen? Voetgangers en fietsers: elk een eigen deel of samen? Twee borden tonen allebei een voetganger en een fiets, en toch is de regel anders. Kijk naar de streep tussen de symbolen. Staat er een streep tussen de voetganger en de fiets, dan heb je gescheiden delen. Het deel van de openbare weg is verdeeld: één deel voor voetgangers en één deel voor fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A. Op het wegdek zie je die scheiding aan een doorlopende witte streep, een andere wegbedekking of een fysieke scheiding. Gescheiden delen: de voetganger en de fiets elk aan hun kant van de streep. Op sommige borden staan de symbolen omgewisseld: de voetganger staat dus niet altijd links. Staat er geen streep, dan lopen en fietsen voetgangers en fietsers samen op hetzelfde deel. Bromfietsen worden niet genoemd, dus zij horen er niet bij. Dit bord wordt gebruikt als een bord met gescheiden delen niet kan, bijvoorbeeld omdat er te weinig ruimte is om voetgangers en fietsers te scheiden. Geen streep: voetgangers en fietsers delen hetzelfde deel. Bromfietsen horen er niet bij. Fietsers moeten het deel gebruiken dat het bord aanduidt. Bij gescheiden delen geldt voor fietsers, bromfietsen klasse A en speed pedelecs dezelfde regel als bij het verplichte fietspad. Valkuil. Twee borden met een voetganger en een fiets: met streep hebben voetgangers een eigen deel en delen fietsers en bromfietsen klasse A het andere deel, zonder streep delen voetgangers en fietsers één deel en horen bromfietsen er niet bij. Verwissel de twee niet. Je ziet een rond blauw bord met een voetganger en een fiets, aan weerszijden van een streep. Wat betekent dat? Verplichte wegen voor voetgangers en ruiters Twee laatste borden wijzen een weg aan voor één soort weggebruiker: de verplichte weg voor voetgangers en de verplichte weg voor ruiters, mensen te paard. Verplichte weg voor voetgangers. Verplichte weg voor ruiters. Voetgangers gebruiken eerst het trottoir of een deel met een bord waarop een voetganger staat. Is dat er niet, dan komt de verplichte weg voor ruiters aan de beurt. Als bestuurder volg je de rijbaan, niet de verplichte weg voor voetgangers of ruiters. Op het examen. Bij een rond blauw bord met maar één weggebruiker, een voetganger of een ruiter, zoek je wie er op staat. De verplichte weg is voor die weggebruiker bedoeld. Een verbod herken je aan een rode rand. Je kent nu de ronde blauwe borden: de rotonde, de pijlen, het fietspad en de delen voor voetgangers, fietsers en ruiters. Herhaal de kernpunten op de kaartjes hieronder en test jezelf daarna met de oefenvragen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975, Wegcode: artikelen 2.7, 2.17, 2.39, 6.1, 6.2, 6.3, 9.1.1, 9.1.2, 9.6, 12.2, 12.3.1, 42.1, 69 (gebodsborden) en 71.2, en het verkeersbord F19. Vlaamse versie Codex en Nederlandstalige Justel-kopie van 21 oktober 2026 (de codes D11 en D13 van de verplichte wegen voor voetgangers en ruiters staan alleen in de Justel-kopie). Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikel 10 (gebodsborden). Kopie van 21 oktober 2026. Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 69.1, 69.2, 69.3 en 69.4 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 10.3, 10.1, 10.2, 10.4, 10.5 en 10.6 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F19, bord D5, bord D1, bord D3, bord D4, bord D7, bord D9 en bord D10 ## Parkeerborden: parkeerverbod/stilstaan en parkeren verboden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/parkeerborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Twee borden die je niet mag verwarren: parkeerverbod en stilstaan en parkeren verboden. Het tweede verbiedt ook even stoppen. De basisregel: het bord geldt aan de kant waar het staat, vanaf het bord tot aan het volgende kruispunt. Pijlen en een afstand onder het bord tonen waar de regel begint en eindigt. Beurtelings parkeren: aan de ene kant verboden van de 1e tot de 15e van de maand, aan de andere kant van de 16e tot het einde. Je wisselt van kant op de laatste dag van elke periode, tussen 19.30 uur en 20 uur. Bewonerskaart, parkeerkaart of kaart voor autodelen: aan de binnenkant van de voorruit. De borden met afbeeldingen, de basisregel en de valkuilen: alles staat hieronder. Twee borden die bijna op elkaar lijken, maar niet hetzelfde verbieden. Het ene verbiedt je te parkeren. Het andere verbiedt je ook om even stil te staan. Wie ze op het theorie-examen door elkaar haalt, geeft punten weg. Gelukkig volgt de hele familie van parkeerborden één basisregel, en met die regel lees je de rest bijna vanzelf. Parkeerverbod of stilstaan en parkeren verboden: wat is het verschil? Kijk goed naar de twee borden hieronder. Links het parkeerverbod, rechts stilstaan en parkeren verboden. In de blauwe cirkel met rode rand staat bij het eerste bord één schuine rode streep, bij het tweede een rood kruis. Links: parkeerverbod. Rechts: stilstaan en parkeren verboden. Definitie. Stilstaan is niet langer stoppen dan nodig is om iemand te laten in- of uitstappen of om iets te laden of te lossen. Sta je langer stil, dan parkeer je. Ook tanken of een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen telt als parkeren. Bij een parkeerverbod mag je dus nog wel even stoppen om iemand te laten uitstappen of om iets te laden of te lossen. Bij stilstaan en parkeren verboden mag dat niet: je stopt er niet, ook niet om iemand te laten uitstappen. Valkuil. Het parkeerverbod verbiedt alleen parkeren. Stilstaan en parkeren verboden verbiedt ook stilstaan. Iemand laten uitstappen is stilstaan: dat mag bij het eerste bord en niet bij het tweede. Parkeerverbod en stilstaan en parkeren verboden: is dat hetzelfde bord? Waar en tot waar geldt een parkeerbord? Dit is de regel om te onthouden. Een parkeerbord geldt: aan de kant van de weg waar het staat; vanaf het bord tot aan het volgende kruispunt; bij het parkeerverbod en bij stilstaan en parkeren verboden: op de rijbaan en op de berm. Zoek dus geen tweede bord verderop: zonder pijlen of afstand loopt de regel door tot aan het volgende kruispunt. Onthoud. Een parkeerbord geldt aan de kant van het bord, vanaf het bord tot aan het volgende kruispunt. Het parkeerverbod en stilstaan en parkeren verboden gelden op de rijbaan en op de berm, de borden voor beurtelings parkeren alleen op de rijbaan. Een bord dat een parking aanduidt, geldt alleen op die parking. Je ziet een parkeerverbod. Op welk stuk geldt het? Hoe lees ik de pijlen: begin, einde en afstand? Een parkeerbord wordt aangevuld met een onderbord met een pijl. Dat onderbord duidt het begin of het einde van de reglementering aan. De pijlen tonen waar de regel begint en eindigt. Twee situaties moet je kennen: houdt het verbod of de toelating op voor het volgende kruispunt, dan staat daar een bord dat gelijk is aan het eerste, met de pijl voor het einde; geldt de regel maar over een korte afstand, dan vermeldt een onderbord meteen de afstand waarover het verbod of de toelating geldt. Zo lees je het: het bord legt de regel op, de beginpijl toont waar hij begint en de eindpijl waar hij ophoudt. Zie je geen eindbord en geen afstand, dan geldt de basisregel: tot aan het volgende kruispunt, of tot een ander bord een nieuwe regeling begint. Wat is beurtelings parkeren? Definitie. Bij beurtelings parkeren is parkeren aan de ene kant van de straat verboden van de 1e tot de 15e van de maand, en aan de andere kant van de 16e tot het einde van de maand. Je wisselt van kant op de laatste dag van elke periode, tussen 19.30 uur en 20 uur. Hier geldt dezelfde logica als bij de andere parkeerborden, met één verschil: deze borden gelden alleen op de rijbaan, niet op de berm. Pijlen onder het bord tonen ook hier het begin en het einde van de zone. Concreet: op de 15e van de maand wissel je tussen 19.30 uur en 20 uur van kant. Op de laatste dag van de maand doe je dat opnieuw. Dat tijdvak moet je uit het hoofd kennen. Parkeerverbod vanaf de 1e tot de 15e van de maand. Parkeerverbod vanaf de 16e tot het einde van de maand. Staan er huizen langs de straat, dan hangt het bord voor de 1e tot de 15e aan de kant van de even huisnummers en het bord voor de 16e tot het einde aan de kant van de oneven huisnummers. Geldt het beurtelings parkeren in de hele bebouwde kom (halfmaandelijks parkeren in gans de bebouwde kom), dan staat het bord boven het bord dat het begin van de bebouwde kom aanduidt. Beurtelings parkeren in de hele bebouwde kom: het bord staat boven het bord van de bebouwde kom. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Beurtelings parkeren: wanneer wissel je van kant? Waar mag ik parkeren, en waar moet ik parkeren? Een aantal borden laat parkeren toe, reserveert een plaats voor bepaalde voertuigen of verplicht je om op een bepaalde plaats te staan. Dit zijn de namen die je moet kennen: parkeren toegelaten; parkeren uitsluitend voor motorfietsen, personenauto’s, auto’s voor dubbelgebruik en minibussen; parkeren uitsluitend voor lichte vrachtauto’s en vrachtauto’s; parkeren uitsluitend voor autocars; parkeren uitsluitend voor kampeerauto’s; parkeren uitsluitend voor motorfietsen; parkeren voorbehouden voor fietsen van 7.30 uur tot 18 uur, en voor motorfietsen, personenauto’s, auto’s voor dubbelgebruik en minibussen van 18 uur tot 7.30 uur; verplicht parkeren op de rijbaan; verplicht parkeren op de berm of op het trottoir; verplicht parkeren deels op de berm of op het trottoir. Parkeren toegelaten. Verplicht parkeren op de rijbaan. Parkeren uitsluitend voor motorfietsen, personenauto’s, auto’s voor dubbelgebruik en minibussen. Parkeren uitsluitend voor lichte vrachtauto’s en vrachtauto’s. Parkeren uitsluitend voor motorfietsen. Valkuil. Het bord met een personenauto geldt voor vier soorten voertuigen: motorfietsen, personenauto’s, auto’s voor dubbelgebruik en minibussen. Het bord met een motorfiets is alleen voor motorfietsen: met je auto mag je daar niet staan. Wees op je hoede voor antwoorden als “alleen voor personenauto’s”. Let op het woord verplicht: die borden zeggen niet alleen dat je mag parkeren, maar ook waar je je voertuig neerzet. En uitsluitend voor lees je letterlijk: een plaats voor autocars of kampeerauto’s is niet voor jouw auto. Het bord parkeren toegelaten en de borden die het parkeren voorbehouden voor bepaalde voertuigen volgen langs de straat de basisregel. Duidt zo’n bord een parking aan, dan geldt het alleen op die parking, niet tot aan het volgende kruispunt. Wat zeggen de onderborden onder een parkeerbord? Een onderbord zegt wie er mag parkeren, wanneer en hoelang. Je ziet bijvoorbeeld: de uren of dagen waarop een verbod geldt: “van 7 tot 19 u”, “van maandag tot vrijdag”; de maximumduur van het parkeren: “30 min.”, “van 9 tot 12 u”; een beperking: “uitgezonderd maandag van 7 u tot 19 u”; de categorie van voertuigen waarvoor de plaats voorbehouden is: “taxis”; een gewichtsbeperking: “5 t. max.”, dat is de maximaal toegelaten massa; betalend: je gebruikt de betaalparkeerkaart, of een andere betaalwijze die ter plaatse is aangeduid; een plaats voorbehouden voor het laden en lossen van goederen. De periode staat onder het bord: van 7 tot 19 uur, van maandag tot vrijdag. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Een plaats met het symbool voor personen met een handicap is voorbehouden voor de voertuigen die zij gebruiken. Zonder de speciale kaart aan de binnenkant van de voorruit mag je er niet parkeren. Parkeerplaats voorbehouden voor voertuigen van personen met een handicap. Een onderbord voor elektrische of hybride elektrische voertuigen reserveert de plaats voor die voertuigen. Staat er een publieke laadpaal, dan moet je voertuig er ook echt op aangesloten zijn. Parkeerplaats voor elektrische voertuigen: het onderbord onder het bord, de laadpaal ernaast. Op het examen. Lees bij een onderbord precies wat het beperkt: de duur (30 min.), een beperking (uitgezonderd maandag), de categorie (taxis), de massa (5 t. max.), personen met een handicap of elektrische voertuigen. Oefen ze allemaal. Parkeerschijf, bewonerskaart, parkeerkaart: wat leg je achter je voorruit? Een onderbord met een parkeerschijf betekent dat de parkeertijd beperkt is en dat je de schijf gebruikt. Je legt ze aan de binnenkant van de voorruit en zet de pijl op het streepje dat volgt op het tijdstip van je aankomst. Zo’n onderbord kan onder de borden voor beurtelings parkeren hangen en onder de borden die het parkeren toelaten. Staat er ook “uitgezonderd bewoners” bij, dan geldt de schijfregel niet voor wie een bewonerskaart heeft. Een onderbord met “parkeerkaart”, “bewoners” of “autodelen” reserveert de plaats voor voertuigen met de gemeentelijke parkeerkaart, de bewonerskaart of de parkeerkaart voor autodelen. Die kaart moet aan de binnenkant van de voorruit liggen. Staat er een periode bij, dan geldt de reservatie alleen in die periode. Parkeerkaart, bewoners, autodelen: de kaart hoort aan de binnenkant van de voorruit. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Valkuil. Plaats voor bewoners, voor parkeerkaart of voor autodelen: zonder de juiste kaart aan de binnenkant van de voorruit mag je er niet staan, ook al woon je in de straat. Onder het bord staat het onderbord “bewoners”. Wat heb je nodig om daar te parkeren? Je kent nu het verschil tussen de twee verbodsborden, de basisregel, het beurtelings parkeren en de onderborden. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en met de oefenvragen daarna ga je na of je het verschil tussen parkeren en stilstaan echt kent. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.22, 2.23, 25.1, 27.1 tot 27.4 en 70 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikelen 11.1 en 11.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 70.2.2, 70.2.1, 70.3, 27.3 en 27bis Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord E1, bord E3, bord E5, bord E7, bord E11, bord E9a, bord E9b, bord E9c, bord E9d, bord E9e, bord E9f, bord E9g, bord E9h, bord E9i en bord E9j ## Aanwijzingsborden: betekenis en voorbeelden per groep Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/aanwijzingsborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Aanwijzingsborden geven informatie: richtingen, het soort weg, zones, voorbehouden rijstroken en voorzieningen. Vanaf het bord van de bebouwde kom mag je maximaal 50 km/u, tenzij een ander bord iets anders zegt. Autosnelweg, autoweg, woonerf en erf: de bijzondere regels gelden vanaf het bord. Pijlen die recht omhoog of omlaag wijzen betekenen rechtdoor, schuine pijlen afslaan, en elke pijl is één rijstrook. Een blauwe wegwijzer met een fietser, een ruiter of een voetganger toont een aanbevolen route voor die weggebruikers, een bruine wijst naar een toeristische bestemming. De borden per groep, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder. Je rijdt Leuven binnen, je passeert een wit bord en je maximumsnelheid is ineens lager. Het bord verbiedt niets en verplicht niets, het geeft alleen informatie. Toch geldt vanaf dat bord 50 km/u, tenzij een ander bord iets anders zegt. Zo zijn aanwijzingsborden: ze lijken onschuldig, maar er zitten regels aan vast. In groepen leer je ze vlot. Wat zijn aanwijzingsborden? Definitie. Aanwijzingsborden zijn een van de zes soorten verkeersborden. Ze geven informatie: richtingen, het soort weg, zones met eigen regels, rijstroken voor bepaalde voertuigen en voorzieningen langs de weg. Meestal zijn ze rechthoekig of vierkant, met een wit opschrift of symbool op een blauwe achtergrond. Ze staan op plaatsen die passen bij wat ze aanduiden. Ze wijzen je niet alleen de weg, ze zeggen ook welk soort weg je opdraait en waar je een parking, een tankstation of een nooduitgang vindt. Op het examen. Nadat de vraag volledig is voorgelezen, heb je 15 seconden om één antwoord te kiezen uit twee of drie mogelijkheden. Bij aanwijzingsborden draait het om herkennen: je ziet het bord en moet meteen weten wat het zegt. Leer de borden dus samen met hun naam en hun betekenis. Bebouwde kom, zone 30, woonerf en erf: welke regels gelden vanaf het bord? Het bord begin van de bebouwde kom staat rechts, op elke toegangsweg. Het mag links herhaald worden. Vanaf dat bord is je snelheid beperkt tot 50 km/u. Bij de uitgang staat het bord einde van de bebouwde kom. Begin en einde van de bebouwde kom: het begin staat op elke toegangsweg en beperkt je snelheid tot 50 km/u. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Staat er in de bebouwde kom een bord met een andere snelheid, dan geldt vanaf het volgende kruispunt weer 50 km/u. Buiten de bebouwde kom geldt op de meeste wegen 70 km/u, en 90 km/u mag alleen waar een bord het toelaat. Onthoud. Het bord van de bebouwde kom staat op elke toegangsweg. Vanaf dat bord geldt 50 km/u, tenzij een ander bord iets anders zegt. Daarbuiten geldt op de meeste wegen 70 km/u. Je rijdt in Brugge de bebouwde kom binnen en passeert het bord. Welke maximumsnelheid geldt er, als er geen ander bord staat? Hetzelfde principe geldt voor de zone 30. Het bord begin van een zone met een snelheidsbeperking van 30 km/u staat rechts aan elke toegang, het bord einde aan elke uitgang. Tussen die twee borden rijd je maximaal 30 km/u. Ligt de zone in een bebouwde kom, dan geldt na het einde ervan weer 50 km/u. Begin en einde van de zone waar je maximaal 30 km/u rijdt. Definitie. Een woonerf is een speciaal ingerichte openbare weg waar het wonen voorop staat. Een erf lijkt erop, maar daar kunnen ook ambacht, handel, toerisme, onderwijs en recreatie een plaats hebben. Het begin is aangeduid aan elke toegang, het einde aan elke uitgang. Vanaf het bord begin van een woonerf of erf gelden bijzondere regels: je rijdt er maximaal 20 km/u; voetgangers mogen de hele breedte van de weg gebruiken en er spelen; jij brengt voetgangers niet in gevaar, je hindert ze niet, je stopt zo nodig en je bent dubbel voorzichtig bij kinderen; parkeren mag alleen op de plaatsen die als parkeerplaats zijn aangeduid. Begin en einde van een woonerf of erf: de bijzondere regels gelden vanaf het bord. Je rijdt in Mechelen een woonerf binnen. Wat is je maximumsnelheid? Autosnelweg, autoweg en tunnel: wat verandert er? Bij de grote wegen werkt het net zoals bij de zones: het eerste bord zet een pakket regels in gang. De bijzondere regels voor de autosnelweg gelden vanaf de plaats waar het bord begin of oprit van een autosnelweg staat, tot het bord einde van een autosnelweg. Voor de autoweg is het hetzelfde, van het bord autoweg tot het bord einde van een autoweg. Begin en einde van een autosnelweg: de bijzondere regels gelden vanaf het bord. Begin en einde van een autoweg: zelfde principe, de bijzondere regels gelden vanaf het bord. Valkuil. Autosnelweg en autoweg hebben allebei een blauw bord en worden snel verward. Het bord van de autosnelweg toont een brug boven twee rijbanen, dat van de autoweg een auto van voren gezien. Het zijn twee verschillende wegen met elk hun eigen regels: kijk dus naar het symbool voor je antwoordt. Het bord tunnel is bedoeld voor een tunnel die langer is dan 500 meter. Op een onderbord staan de lengte en eventueel de naam van de tunnel. Het bord tunnel: voor tunnels van meer dan 500 meter. Het bord tunnel staat bij een tunnel die langer is dan… Pijlen en rijstroken: hoe lees je de borden voor de keuze van een rijstrook? Net voor een kruispunt of een splitsing van de weg helpen borden je om op tijd de juiste rijstrook te nemen. Een eerste bord kondigt de pijlen op de rijbaan aan en schrijft voor welke rijstrook je neemt. Het kan aangevuld worden met de stroken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Er is ook een opstelvak voor die weggebruikers. Daarna komt het bord voor de keuze van een richting. Je leest het met drie regels: pijlen die recht omlaag of omhoog wijzen horen bij de richtingen die rechtdoor gaan; schuine pijlen horen bij de richtingen waar je afslaat; het aantal pijlen is het aantal rijstroken. Onthoud. Op een bord voor de keuze van een richting betekenen pijlen die recht omhoog of omlaag wijzen: rechtdoor. Schuine pijlen betekenen: afslaan. Het aantal pijlen is het aantal rijstroken, dus één pijl per rijstrook. Op een bord voor de keuze van een richting komt het aantal pijlen overeen met… In dezelfde groep vind je ook: de busstrook, een rijstrook voor autobussen, afgebakend met brede onderbroken witte strepen of een dambordmarkering; de bijzondere overrijdbare bedding, voorbehouden voor voertuigen van het gemeenschappelijk vervoer en afgebakend met brede doorlopende witte strepen of een dambordmarkering; eenrichtingsverkeer: mogen fietsers in beide richtingen rijden, dan staat er een onderbord onder het bord; het bord rechts of links voorbijrijden toegelaten; een bord voor een gevaar of een regel die maar voor één of meer rijstroken geldt, op een rijbaan met meerdere rijstroken in dezelfde richting. Hangt een bord boven een rijstrook, dan geldt het alleen voor die rijstrook. Eenrichtingsverkeer: het verkeer komt maar uit één richting. Wegwijzers en nummers: hoe vind je je weg? Elk soort weg heeft zijn eigen nummerbord: de gewone weg, de autosnelweg, de internationale weg en de ring. Het nummer van een autosnelweg. De gewone weg, de internationale weg en de ring hebben elk hun eigen nummerbord. Om je te oriënteren volgen daarna de voorwegwijzer, die een richting vooraf aankondigt, de wegwijzer, met of zonder afstand in kilometer, en het plaatsnaambord. Gaat de route over een autosnelweg of een autoweg, dan staat het symbool daarvan op de wegwijzer. Een wegwijzer voor een route over een autosnelweg is groen. Veel wegwijzers tonen een symbool: een luchthaven, een haven (ook met car-ferry), een bedrijf of industriepark of een beurs- of tentoonstellingshal. Andere wijzen naar openbare diensten (politie, brandweer, station, postkantoor, stadhuis of gemeentehuis, gerechtsgebouw) of naar toeristische bestemmingen (sportcentrum, kasteel, ruïnes, klooster of abdij, natuurpark, monument). Valkuil. Twee wegwijzers lijken op elkaar, maar betekenen iets anders. Een blauwe wegwijzer met een symbool toont een aanbevolen route voor bepaalde weggebruikers, zoals fietsers, ruiters of voetgangers. Een bruine wegwijzer wijst naar een toeristische bestemming, bijvoorbeeld een kasteel, een abdij of een natuurpark. Er zijn ook wegwijzers naar logies en eten: jeugdherberg, overnachtingsgelegenheid, kampeerterrein, caravanterrein, restaurant, vakantiedorp, hotel of motel en drankgelegenheid. Ook het trefpunt voor toeristische informatie heeft een eigen bord. Voorzieningen en noodgevallen: welke borden zie je onderweg? Eerst de borden die je voor een onaangename verrassing behoeden: de doodlopende weg en de variant doodlopende weg, uitgezonderd voor voetgangers en fietsers; het einde van de werken; de oversteekplaats voor voetgangers en de oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen; de borden die afslaande bestuurders wijzen op fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen die dezelfde weg volgen, of op een oversteekplaats voor voetgangers; de ondergrondse of bovengrondse oversteekplaats voor voetgangers; de verhoogde inrichtingen, zoals een verkeersdrempel: je nadert ze met dubbele voorzichtigheid en matige snelheid, zodat je er niet sneller dan 30 km/u over rijdt. De doodlopende weg. Met een voetganger en een fiets bovenaan loopt de weg nog door voor hen. Een doodlopende weg met een voetganger en een fiets bovenaan op het bord. Wat betekent dat? De oversteekplaats voor voetgangers: dit blauwe bord staat op de oversteekplaats zelf, het driehoekige gevaarsbord kondigt ze alleen aan. Op het examen. Een oversteekplaats voor voetgangers zonder bevoegd persoon (bijvoorbeeld een politieagent) of verkeerslicht nader je met matige snelheid. Je verleent voorrang aan voetgangers die erop zijn of op het punt staan erop te stappen. Bij een oversteekplaats voor fietsers en tweewielige bromfietsen nader je met matige snelheid. Zo nodig stop je om wie erop rijdt te laten doorrijden. Verder zie je borden voor een parking en een overdekte parking, voor een telefoon en een noodtelefoon, en voor het tankstation. Op dat laatste heeft elke brandstof een eigen vakje, van links naar rechts: benzine en diesel, LPG, CNG, LNG, waterstof en elektriciteit. Het tankstation: een vakje per beschikbare brandstof. En voor noodgevallen: in tunnels de nooduitgang en de vluchtroute, die de dichtstbijzijnde nooduitgang in de aangeduide richting toont, met de afstand in meter; de verplegingsinrichting (bijvoorbeeld een ziekenhuis) en de hulppost; het brandblusapparaat en de waterloop; de noodstopstrook en de versmalling die de omvang van een rijstrook heeft, waarvan het symbool aan de plaats aangepast mag worden; de vluchthaven: een onderbord met symbolen toont of er een noodtelefoon en een brandblusser zijn; de radio-omroep die verkeersinformatie geeft. Je kent nu de grootste familie van het hoofdstuk in vijf groepen: zones, grote wegen, pijlen en rijstroken, wegwijzers en voorzieningen. Leer ze ook zo, per groep: een groep onthoud je makkelijker dan een los bord. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, de oefenvragen testen daarna of je elk bord meteen herkent. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.3, 2.4, 2.12, 2.32, 11.1, 11.2, 22bis, 22ter, 40.4.2, 40ter, 65.1, 65.4, 71.1 tot 71.3, 72.5 en 72.6 Brochure Theorie-examen rijbewijs B van GOCA Vlaanderen (Doc. 130) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 71.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F1a, bord F1b, bord F3a, bord F3b, bord F4a, bord F4b, bord F12a, bord F12b, bord F5, bord F7, bord F8, bord F9, bord F11, bord F13, bord F14, bord F15, bord F17, bord F18, bord F19, bord F21, bord F89, bord F91, bord F23a, bord F23b, bord F23c, bord F23d, bord F25, bord F29, bord F31, bord F33a, bord F33c, bord F35, bord F37, bord F43, bord F65, bord F77, bord F45, bord F47, bord F49, bord F50, bord F50bis, bord F51, bord F52, bord F52bis, bord F53, bord F55, bord F56, bord F57, bord F59, bord F60, bord F61, bord F62, bord F63, bord F87, bord F93, bord F95, bord F97 en bord F98 ## Verkeerslichten: wat betekenen rood, oranje en groen? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeerslichten/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Rood: je stopt voor de stopstreep. Vast oranjegeel verbiedt dat ook, behalve als je niet meer veilig kunt stoppen. Staat er een pijl in het licht? Dan geldt dezelfde regel, maar alleen voor de richting van de pijl. Brandt er een groene pijl samen met rood? Dan rijd je alleen in de richting van de pijl en verleen je voorrang aan de bestuurders uit andere richtingen en aan de voetgangers. Een licht met een fietssilhouet is voor fietsers en tweewielige bromfietsen, een licht met een voetganger voor voetgangers. Witte signalen op zwart zijn alleen voor bus en tram. Aan een overweg betekenen twee rode knipperlichten: niet verder. Een maanwit knipperlicht laat je het signaal voorbijrijden. Hieronder staan de uitleg, de afbeeldingen en de valkuilen. Een groene pijl kan je verplichten om voorrang te verlenen, en oranjegeel verbiedt je al om door te rijden. Verrast een van die twee zinnen je? Na deze les weet je bij elk licht wat je moet doen en voor wie het bedoeld is. Wat betekenen rood, oranjegeel en groen? Een gewoon verkeerslicht is rond en heeft drie kleuren: rood bovenaan, oranjegeel in het midden en groen onderaan. Het staat rechts van de rijbaan. Het mag ook links of boven de rijbaan herhaald worden, en op een kruispunt ook aan de andere kant van het kruispunt. Een gevaarsbord met een verkeerslicht waarschuwt je vooraf dat er zo’n licht komt. Een driekleurig verkeerslicht: rood boven, oranjegeel in het midden, groen onder. De stopstreep ligt op het wegdek. Rijbewijs B Theorie De lichten volgen elkaar altijd in dezelfde volgorde op: na groen komt oranjegeel, na oranjegeel komt rood en na rood komt weer groen. Elke kleur heeft zijn eigen regel: rood: je mag de stopstreep niet voorbijrijden. Is er geen stopstreep, dan mag je het verkeerslicht zelf niet voorbijrijden; vast oranjegeel, in de volksmond oranje: hetzelfde verbod, tenzij je op het moment dat het licht aangaat al zo dichtbij bent dat je niet meer veilig kunt stoppen; groen: je mag het verkeerslicht voorbijrijden. Onthoud. Rood betekent stoppen voor de stopstreep, of voor het licht zelf als er geen streep is. Vast oranjegeel is al verboden, behalve als je niet meer veilig kunt stoppen. Groen betekent dat je het licht mag voorbijrijden. Valkuil. Vast oranjegeel is geen teken om nog snel door te rijden. Kun je nog veilig stoppen, dan moet je stoppen. Heb je bij oranjegeel de stopstreep voorbijgereden omdat je niet meer veilig kon stoppen, en staat het licht bij een kruispunt? Dan steek je het kruispunt alleen over als je de andere weggebruikers niet in gevaar brengt. Het licht staat vast op oranjegeel en je bent nog op veilige afstand van de stopstreep. Wat doe je? Nog een bijzonder geval: op een weg met het bord voorrangsweg of het bord voorrang mogen de lichten op de kruisende wegen in uitzonderlijke gevallen vervangen zijn door het bord stoppen en voorrang verlenen. Dat kan in twee situaties: de lichten beschermen een oversteekplaats voor voetgangers vlak bij een kruispunt; de lichten staan bij een kruispunt dat vlak bij een ander kruispunt met driekleurige verkeerslichten ligt. Het bord voorrangsweg. Het bord voorrang. Wat verandert er als er een pijl in het licht staat? Is een kleur vervangen door een pijl van dezelfde kleur, dan blijft de regel precies dezelfde. Maar hij geldt alleen voor de richting van de pijl. Vraag je dus eerst voor welke richting het licht geldt, en pas daarna welke kleur het heeft. Soms branden er extra lichten in de vorm van een groene pijl tegelijk met het rode of het oranjegele licht. Dan mag je alleen in de richting van de pijl verder rijden. Je verleent wel voorrang aan de bestuurders die volgens de regels uit andere richtingen komen en aan de voetgangers. Die extra pijlen zitten onder of naast het groene licht. De extra pijlen zitten onder of naast het groene licht. Valkuil. Een groene pijl naast een rood licht geeft je geen voorrang. Je volgt de pijl en verleent voorrang aan de bestuurders die volgens de regels uit andere richtingen komen en aan de voetgangers. Het licht staat op rood en er brandt ook een groene pijl naar rechts. Wat mag je? Welke lichten en borden gelden speciaal voor fietsers? Toont een verkeerslicht het verlichte silhouet van een fiets, dan geldt het alleen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Zie je een fiets én een voetganger, dan geldt het licht voor fietsers, voor voetgangers en voor tweewielige bromfietsen die op het fietspad mogen rijden. Een fietslicht bij een fietspad: het geldt voor fietsers en tweewielige bromfietsen. Knippert er naast een rood of oranjegeel licht een oranjegeel fietssilhouet met een knipperende pijl? Dan mogen fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen alleen in de richting van die pijl verder rijden. Ze verlenen voorrang aan de bestuurders die volgens de regels uit andere richtingen komen en aan de voetgangers. Twee kleine borden onder een verkeerslicht veranderen de regel voor fietsers en bestuurders van speed pedelecs. Bij rood of oranjegeel mogen zij het licht voorbijrijden: met het ene bord om rechts af te slaan, met het andere om rechtdoor te rijden. Ze verlenen dan voorrang aan de andere weggebruikers. De twee borden: rechts afslaan en rechtdoor rijden bij rood of oranjegeel, alleen voor fietsers en speed pedelecs. Op het examen. Die kleine borden gelden alleen voor fietsers en bestuurders van speed pedelecs. Een bromfiets klasse A of B, een motorfiets en een auto blijven voor rood staan, ook als er een fietsbord onder het licht hangt. Wat betekent een groene pijl helemaal alleen, bij het uitrijden van het kruispunt? Je slaat in Mechelen links af op een kruispunt met verkeerslichten. Bij het uitrijden van het kruispunt brandt er een groene pijl naar links, helemaal alleen. Dat is de ontruimingspijl. Die pijl zegt dat het verkeer dat jou tegemoetkomt, door een rood licht wordt tegengehouden. Zo kun jij het kruispunt gemakkelijker ontruimen. De ontruimingspijl: een groene pijl naar links bij het uitrijden van het kruispunt. De tegenliggers staan stil voor rood. Rijbewijs B Theorie Op het examen. De ontruimingspijl is een groene pijl naar links die afzonderlijk staat, bij het uitrijden van een kruispunt. Ze betekent dat het tegenliggende verkeer door een rood licht wordt tegengehouden, zodat het kruispunt gemakkelijker leegloopt. Wat betekenen de lichten boven de rijstroken? Boven een rijstrook, of boven een ander deel van de openbare weg, kunnen lichten met een eigen vorm hangen: een rood kruis: verboden richting op die rijstrook. Uitzonderingen: prioritaire voertuigen op een dringende opdracht en, bij stilstaand of sterk vertraagd verkeer, takelwagens en personen of diensten die het openbaar ministerie of de politie heeft opgeroepen, op weg naar een incident op of langs de autosnelweg of autoweg; een groene pijl naar beneden: toegelaten richting, je mag op die rijstrook rijden; een oranjegele pijl die schuin naar beneden wijst, knipperend of niet: verboden richting, behalve om de rijstrook te verlaten in de richting van de pijl. Dezelfde uitzonderingen als bij het rode kruis gelden. De drie lichten boven een rijstrook: rood kruis, groene pijl naar beneden en oranjegele pijl schuin naar beneden. Rijbewijs B Theorie Onthoud. Boven een rijstrook betekent een rood kruis verboden richting, een groene pijl naar beneden toegelaten richting en een oranjegele pijl schuin naar beneden: verlaat de rijstrook in de richting van de pijl. Boven jouw rijstrook brandt een rood kruis. Wat betekent dat? Voor wie zijn de rode en groene lichten met een silhouet? Definitie. Tweekleurige lichten hebben alleen rood en groen. Het zijn voetgangerslichten, of gecombineerde lichten voor voetgangers en fietsers. Rood: je mag je niet op de rijbaan begeven. Groen: je mag de rijbaan op. Het groene licht kan knipperen om het einde van die toelating aan te kondigen. Bij een voetgangerslicht toont het rode licht een stilstaande voetganger en het groene licht een voetganger in beweging. Het rode licht hangt boven het groene. Staat het silhouet omringd door pijltjes, dan geldt dezelfde kleur tegelijk voor de dwarsrichting. Zulke lichten gelden alleen voor voetgangers. Voetgangerslichten: rood met een stilstaande voetganger, groen met een voetganger in beweging. Rijbewijs B Theorie Wat betekenen de witte lichten voor bus en tram? Voor voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, zoals een lijnbus of een tram, bestaan eigen signalen: witte balken, cirkels en driehoeken op een zwarte achtergrond. Rijd je met een gewone auto, dan zijn ze niet voor jou bedoeld. Zo werken ze: een horizontale balk betekent hetzelfde als rood: stoppen; een cirkel betekent hetzelfde als vast oranjegeel; een driehoek met de punt naar onder betekent hetzelfde als groen; een verticale balk geeft de toelating om alleen rechtdoor te rijden; een balk die 45 graden naar links of naar rechts wijst, geeft de toelating om alleen in de richting van de balk verder te rijden; een knipperende cirkel betekent hetzelfde als een oranjegeel knipperlicht. De horizontale balk: dezelfde betekenis als het rode licht, dus stoppen. De verticale balk: alleen rechtdoor rijden is toegelaten. Wanneer mag je door een knipperlicht rijden? Drie knipperlichten moet je kennen. Twee ervan staan aan een overweg: een oranjegeel knipperlicht: je mag het licht voorbijrijden, met dubbele voorzichtigheid; twee rode lichten die om beurten knipperen, aan een overweg: voor alle weggebruikers verboden om de stopstreep voorbij te rijden, en zonder stopstreep om het signaal zelf voorbij te rijden; een maanwit knipperlicht aan een overweg: je mag het signaal voorbijrijden. Zo’n oranjegeel knipperlicht kan een los licht zijn, twee lichten die om beurten branden, het oranjegele licht van een driekleurig verkeerslicht dat niet in werking is, of in speciale gevallen een licht dat in een driekleurig verkeerslicht het groene licht vervangt. Valkuil. Een oranjegeel knipperlicht laat je met dubbele voorzichtigheid voorbijrijden, maar het wijzigt de voorrangsregeling niet. Je krijgt er geen voorrang door: de voorrang die zonder dat licht gold, blijft gelden. Ongeveer 150 meter voor een overweg staat een gevaarsbord: het bord overweg met slagbomen of het bord overweg zonder slagbomen. Vlak bij het spoor staat het bord overweg voor enkel spoor of overweg voor twee of meer sporen, ook wel het Sint-Andrieskruis genoemd. Je nadert een overweg. Twee rode lichten knipperen om beurten. Wat doe je? Nu ken je alles wat er voor je kan oplichten. Herhaal de kernpunten op de kaartjes hieronder en test daarna je reflexen met de oefenvragen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 61, 62, 62bis, 62ter, 63 en 64 (verkeerslichten en verkeersknipperlichten) Wegcode: artikel 9.7 (uitzonderingen op het rijverbod op de pechstrook), artikel 66.2 (plaatsing van de gevaarsborden) en artikel 2.17 (bromfiets en speed pedelec) Wegcode: verkeersborden A33, A41, A43, A45, A47, B5, B9, B15, B22 en B23 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 61.1, 61.2, 61.3.1, 61.3.2, 61.4.1, 61.5, 63.1, 63.2, 64.1, 64.2 en 64.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord A33, bord B9, bord B15, bord B5, bord B22, bord B23, bord A41, bord A43, bord A45 en bord A47 ## Onderborden bij verkeersborden: betekenis en voorbeelden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een onderbord staat nooit alleen: het hangt onder een verkeersbord en vult de regel van dat bord aan, bepaalt ze nader of beperkt ze. Meestal zie je een wit opschrift op blauw. Bij fietsen, voortbewegingstoestellen (zoals een step) en tweewielige bromfietsen zijn de tekens zwart op wit. Een onderbord zegt voor wie de regel geldt, wanneer, op welke afstand of bij welk gevaar. Een fiets met twee pijlen onder een stopbord of een bord voorrang verlenen: er komen fietsers uit beide richtingen. Op het schema van een kruispunt is de dikke lijn de weg met voorrang. De voorbeelden, de afbeeldingen en de valkuilen staan hieronder. Kijk bij elk verkeersbord ook naar het bordje eronder. Twee woorden of één symbool volstaan om de regel te veranderen: ze geldt dan alleen van 8 tot 18 uur, alleen voor fietsers of pas over 150 meter. Wie het onderbord overslaat, geeft op het theorie-examen snel een fout antwoord. Straks lees je bord en onderbord samen als één zin. Waarvoor dient een onderbord? Definitie. Een onderbord is een rechthoekig bord dat altijd onder een verkeersbord hangt. Het staat nooit alleen: met een opschrift of een symbool vult het de betekenis van dat bord aan, maakt het die nauwkeuriger of beperkt het die. Het bord erboven geeft de regel. Het onderbord stemt die regel af op de situatie. Het kan bijvoorbeeld aangeven: voor wie de regel geldt: een soort voertuig of weggebruiker; wanneer de regel geldt: bepaalde uren of dagen; hoe ver of hoe lang: een afstand of een lengte; welk gevaar er is, of in welke omstandigheden het bord geldt. Het onderbord hangt onder het bord en maakt de regel nauwkeuriger. Hier: een glibberige rijbaan op ongeveer 200 meter. Snel: waar vind je een onderbord? Hoe lees ik een onderbord zonder me te vergissen? Begin bij de kleuren. De meeste onderborden hebben een wit opschrift of symbool op een blauwe achtergrond. Voor fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen gelden andere kleuren: zwarte tekens op een witte achtergrond. Een onderbord met uren heeft zwarte tekens op wit of witte tekens op blauw. Onthoud. Lees van boven naar beneden: eerst de regel, dan de nuance. De kleuren gaan per twee: wit op blauw voor de meeste onderborden, zwart op wit voor fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen. Op het examen. Oefen vooral het duo bord plus onderbord. Weet wat een fiets met pijlen onder een stopbord betekent, welke kant de pijlen aanwijzen en wat het verandert voor jou als automobilist. Het bord alleen kennen volstaat niet. Een onderbord heeft een blauwe achtergrond. Welke kleur hebben de tekens? Wat betekent een fiets met twee pijlen onder een stopbord? Onder een stopbord (officieel: ‘stoppen en voorrang verlenen’), een bord voorrang verlenen of het bord kruispunt waar de voorrang van rechts geldt (de driehoek met het zwarte kruis) hangt soms een bordje met een fiets. Let op: naargelang het symbool zegt zo’n bordje twee heel verschillende dingen. Soms waarschuwt het je, soms beperkt het de regel. Een fiets met twee pijlen, of een fiets en een bromfiets met twee pijlen: op de weg die je oprijdt, rijden fietsers, eventueel ook bestuurders van tweewielige bromfietsen, in twee richtingen. Dat kan op een fietspad zijn of in een straat met eenrichtingsverkeer waar fietsers in beide richtingen mogen rijden. Een fiets alleen, onder een stopbord of een bord voorrang verlenen: het bord geldt alleen voor fietsers. Een fiets en een bromfiets, onder diezelfde borden: het bord geldt alleen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Onder een stopbord of een bord voorrang verlenen: het bord geldt alleen voor fietsers. Onder een stopbord of een bord voorrang verlenen: het bord geldt alleen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Valkuil. Een fiets met twee pijlen onder een stopbord of een bord voorrang verlenen betekent: fietsers uit beide richtingen. Kijk dus naar links én naar rechts voor je de weg oprijdt. Onder een stopbord hangt een onderbord met een fiets en twee pijlen. Wat betekent dat? Welke onderborden gaan over voertuigen? Geldt een regel maar voor bepaalde voertuigen, of juist niet voor hen, dan geeft het onderbord dat aan met een symbool of een woord. Onder het bord verboden toegang staat bijvoorbeeld soms uitgezonderd plaatselijk verkeer: dan mag plaatselijk verkeer er wel door, ander verkeer niet. Voor fietsers en bromfietsen zijn er vaste onderborden met zwarte tekens op wit: Onder verboden richting, verboden toegang of het verbod om af te slaan zegt een onderbord met een fiets dat het verbod niet geldt voor fietsers. Staat er ook een bromfiets met de letter A bij, dan geldt het verbod evenmin voor bromfietsen klasse A. Met een speed pedelec erbij geldt het ook niet voor speed pedelecs. Onder verboden toegang of het verbod om af te slaan betekent een bromfiets zonder letter A dat ook bromfietsen klasse B en speed pedelecs uitgezonderd zijn. Onder een bord dat een richting verplicht werkt het op dezelfde manier: fietsers zijn uitgezonderd, en eventueel ook bromfietsen klasse A en speed pedelecs. Onder het bord verplicht fietspad zegt een onderbord dat bestuurders van een bromfiets klasse B het fietspad moeten volgen. Een ander onderbord zegt dat ze het fietspad juist niet mogen volgen. Voor speed pedelecs bestaan er eigen onderborden. Onder het bord eenrichtingsverkeer mogen fietsers, soms ook bromfietsen klasse A en speed pedelecs, in de tegengestelde richting rijden. Voor alle andere bestuurders blijft het eenrichtingsverkeer gewoon gelden. Een massa op het onderbord onder het verbod voor voertuigen voor goederenvervoer beperkt dat verbod tot voertuigen met een hogere maximaal toegelaten massa. Een letter (B, C, D of E) onder het verbod voor voertuigen met gevaarlijke goederen geeft aan voor welke categorie wegtunnels de toegang verboden is. Onthoud. Wat een fiets op een onderbord betekent, hangt af van het bord erboven. Onder een verbod of een verplichte richting zijn fietsers uitgezonderd. Onder een stopbord of een bord voorrang verlenen beperkt een fiets zonder pijlen het bord tot fietsers. Met twee pijlen komen er fietsers uit beide richtingen. Onder eenrichtingsverkeer mogen fietsers de andere kant op. Wat zegt een onderbord over afstand en lengte? Een afstand op een onderbord zegt hoe ver het gevaar of de regel nog is. Een gevaarsbord staat normaal op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats. Staat het dichterbij of verder weg, dan geeft een onderbord ongeveer de afstand aan. Een afstand die in een wegwijzer zelf staat, is geen onderbord. Een verbod of een verplichting wordt op dezelfde manier aangekondigd: een gelijkaardig bord krijgt een onderbord met de afstand waarop de regel begint. Ook een stopbord wordt aangekondigd, op de aangegeven afstand. Aankondiging van een stopbord op de aangegeven afstand. Onthoud. Een afstand op het bord betekent: de regel begint verderop. Bij de aankondiging van een stopbord hoef je nog niet te stoppen. Een onderbord kan ook de lengte van een gevaarlijk stuk weg tonen. Dan weet je hoe lang je extra moet opletten. Een onderbord kan de lengte van een gevaarlijk stuk weg aangeven. Geldt een bord maar voor de uitrit rechts van een rijbaan met meerdere rijstroken in dezelfde richting, dan geeft een onderbord dat aan. En herhaalt een bord de regel van een zone, dan staat op het onderbord het woord Herhaling. Het bord geldt alleen voor de uitrit rechts van een rijbaan met meerdere rijstroken in dezelfde richting. Bij het bord dat een stop aankondigt staat een afstand. Wat betekent dat? Welk gevaar of welke omstandigheid noemt een onderbord? Soms noemt het onderbord het gevaar zelf of de omstandigheden waarin het bord geldt: onder het bord glibberige rijbaan: ijzel of sneeuw, of een omstandigheid zoals bij nat wegdek; onder het algemene gevaarsbord, de driehoek met een uitroepteken: welk gevaar je te wachten staat, bijvoorbeeld mist of een uitrit voor vrachtwagens. De weg kan glad zijn door ijzel of sneeuw. Het onderbord noemt het gevaar: hier kun je mist tegenkomen. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Het onderbord kondigt een uitrit voor vrachtwagens aan. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Bij het onderbord ‘mist’ is er niet per se al mist: het waarschuwt dat je hier mist kunt tegenkomen. Pas je snelheid aan het zicht aan en rijd met dimlichten zodra je niet meer duidelijk tot ongeveer 200 meter ver ziet. Voormistlichten mogen alleen aan bij mist, sneeuwval of felle regen. Het achtermistlicht moet aan bij felle regen of als mist of sneeuwval je zicht onder ongeveer 100 meter brengt, en anders nooit. Wat zegt het schema van een kruispunt op een onderbord? Een vierkant blauw onderbord met een tekening van het kruispunt toont de weg die aan het volgende kruispunt voorrang heeft: de dikke lijn. Je vindt het onder een bord voorrang verlenen, een stopbord of een bord dat jou voorrang geeft. Het schema is vooral nodig als de weg met voorrang op het kruispunt afbuigt: zonder tekening zou je niet zien waar die weg loopt. Hetzelfde onderbord hangt dan ook onder het bord voorrang verlenen of het stopbord op de andere wegen. Schema van een kruispunt: de dikke lijn is de weg met voorrang. Valkuil. Op het schema van een kruispunt is de dikke lijn de weg met voorrang. Zoek eerst je eigen weg op de tekening voor je antwoordt: rijd je op een dunne lijn, dan verleen je voorrang aan wie op de dikke lijn rijdt. Welke onderborden hangen onder een parkeerbord? Onder een parkeerbord zegt het onderbord onder welke voorwaarden je er mag parkeren of stilstaan. De bekendste: betalend: je betaalt voor het parkeren, op de manier die ter plaatse is aangegeven; uitgezonderd bewoners: wie een bewonerskaart achter de voorruit heeft, hoeft de regel van het onderbord niet te volgen, bijvoorbeeld niet te betalen; bewoners, parkeerkaart of autodelen: de plaats is voorbehouden aan voertuigen met die kaart achter de voorruit; een parkeerschijf: de parkeertijd is beperkt en je gebruikt de schijf; uren of dagen onder een verbod, bijvoorbeeld van 7 tot 19 uur: het verbod geldt alleen in die periode; een fiets: de plaats is voor fietsen. Staat er ook een bromfiets bij, dan is ze voor fietsen en tweewielige bromfietsen. Valkuil. Uitgezonderd bewoners en bewoners zijn niet hetzelfde. Bij betalend, uitgezonderd bewoners parkeert iedereen die betaalt, en bewoners met een kaart betalen niet. Staat er alleen bewoners, dan is de plaats voor hen voorbehouden. Onder een parkeerbord staat ‘betalend, uitgezonderd bewoners’. Mag je er als bezoeker parkeren? Je kunt nu een bord van boven naar beneden lezen: eerst de regel, dan de nuance. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je bij elk onderbord meteen weet wat het betekent. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 10.1, 27.1.4, 27.3, 30.1, 65.2, 65.5, 65.6, 66.2 tot 66.4, 67.2, 67.4, 68.2 tot 68.4, 69.2 tot 69.4, 70.2.1, 71.2, 71.3 en 77.5 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikelen 6.8, 7.5, 7.13, 8.1, 8.3, 8.9, 8.11, 9.2, 9.5, 10.1, 10.4, 11.1, 11.3, 12.6 en 13.1 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 66.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord B1, bord B5, bord B17, bord B7, bord A15, bord A51, bord E3 en bord E9a ## Zoneborden: blauwe zone, fietszone en snelheidszone Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zoneborden/ Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een bord met zonale geldigheid geldt in de hele zone, tot het bord dat het einde aanduidt. Alleen verbodsborden en borden over parkeren kunnen dat krijgen. Het begin van een zone staat rechts, bij elke toegang. Het einde staat bij elke uitgang. Blauwe zone: parkeerschijf achter de voorruit, met de pijl op het streepje na het uur van je aankomst. Fietszone: ze eindigt bij het bord einde fietszone, niet bij het eerstvolgende kruispunt. Snelheidszone: een ander snelheidsbord geldt tot het volgende kruispunt, daarna geldt de snelheid van de zone weer. Hieronder staan de borden, de afbeeldingen en de valkuilen. Eén bord kan meerdere straten onder dezelfde regel brengen. Je rijdt de zone binnen, passeert het bord één keer en de regel blijft gelden, straat na straat, tot je het bord ziet dat het einde van de zone aanduidt. Hier leer je hoe zo’n zone begint, wat ze oplegt en vooral waar ze ophoudt. Wat is een bord met zonale geldigheid? Definitie. Een bord met zonale geldigheid geldt niet alleen op de plaats waar het staat, maar in een hele afgebakende zone. Het bord aan het begin noem je het zonebord, het bord aan het einde het eindezonebord. De betekenis van het bord verandert niet: een verbodsbord met zonale geldigheid verbiedt hetzelfde als het gewone verbodsbord, maar dan in de hele zone. Je herkent zo’n bord aan de witte achtergrond. Niet elk bord kan een zone regelen. Alleen verbodsborden en borden over parkeren kunnen zonale geldigheid krijgen. Andere borden, zoals gebodsborden, kunnen dat niet. Op het examen. Welke borden kunnen zonale geldigheid krijgen? Verbodsborden en borden over parkeren. De regel van zo’n bord kan ook aangevuld, nader bepaald of beperkt worden met een zwart opschrift of symbool, behalve bij een snelheidszone. Een bord met zonale geldigheid, aangevuld met een zwart opschrift dat de regel nader bepaalt. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Waar begint en waar eindigt een zone? Het zonebord staat rechts, bij elke toegang tot de zone. Het mag ook links herhaald worden. Langs welke straat je de zone ook binnenrijdt, het bord staat er. Het eindezonebord staat bij elke uitgang en mag aan de achterkant van het zonebord hangen. Tussen die twee borden geldt de regel in de hele zone, niet alleen in de straat waar je het bord zag. Voor het parkeren is er één uitzondering: waar andere verkeerstekens, zoals een bord of een wegmarkering, een andere parkeerregeling geven, geldt die regeling. Onthoud. Zonebord: rechts, bij elke toegang. Eindezonebord: bij elke uitgang. Ertussen geldt de regel overal in de zone, ook in straten die je pas later inrijdt. Waar staat het zonebord, het bord aan het begin van de zone? Hoe parkeer je in een blauwe zone? Een blauwe zone is een zone met beperkte parkeertijd. Het begin en het einde zijn aangeduid met een zonebord dat een parkeerschijf toont. Een opschrift op het blauwe deel van dat bord mag wit zijn. Begin en einde van een blauwe zone: het bord toont een parkeerschijf. Parkeer je met een auto in een blauwe zone, dan leg je een parkeerschijf aan de binnenkant van de voorruit. Je zet de pijl op het eerstvolgende streepje na het uur van je aankomst. Kom je in Hasselt om tien over tien aan, dan zet je de pijl op het streepje dat daarop volgt. Tenzij het bord iets anders zegt, moet je de schijf gebruiken van 9 u tot 18 u op werkdagen en mag je er hoogstens twee uur staan. Is die tijd om, dan moet je weg zijn. Verander de schijf niet zolang je er staat en zet er geen valse aanduidingen op. Op het examen. In een blauwe zone gebruik je de parkeerschijf, met de pijl op het streepje na het uur van je aankomst. Je hoeft er niet bovenop te betalen. Zonder andere vermelding geldt dat van 9 u tot 18 u op werkdagen, voor hoogstens twee uur. Je parkeert je auto in Hasselt in een blauwe zone. Wat doe je? Parkeren kan ook betalend zijn. Hangt er onder het parkeerbord een onderbord met dat woord, dan betaal je, met een betaalparkeerkaart of aan een parkeermeter of parkeerautomaat. Werkt de meter of automaat niet, dan gebruik je de parkeerschijf. Welke andere zoneborden bestaan er? Er zijn nog drie voorbeelden van zones met zonale geldigheid: een zone waar het parkeren voorbehouden is voor voertuigen met een maximaal toegelaten massa van niet meer dan 3,5 ton; een zone waar je een gespan (een voertuig met trekdieren ervoor) of een voertuig met meer dan twee wielen niet links mag inhalen; een zone waar de toegang verboden is voor voertuigen die met lading zwaarder zijn dan de aangeduide massa. Parkeren voorbehouden voor voertuigen met een maximaal toegelaten massa van niet meer dan 3,5 ton. Zone waar je een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen niet links mag inhalen. Waar eindigt een fietszone? Een fietszone bestaat uit één of meer openbare wegen waar voor fietsers specifieke gedragsregels gelden. Ze werkt met twee borden: één voor het begin, één voor het einde. Het woord “Fietszone” mag op die borden staan, maar het moet niet. Begin en einde van een fietszone: pas bij het tweede bord ben je de zone uit. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Tot je het bord einde fietszone voorbijrijdt, zit je nog in de zone, ook na meerdere kruispunten. Een fietszone kan dus meerdere straten omvatten. Op het examen. “Waar eindigt de fietszone?” Bij het bord einde fietszone. Een kruispunt verandert daar niets aan. In een fietszone gelden eigen regels: fietsers mogen de hele breedte van de rijbaan gebruiken als die alleen in hun rijrichting open is, en de rechterhelft als ze in beide richtingen open is; auto’s en andere motorvoertuigen hebben toegang, maar mogen fietsers niet inhalen; bestuurders van speed pedelecs gelden hier als fietsers: ook hen mag je niet inhalen; je mag er nooit sneller rijden dan 30 km/u. Sinds 1 april 2023 heet dit officieel een fietszone, vroeger een fietsstraat. Borden met het woord “Fietsstraat” mogen tot 1 januari 2035 blijven staan om het begin en het einde van een fietszone aan te duiden. Je rijdt in Gent een fietszone binnen en passeert twee kruispunten. Zit je nog in de fietszone? Welke wegen zijn voorbehouden voor bepaalde weggebruikers? Sommige borden regelen geen zone maar een weg of een deel van een weg: ze zeggen wie er mag komen. “Voorbehouden” is strenger dan “toegelaten”: wie niet op het bord staat, mag de weg in principe niet gebruiken. Lees de pictogrammen een voor een. Er zijn drie borden, elk met een eigen bord voor het einde van de weg: een weg voorbehouden voor voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs; dezelfde weg, maar met ook landbouwvoertuigen; een weg voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters, met aanduiding van het deel van de weg dat voor elke groep bestemd is. Dit bord mag aangepast worden aan de groepen die op de weg zijn toegelaten. Begin en einde van een weg voorbehouden voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs. Dezelfde weg, met ook landbouwvoertuigen erbij. Een weg met een eigen deel voor elke groep: het bord toont welk deel voor wie bestemd is. Er zijn wel uitzonderingen: prioritaire voertuigen tijdens een opdracht en, met een vergunning van de wegbeheerder, onder meer de voertuigen van de aanwonenden. Staat er een landbouwvoertuig op het bord, dan mogen ook voertuigen van en naar de aanliggende percelen erop, zonder vergunning. Op al die wegen rijd je hoogstens 30 km/u. Valkuil. Toont het bord alleen een voetganger en een fietser, dan mogen ruiters en speed pedelecs de weg niet gebruiken. Alleen de pictogrammen op het bord bepalen wie er mag, op enkele uitzonderingen na. Welke zones hebben nog een eigen bord voor het begin en het einde? Tot een voetgangerszone hebben alleen voetgangers toegang, met enkele uitzonderingen, zoals prioritaire voertuigen. Als een bord het toelaat, mogen ook fietsers, taxi’s en voertuigen die moeten laden of lossen de zone in. Het bord staat rechts bij elke toegang. Begin en einde van een voetgangerszone. Een zone 30 is een zone met een snelheidsbeperking van 30 km/u. Ook hier staat het bord voor het begin rechts, bij elke toegang. In een lage-emissiezone (LEZ) wordt de toegang voor motorvoertuigen beperkt volgens hun uitstoot. Of jouw voertuig er mag rijden, hangt af van de euronorm, de uitstootnorm van het voertuig. Een gemeente kan zo’n zone invoeren, maar niet op autosnelwegen. Begin en einde van een lage-emissiezone. Het luchthavengebied ligt rond of vlak bij een luchthaven. Daar kunnen de gewone verkeersregels voor bepaald verkeer anders zijn of niet gelden. Twee borden leggen de grens van dat gebied vast. Begin en einde van een luchthavengebied. Valkuil. Voetgangerszone, fietszone, zone 30, lage-emissiezone en luchthavengebied hebben een eigen bord voor het begin en het einde, maar het zijn geen borden met zonale geldigheid. Dat kunnen alleen verbodsborden en borden over parkeren zijn. Oudere fietszoneborden met zonale geldigheid mogen wel nog tot 1 januari 2032 blijven staan. Wat is de valkuil bij een snelheidszone? Bij een snelheidszone heeft het snelheidsbord zonale geldigheid. Vanaf het zonebord tot het eindezonebord mag je niet sneller rijden dan de snelheid van de zone. Buiten de bebouwde kom kom je zo’n zone bijvoorbeeld tegen in een vakantiezone, met 50 of 70 km/u. Een snelheidszone loopt van het zonebord tot het eindezonebord. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Staat er in de zone een bord met een andere snelheid, dan geldt die tot het volgende kruispunt. Daarna geldt de snelheid van de zone opnieuw en het zonebord wordt niet herhaald. Dat andere bord geeft nooit een hogere snelheid dan de zone: zo’n bord mag er niet staan. Valkuil. Een ander snelheidsbord in de zone geldt maar tot het volgende kruispunt. Daarna is de snelheid van de zone er vanzelf weer, zonder dat het zonebord herhaald wordt. Buiten een zone geldt een gewoon snelheidsbord tot en met het volgende kruispunt, of tot een bord dat de snelheid opnieuw regelt. Ook een gewoon inhaalverbod geldt maar tot en met het volgende kruispunt. Een bord met zonale geldigheid loopt door tot het eindezonebord, ook na meerdere kruispunten. Rijd je in de zone een erf, een woonerf of een schoolomgeving binnen, dan geldt na het einde ervan opnieuw de snelheid van de zone, zonder nieuw zonebord. In een erf of woonerf is de snelheid beperkt tot 20 km/u. Is er in de zone een bebouwde kom of een andere snelheidszone afgebakend, dan staat er aan het einde daarvan wel opnieuw een zonebord. Je rijdt in een snelheidszone en komt een bord met een lagere snelheid tegen. Wat geldt er na het volgende kruispunt? Je weet nu hoe je een zone van begin tot einde leest: waar ze begint, wat ze oplegt en waar ze ophoudt. De onderborden, de kleine borden onder een bord die de regel aanvullen of beperken, hebben hun eigen les. Herhaal eerst de kaartjes hieronder en test jezelf daarna met de oefenvragen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.32, 2.35, 2.37, 2.49, 2.61, 2.69, 22bis, 22novies, 22sexies, 27.1, 27.3, 65.1, 65.5 en 85.32. Wegcode, Vlaamse versie: verkeersborden C35, C43, E9a, F4a, F4b, F99a, F99b, F99c, F101a, F101b, F101c, F103, F105, F111, F113, F117, F118, F119 en F120. Decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones, artikel 3. Besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 betreffende lage-emissiezones, artikel 2. Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.34, 22quinquies en 22octies Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord E9a, bord C35, bord F111, bord F113, bord F99a, bord F99b, bord F99c, bord F101a, bord F101b, bord F101c, bord F103, bord F105, bord F4a, bord F4b, bord F117, bord F118, bord F119, bord F120 en bord C43 ## Voetgangers: regels, oversteekplaatsen en borden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangers/ Hoofdstuk 3: De weggebruikers Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een voetganger is ook wie een fiets, kinderwagen of rolstoel aan de hand leidt. Ligt er op minder dan ongeveer 20 meter een oversteekplaats voor voetgangers, dan moet je die gebruiken. Op de rijbaan loop je pas als er geen trottoir, berm, fietspad of ander begaanbaar deel is. Dan blijf je zo dicht mogelijk bij de rand, aan de linkerkant. Zonder agent of verkeerslichten verleen je als bestuurder voorrang aan wie op een oversteekplaats staat of er net op wil stappen. Een voertuig dat voor zo’n oversteekplaats stopt of ze nadert, haal je niet links in. Langs een voetganger op de rijbaan laat je minstens 1 meter ruimte, buiten de bebouwde kom 1,5 meter. Elke regel apart, met de valkuilen van het examen: alles staat hieronder. Een fiets aan de hand, een oversteekplaats op 15 meter, een auto die stilstaat voor een zebrapad: drie gewone situaties waarin je punten kunt laten liggen. Wie is een weggebruiker en wie telt als voetganger? Definitie. Een weggebruiker is elke persoon die gebruikmaakt van de openbare weg: te voet, per fiets, per motor, per auto of te paard. Een voetganger is een persoon die zich te voet verplaatst. Voor alle weggebruikers geldt dezelfde basis: je veroorzaakt geen hinder of gevaar, ook niet voor wegenwerkers, toezichtdiensten en prioritaire voertuigen. Voorwerpen, zwerfvuil, stoffen of een andere belemmering horen niet op de weg, en rook of stoom verspreid je er niet. Schade aan de weg vermijd je: een bestuurder matigt zijn snelheid, vermindert zijn lading of kiest een andere weg. Een bestuurder mag kwetsbaardere weggebruikers, voetgangers en fietsers voorop, niet in gevaar brengen. Zijn ze er of kun je ze verwachten, zoals in een straat in de bebouwde kom, dan ben je dubbel voorzichtig. Definitie. Als voetganger telt ook wie een kruiwagen, kinderwagen of rolstoel aan de hand leidt, of een ander voertuig zonder motor dat geen bredere ruimte nodig heeft dan voetgangers. Hetzelfde geldt voor wie een fiets, gemotoriseerd rijwiel of tweewielige bromfiets aan de hand leidt. De openbare weg wordt gedeeld: elke soort weggebruiker heeft zijn eigen regels. Valkuil. Je leidt je fiets aan de hand? Dan ben je een voetganger, geen fietser. Hindert je fiets of een voorwerp dat veel plaats inneemt de andere voetgangers aanzienlijk, dan moet je de rijbaan volgen. Te voet naast je fiets: voor de wegcode ben je een voetganger. Je loopt in Gent naast je fiets, die je aan de hand leidt. Wat ben je voor de wegcode? Waar loop je als voetganger? Je gebruikt telkens het eerste deel van de weg dat aanwezig en begaanbaar is, in deze volgorde: het trottoir, of een weggedeelte dat met een blauw bord aan voetgangers (al dan niet samen met fietsers) is voorbehouden; een weggedeelte met een blauw bord voor ruiters; de verhoogde berm, daarna de gelijkgrondse berm; de parkeerstrook, daarna de zijdelingse strook; het fietspad; de rijbaan, als laatste mogelijkheid. Loop je op de rijbaan, dan blijf je zo dicht mogelijk bij de rand en ga je links, gezien in je looprichting. Zo zie je de voertuigen op je afkomen. Rechts mag alleen als de veiligheid het rechtvaardigt. Loop je op het fietspad, dan verleen je doorgang aan de andere weggebruikers die erop rijden. Je moet op de rijbaan lopen, want er is niets anders. Aan welke kant loop je, gezien in je looprichting? Hoe steek je over, en wanneer moet je de oversteekplaats nemen? Je steekt de rijbaan haaks over, dus recht naar de overkant. Je blijft er niet rondlopen of staan als dat niet nodig is. Ligt er op minder dan ongeveer 20 meter een oversteekplaats voor voetgangers, ook zebrapad genoemd, dan moet je die nemen. Verder weg mag je ook elders oversteken, nog altijd haaks en voorzichtig. Onthoud. Ligt er een oversteekplaats voor voetgangers op minder dan ongeveer 20 meter, dan ben je verplicht ze te gebruiken. Een oversteekplaats voor voetgangers ligt 15 meter verderop. Wat moet je als voetganger doen? Wat je doet, hangt af van wie het verkeer regelt: Staan er voetgangerslichten? Dan ga je de rijbaan pas op als het licht dat toelaat. Regelt een agent of een ander bevoegd persoon het verkeer, of staan er verkeerslichten zonder voetgangerslichten? Dan houd je je aan de bevelen of aan de lichten. De bevelen van een bevoegd persoon gaan voor op de verkeerslichten. Regelt niemand het verkeer? Dan ga je voorzichtig de rijbaan op, met aandacht voor de voertuigen die naderen. Een rood licht voor voetgangers: je wacht op het trottoir tot het licht je toelaat over te steken. Loopt er een tramspoor of een eigen trambedding over de oversteekplaats en nadert er een tram, dan ga je er niet op, tenzij een verkeerslicht het je toestaat. Loop je over een trottoir dat de rijbaan oversteekt, zoals bij een doorlopend trottoir aan een zijstraat, dan belemmer je het verkeer daar niet nodeloos. Welke borden houden ruimte vrij voor voetgangers? Drie ronde blauwe borden duiden een weggedeelte aan dat voor voetgangers bestemd is: één voor voetgangers, fietsers en tweewielige bromfietsen klasse A, één voor voetgangers en fietsers, en één voor voetgangers alleen. Weggedeelten voor voetgangers: samen met fietsers en bromfietsen klasse A, samen met fietsers, of alleen voor voetgangers. Een vierkant blauw bord kondigt het begin aan van een weg of weggedeelte dat voorbehouden is voor voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs. Een tweede variant toont welk deel van de weg voor welke gebruikers bestemd is. Voetgangers op een trottoir, op zo’n voorbehouden weggedeelte, op een berm of op een vluchtheuvel breng je als bestuurder niet in gevaar. Hetzelfde geldt in een voetgangerszone en in een speelstraat. In een voetgangerszone hebben alleen voetgangers toegang. Voertuigen mogen er enkel in de gevallen die de wegcode opsomt, zoals prioritaire voertuigen als hun opdracht het rechtvaardigt of voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer. Wie er mag rijden, rijdt stapvoets en laat de voetgangers door. Het bord oversteekplaats voor voetgangers duidt de oversteekplaats aan, en een gevaarsbord met dezelfde naam kan ze aankondigen. Een ander gevaarsbord meldt een plaats waar speciaal veel kinderen komen: daar let je extra op. Mogen groepen op de rijbaan lopen? Stoeten, processies en groepen voetgangers met een leider mogen de rijbaan volgen. Dan gaan ze aan de rechterkant. Een groep van minstens vijf personen met een leider mag ook aan de linkerkant van de rijbaan lopen, maar dan wel achter elkaar. Als bestuurder mag je een stoet, een processie of een groep voetgangers niet doorbreken. Is een groep begonnen met oversteken, dan wacht je tot ze voorbij is. Achter het stuur: wanneer verleen je voorrang aan een voetganger? Begin bij een oversteekplaats voor voetgangers waar niemand het verkeer regelt: geen agent, geen verkeerslichten. Je nadert met matige snelheid en je verleent voorrang aan de voetgangers die op de oversteekplaats staan of er op het punt staan op te stappen. Voorrang verlenen betekent dat je pas verder rijdt als dat zonder gevaar kan, gelet op de plaats, de snelheid en de afstand van de andere weggebruikers. Valkuil. Zonder agent of verkeerslichten is voorrang geven meer dan wachten op wie al oversteekt. Ook een voetganger die op het punt staat over te steken, laat je eerst gaan. Wacht dus niet tot hij op de rijbaan staat. Tweede reflex: je haalt niet in vlak voor een oversteekplaats. Rijdt er een auto, bus of motor voor je die stopt voor een oversteekplaats of er een nadert, dan is links inhalen verboden waar geen agent en geen verkeerslichten het verkeer regelen. Op het examen. Een auto stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of nadert ze, en niemand regelt het verkeer: links inhalen mag niet. Misschien stopt de auto voor een voetganger die jij niet ziet. In Leuven nadert de auto voor je een oversteekplaats voor voetgangers. Er zijn geen verkeerslichten en geen agent. Mag je haar links inhalen? Regelt wel een bevoegd persoon of een verkeerslicht het verkeer, dan laat je voetgangers die volgens de regels zijn vertrokken, bijvoorbeeld bij groen licht, hun oversteek in een normaal tempo afmaken, ook als je richting al is vrijgegeven. Is je richting gesloten, dan stop je voor de oversteekplaats. Rijd een oversteekplaats niet op als je er waarschijnlijk zou moeten stilstaan omdat het verkeer vastzit. Steek je als bestuurder een trottoir over, bijvoorbeeld bij het uitrijden van een garage, dan verleen je voorrang aan wie het trottoir gebruikt. Voor wie moet je extra voorzichtig zijn, en wat doe je bij een halte? Voor kinderen, bejaarden en personen met een handicap ben je dubbel voorzichtig: je vertraagt en je stopt zo nodig. Dat geldt zeker voor blinden met een witte of gele stok, en voor personen met een handicap in een voertuig dat ze zelf voortbewegen of dat een elektrische motor heeft waarmee je niet sneller dan stapvoets kunt rijden. Staat een tram, bus of autocar stil om reizigers te laten in- of uitstappen, dan matig je je snelheid als je er langs rijdt. Is er aan de halte geen vluchtheuvel en rijd je langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen, dan stop je. Zo kunnen ze veilig het voertuig, het trottoir of de berm bereiken. Pas daarna rijd je weer weg, met matige snelheid. Halte zonder vluchtheuvel: aan de kant van de reizigers stop je. Onthoud. Tram of bus aan een halte zonder vluchtheuvel: rijd je langs de kant van de reizigers, dan stop je, zodat ze veilig kunnen in- en uitstappen. Met een vluchtheuvel matig je alleen je snelheid. Hoeveel ruimte laat je voor een voetganger op de rijbaan? Moeten voetgangers door een hindernis de rijbaan op, bijvoorbeeld door werken, dan laat je langs die hindernis minstens 1 meter vrije ruimte. Lukt dat niet en loopt er een voetganger ter hoogte van de hindernis, dan rijd je er niet sneller dan stapvoets langs. Loopt een voetganger op de rijbaan, op een manier die de wegcode toelaat, dan houd je minstens 1 meter zijdelingse afstand van hem. Buiten de bebouwde kom is dat minstens 1,5 meter. Lukt dat niet, dan rijd je stapvoets en stop je zo nodig. Op het examen. Let op de plaats: langs een voetganger op de rijbaan houd je in de bebouwde kom minstens 1 meter zijdelingse afstand, erbuiten minstens 1,5 meter. Herhaal nu de kaartjes hieronder en test met de oefenvragen of de 20 meter, de linkerkant en de voorrang op de oversteekplaats echt zitten. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.34, 2.35, 2.40, 2.45, 2.46, 6.1, 7, 12.5, 17.2, 22sexies, 40, 41 en 42 Verkeersborden uit de bijlage bij de Wegcode: oversteekplaats voor voetgangers, plaats waar speciaal veel kinderen komen, weggedeelten voorbehouden voor voetgangers en fietsers Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 7.1, 7.3, 7.4, 42.2.1, 42.1, 42.4.1, 42.4.2, 42.4.3, 42.4.4, 42.4.6, 42.3, 41.1, 12.4, 40.3.1 en 40.3.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord D9, bord D10, bord F99a, bord F99b, bord F49, bord A21 en bord A23 ## Fietsers, steps en bromfietsers: de regels (theorie B) Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietsers-en-bromfietsen/ Hoofdstuk 3: De weggebruikers Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een echt fietspad herken je aan een bord of aan twee onderbroken witte strepen. Een gekleurde strook alleen is geen fietspad. Langs een fietser laat je minstens 1 meter ruimte in de bebouwde kom, 1,5 meter daarbuiten. Elektrische step: minstens 16 jaar, nooit met twee, en je telt als fietser. Speed pedelec = bromfiets: trapondersteuning tot 45 km/u, helm verplicht. Groep fietsers: onthoud 15, 50 en 150. Op voorbehouden wegen rijd je hoogstens 30 km/u. Alles staat hieronder, met de borden en de valkuilen van het examen. Eén meter. Zoveel zijdelingse ruimte laat je minstens tussen je auto en een fietser in de bebouwde kom. Buiten de bebouwde kom is het anderhalve meter. Beide afstanden gelden niet alleen als je inhaalt. Die getallen moet je kennen, net als het verschil tussen fiets, elektrische step, bromfiets en speed pedelec. Welke basisregels gelden voor fietsers en bromfietsers? Fietsers en bromfietsers mogen op de openbare weg niet: rijden zonder het stuur vast te houden; rijden zonder de voeten op de pedalen of de voetsteunen; zich laten voorttrekken; rijden terwijl ze een dier aan het leizeel (de leiband) houden. Ook de amazonezit, met beide benen aan dezelfde kant, is verboden. Dat geldt voor bestuurders en passagiers van fietsen, bromfietsen, motorfietsen en driewielers of vierwielers met motor. Op de rijbaan blijf je zo dicht mogelijk bij de rechterrand. Trek je een aanhangwagen met je fiets, dan rijd je achter elkaar. Op een busstrook mogen fietsers alleen rijden als het bord of een onderbord een fiets toont, en ook dan achter elkaar. Stuur vast, voeten op de pedalen en niemand die je voorttrekt: de basis voor elke fietser. Hoe herken je een echt fietspad? Definitie. Een fietspad is het deel van de openbare weg dat voorbehouden is voor fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A. Het is aangeduid met een bord, of met twee evenwijdige onderbroken witte strepen die een strook afbakenen die te smal is voor een auto. Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan. Eerste bewijs: de borden die een fietspad aanduiden. Tweede bewijs: twee evenwijdige onderbroken witte strepen. Zonder bord en zonder die strepen is het geen fietspad. Rijbewijs B Theorie Een fietspad kan rechts of links van de rijbaan liggen. Is het berijdbaar en met een bord aangeduid voor jouw rijrichting, dan moet je het volgen als je fietst of een tweewielige bromfiets klasse A bestuurt. Ligt het links, dan hoef je het niet te volgen als bijzondere omstandigheden dat verantwoorden en je rechts op de rijbaan rijdt. Is het fietspad alleen afgebakend met twee evenwijdige onderbroken witte strepen, dan volg je het enkel als het rechts van je ligt. Ligt het links, dan mag je het niet volgen. Je mag het fietspad verlaten om van richting te veranderen, om in te halen of om een hindernis te omzeilen. Op het fietspad zelf hinder je niemand en breng je niemand in gevaar. Met een auto mag je niet op een fietspad rijden. Je mag er ook niet stilstaan (zelfs niet om iemand te laten in- of uitstappen) of parkeren. Oversteken mag wel, bijvoorbeeld naar een oprit. Dan verleen je voorrang aan wie op het fietspad rijdt. Valkuil. Een gekleurde strook op het wegdek, zonder bord en zonder twee onderbroken witte strepen, is geen fietspad, ook al is het asfalt knalrood. In Gent loopt een rode strook langs de rijbaan, zonder bord en zonder onderbroken witte strepen. Is dat een fietspad? Elektrische steps: welke regels gelden? Volgens het verkeersreglement is een elektrische step een gemotoriseerd voortbewegingstoestel. Door de constructie ligt zijn maximumsnelheid vast op 25 km/u. Sinds 1 juli 2022 gelden er duidelijke regels: je bent minstens 16 jaar; je rijdt alleen: een passagier meenemen is verboden; je wordt gelijkgesteld met een fietser: je volgt het fietspad als dat er is en je het kunt berijden, anders de rijbaan; in de bebouwde kom rijd je niet op het trottoir. Ben je jonger dan 16, dan mag je een step op de openbare weg alleen gebruiken in een woonerf of erf, in een speelstraat, op een voorbehouden weg (zie verderop) en in een voetgangerszone waar fietsers zijn toegelaten. In zo’n zone rijd je stapvoets en laat je de voetgangers voorgaan. Sinds 1 september 2026 is er nog een regel bij: haalt je step door de constructie meer dan 20 km/u, dan draag je een helm. Een bromfietshelm mag, en een fietshelm ook als die je slapen en achterhoofd beschermt. Onthoud. Elektrische step: minstens 16 jaar, één persoon, behandeld als een fiets. Fietspad als dat er is, anders de rijbaan, en in de bebouwde kom nooit op het trottoir. Helm als je step door de constructie sneller kan dan 20 km/u. Je rijdt met een elektrische step in de bebouwde kom van Leuven. Er is geen fietspad. Waar rijd je? Wat is een speed pedelec wettelijk? Een speed pedelec lijkt op een fiets, maar is wettelijk een bromfiets. De trapondersteuning werkt tot 45 km/u. Dat brengt regels mee: bestuurder en passagier dragen een helm: een bromfietshelm, of een fietshelm die slapen en achterhoofd beschermt; je bent minstens 16 jaar als je alleen rijdt, of met een instructeur van een rijschool of een examinator; met een gewone passagier moet je minstens 18 jaar zijn; je hebt een rijbewijs AM nodig. Een rijbewijs B geldt ook. Op de rijbaan gelden voor een speed pedelec dezelfde regels als voor een fiets: je mag met twee naast elkaar rijden, behalve wanneer tegenliggers dan niet meer kunnen passeren. Buiten de bebouwde kom rijd je achter elkaar zodra een voertuig van achteren nadert. Voor een fietspad met het bord verplicht fietspad of de fietspadmarkering geldt: waar de maximumsnelheid hoger is dan 50 km/u, moet je het volgen als het bruikbaar is. Bij 50 km/u of minder mag het, zolang je niemand in gevaar brengt. Een deel van de openbare weg dat met het bord voor voetgangers, fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A is aangeduid, mag je als speed pedelec in diezelfde gevallen ook volgen, maar dat is nooit verplicht. Een fiets op het eerste gezicht, maar wettelijk een bromfiets: met helm, rijbewijs AM of B en trapondersteuning tot 45 km/u. Op het examen. Een speed pedelec is een bromfiets met trapondersteuning tot 45 km/u. Je hebt een helm en een rijbewijs AM of B nodig. Onder het bord verplicht fietspad kan een onderbord staan dat speed pedelecs verplicht of verbiedt het fietspad te volgen. Fietsers, motorrijders en ruiters in groep: wie mag wat? Fietsers in groep (van 15 tot 150 deelnemers) Vanaf 15 deelnemers en tot 150 heeft een groep fietsers eigen regels: ze hoeft de fietspaden niet te volgen; ze mag met twee naast elkaar rijden, zolang ze gegroepeerd blijft, en alleen op de rechterrijstrook (zonder rijstroken: hoogstens de breedte van één rijstrook en nooit meer dan de helft van de rijbaan); van 15 tot 50 deelnemers mag er een begeleidende auto bij zijn, voorop en achteraan op ongeveer 30 meter. Is er maar één auto, dan rijdt die achteraan; bij meer dan 50 deelnemers is die begeleiding verplicht: een auto voorop en een auto achteraan, met op het dak een blauw bord met een waarschuwingsteken boven een witte fiets; bij meer dan 50 deelnemers zijn er ook minstens twee wegkapiteins. Bij 15 tot 50 mogen ze erbij zijn. Een wegkapitein is minstens 21 jaar en draagt om de linkerarm een band met horizontaal de nationale kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord “wegkapitein”. Op kruispunten zonder verkeerslichten mag hij het verkeer op de dwarswegen stilleggen, terwijl de groep oversteekt. Motorrijders in groep (vanaf 2 deelnemers) Rijden minstens twee motorrijders samen op een weg met rijstroken, dan hoeven ze niet achter elkaar te rijden. Ze mogen in dezelfde rijstrook in twee geschrankte rijen rijden, dus een beetje schuin achter elkaar, met voldoende veiligheidsafstand. Zonder rijstroken nemen ze hoogstens de helft van de rijbaan in, en als tegenliggers anders niet kunnen passeren, rijden ze achter elkaar. Boven de 50 deelnemers zijn er minstens twee wegkapiteins nodig. Bij motorrijders zijn ze minstens 25 jaar en dragen ze een veiligheidsvest dat licht terugkaatst, met in zwarte letters op de rug het woord “wegkapitein”. Ruiters in groep (vanaf 10 deelnemers) Een groep van minstens 10 ruiters mag een groepsleider hebben van minstens 21 jaar. Hij draagt om de linkerarm een band met horizontaal de nationale kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord “groepsleider”. Op kruispunten zonder verkeerslichten mag hij, net als een wegkapitein, het verkeer op de dwarswegen stilleggen. Onthoud. Leer 15, 50, 150: de groep begint bij 15 fietsers, boven 50 zijn twee begeleidende auto’s en twee wegkapiteins verplicht, en 150 is de bovengrens van de groepsregels: daarboven gelden de gewone fietsregels weer. Wegkapiteins zijn minstens 21 jaar (fietsers) of 25 jaar (motorrijders). Een groep van 60 fietsers rijdt door Brugge. De begeleidende auto’s zijn… Voorbehouden wegen: wie mag erop en hoe snel? Sommige wegen zijn voorbehouden voor bepaalde weggebruikers: een “weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs”, soms ook voor landbouwvoertuigen. Wie er mag rijden, zie je aan de symbolen op het bord bij het begin van de weg. Begin van een voorbehouden weg: de symbolen op het bord bepalen wie erop mag. Einde van de voorbehouden weg. Op een weg voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs geldt voor iedereen: je brengt anderen niet in gevaar en je hindert hen niet; je bent dubbel voorzichtig met kinderen, want spelen is toegestaan; je belemmert het verkeer niet nodeloos; je rijdt hoogstens 30 km/u. Prioritaire voertuigen mogen er rijden als hun opdracht dat rechtvaardigt. Met een vergunning van de wegbeheerder mogen er ook rijden: voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud, voertuigen van aanwonenden en hun leveranciers, en voertuigen die vuilnis ophalen. Staat het symbool van een landbouwvoertuig op het bord, dan is de weg ook open voor landbouwvoertuigen en voor bespannen voertuigen. Op zo’n weg mogen ook voertuigen van en naar de aanliggende percelen en niet-gemotoriseerde drie- en vierwielers rijden. De maximumsnelheid blijft 30 km/u. Het symbool van een landbouwvoertuig opent de weg ook voor landbouwvoertuigen. Op het examen. De symbolen op het bord bepalen wie op een voorbehouden weg mag rijden. Voor iedereen geldt 30 km/u, en op een weg voor voetgangers, fietsers en ruiters mogen kinderen spelen. Je rijdt bij Hasselt op een weg voorbehouden voor voetgangers, fietsers en ruiters. Hoe snel mag je hoogstens? Jij in de auto: afstand houden en voorrang geven aan fietsers Als automobilist of motorrijder heb je duidelijke plichten tegenover fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen: je brengt hen niet in gevaar; je bent dubbel voorzichtig met fietsende kinderen en bejaarden; je laat minstens 1 meter zijdelingse ruimte, en buiten de bebouwde kom minstens 1,5 meter; je nadert een oversteekplaats voor fietsers met matige snelheid en stopt zo nodig om hen te laten doorrijden; je rijdt zo’n oversteekplaats niet op als het verkeer vastzit en je er zou moeten stilstaan. Steek je een fietspad over, dan verleen je voorrang aan wie op het fietspad rijdt. Een fietser op een fietspad gebruikt de oversteekplaats als die er is, en rijdt er voorzichtig op. Op het examen. Langs een fietser laat je minstens 1 meter zijdelingse ruimte in de bebouwde kom en minstens 1,5 meter daarbuiten, niet alleen bij het inhalen. Een oversteekplaats voor fietsers rijd je niet op als je er zou moeten stilstaan. Je haalt met je auto buiten de bebouwde kom, bij Kortrijk, een fietser in. Hoeveel zijdelingse ruimte laat je minstens? Je weet nu wie waar mag rijden en hoeveel ruimte jij laat. De herhaling hieronder zet de getallen op kaartjes, en de oefenvragen daarna tonen of je ze onthouden hebt. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 2.7, 2.13, 2.15.1, 2.15.2, 2.17, 2.22, 2.34, 7bis, 8.2, 9.1.1, 9.1.2, 9.3.1, 12.4bis, 22quinquies, 22sexies, 22octies, 24, 36, 40ter, 43, 43bis, 43ter, 44, 55bis, 69.4, 72.5 en 74, en de verkeersborden D7, D9, F50, A25, F99a, F99c, F101a en C43 Koninklijk besluit van 1 december 1975, federale versie (Justel): artikel 36 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 27 augustus 2026, in werking sinds 1 september 2026 (valhelm voor gemotoriseerde voortbewegingstoestellen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 20 km/u) Wet van 15 mei 2022 tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 (regels voor voortbewegingstoestellen), in werking sinds 1 juli 2022 Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, Vlaamse versie: artikelen 2 en 20 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 43.1, 43.2, 44.5, 44.2 en 43.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord D7, bord D9, bord F99a, bord F99c, bord F101a, bord A25 en bord F50 ## Minimumleeftijd bestuurders: wat mag je op welke leeftijd? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/minimumleeftijd-bestuurders/ Hoofdstuk 3: De weggebruikers Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden 16 jaar: bromfiets en speed pedelec (allebei zonder passagier), elektrische step en tractor tot 20 ton. 17 jaar: de auto, maar alleen met een begeleider naast je. 18 jaar: alleen met de auto rijden, praktijkexamen, een passagier op je bromfiets en motor A1. Motoren: A1 op 18, A2 op 20, A op 24 (of op 22 na twee jaar A2). Vrachtwagens en bussen: rijbewijs C en D1 op 21, D op 24. Met een getuigschrift van basiskwalificatie al op 18. De hele ladder van 12 tot 24 jaar en de valkuilen staan hieronder. Met 16 jaar rijd je al op een bromfiets. Met 17 neem je het stuur van een auto in handen, met een begeleider naast je. Voor de zwaarste motor wacht je tot 24. Voor veel van wat je kan besturen, van het rijdier tot de autobus, geldt een minimumleeftijd. Er zit logica in die leeftijden. Eerst de hele ladder, daarna de treden die voor jou het belangrijkst zijn. Auto, motor en bestelwagen: voor elk motorvoertuig geldt een minimumleeftijd. Wat mag je op welke leeftijd besturen? De hele ladder Definitie. Een bestuurder is wie een voertuig bestuurt, of trekdieren, lastdieren, rijdieren of vee leidt of bewaakt. Een fietser is dus ook een bestuurder. Wie gewoon te voet gaat, niet. Een kudde koeien over de weg leiden telt dus ook als besturen. De ladder begint ruim voor er een motor aan te pas komt. Minimumleeftijd | Wat je mag besturen | 12 jaar | een rijdier, met een ruiter van minstens 21 jaar erbij | 14 jaar | niet ingespannen trekdieren, lastdieren, rijdieren of vee | 16 jaar | bromfiets en speed pedelec (zonder passagier), gemotoriseerd rijwiel, elektrische step, bespannen voertuig, tractor tot 20 ton | 17 jaar | auto, met een begeleider; de opleiding vrachtwagen of bus in het beroepsonderwijs | 18 jaar | auto alleen, motor A1, vrachtwagen C1, bromfiets met passagier, tractor van meer dan 20 ton | 20 jaar | motor A2; autobus met een bewijs van vakbekwaamheid | 21 jaar | autobus, bezoldigd vervoer van personen en voertuigen van meer dan 7,5 ton; rijbewijs C en D1 | 22 jaar | motor A, na minstens twee jaar rijbewijs A2 en 4 uur praktijkles in een rijschool | 24 jaar | motor A zonder voorgaand rijbewijs A2; rijbewijs D | Op het examen. Je moet de hele ladder kennen: 12, 14, 16, 17, 18, 20, 21, 22 en 24 jaar. Lees in elke vraag de details: met of zonder begeleider, met of zonder passagier, een rijbewijs behalen of een voertuig besturen. Welke voertuigen mag je al op 16 jaar besturen? Op 16 jaar mag je al heel wat besturen: een bromfiets, zonder passagier. Voor klasse A (hoogstens 25 km/u) heb je geen rijbewijs nodig, voor klasse B (hoogstens 45 km/u) rijbewijs AM; een speed pedelec, de snelle elektrische fiets met trapondersteuning tot 45 km/u. Daarvoor heb je ook rijbewijs AM of een hoger rijbewijs, zoals B; een gemotoriseerd rijwiel, een fiets met trapondersteuning tot 25 km/u en een motor tot 1 kW. Een gewone elektrische fiets blijft een fiets: hoogstens 0,25 kW, en de trapondersteuning valt weg bij 25 km/u of zodra je stopt met trappen; een elektrische step (officieel: gemotoriseerd voortbewegingstoestel): geen rijbewijs nodig, wel 16 jaar. Dat geldt ook voor een zelfbalancerend toestel met één of twee wielen. Een step die sneller dan 20 km/u kan, vraagt ook een helm; een bespannen voertuig, zoals een koets met een paard ervoor; een tractor (categorie G) tot 20 ton maximaal toegelaten massa. Het theorie-examen voor rijbewijs AM kan je al drie maanden voor je 16e verjaardag afleggen. Onthoud. Een tractor (categorie G) mag je al op 16 besturen, tot een maximaal toegelaten massa van 20 ton. Is de tractor zwaarder dan 20 ton, dan moet je 18 zijn. Voor de step geldt 16 jaar niet overal. Ben je jonger, dan mag je er alleen mee rijden: in een woonerf of erf; in een speelstraat; op een weg die met een bord voorbehouden is voor bepaalde weggebruikers, zoals voetgangers en fietsers; in een voetgangerszone waar fietsers zijn toegelaten. Voor personen met verminderde mobiliteit geldt de leeftijdsgrens niet, als het toestel uitsluitend voor hen bestemd is. Valkuil. Voor een step heb je geen rijbewijs nodig. Dat wil niet zeggen dat er geen minimumleeftijd is: buiten de uitzonderingen hierboven moet je 16 zijn. Je vriend van 15 wil in Gent met zijn elektrische step door de stad rijden. Mag dat? Zolang je geen 18 bent, mag je niemand meenemen op je bromfiets of speed pedelec, behalve een instructeur van een erkende rijschool of een examinator. Wil je een vriend achterop? Dan moet je 18 zijn. Je bent 17 en rijdt in Leuven met je bromfiets klasse B. Je vriend wil achterop zitten. Mag dat? Mag je met 17 al achter het stuur van een auto? Ja, maar niet alleen. Het theorie-examen voor rijbewijs B leg je af vanaf 17 jaar. Ben je geslaagd, dan vraag je een voorlopig rijbewijs aan. Daarvan bestaan er twee soorten: met begeleider, vanaf 17 jaar. Het is 36 maanden geldig en je kiest één of twee begeleiders. Jij zit achter het stuur, je begeleider zit voorin naast je. Andere passagiers mogen niet mee, behalve een erkende rij-instructeur; zonder begeleider, vanaf 18 jaar. Daarvoor volg je minstens 20 uur rijles in een erkende rijschool en krijg je een bekwaamheidsattest. Het is 18 maanden geldig. Je rijdt alleen, of met hoogstens twee passagiers die al minstens 8 jaar een geldig rijbewijs B hebben en de laatste 3 jaar niet vervallen zijn van het recht tot sturen. Je begeleider heeft minstens 8 jaar een geldig rijbewijs B en is de laatste 3 jaar niet vervallen van het recht tot sturen. Voor een voorlopig rijbewijs met begeleider volgt elke begeleider ook een vormingsmoment van 3 uur. Valkuil. “Hij is 17 en heeft zijn voorlopig rijbewijs, dus hij mag alleen rijden.” Fout. Op 17 jaar zit er altijd een begeleider naast je. Alleen rijden kan pas vanaf 18. Je bent 17 en hebt je voorlopig rijbewijs met begeleider op zak. Mag je alleen rijden? Het praktijkexamen leg je af vanaf 18 jaar, nadat je minstens 5 maanden hebt geoefend met een voorlopig rijbewijs. Ook het rijbewijs B zelf krijg je dus pas vanaf 18. Rijles in een rijschool mag al vanaf 17, ook voordat je geslaagd bent voor het theorie-examen. Is je voorlopig rijbewijs verlopen en ben je nog niet geslaagd voor het praktijkexamen? Na 6 uur rijles in een rijschool kan je maar één keer een nieuw voorlopig rijbewijs met begeleider van 12 maanden aanvragen. Onthoud. Auto: theorie-examen en rijden met begeleider vanaf 17 jaar. Alleen rijden kan vanaf 18 jaar. Het praktijkexamen kan ook vanaf 18 jaar, maar pas na minstens 5 maanden oefenen met een voorlopig rijbewijs. Welk motorrijbewijs haal je op welke leeftijd? Voor een motor zijn er drie trappen, naargelang van het vermogen: rijbewijs A1 (hoogstens 125 cc en 11 kW): 18 jaar; rijbewijs A2 (hoogstens 35 kW): 20 jaar; rijbewijs A (alle motoren): 24 jaar, of 22 jaar als je al minstens twee jaar rijbewijs A2 hebt en minstens 4 uur praktijkles volgt in een rijschool. Valkuil. Lees je ergens dat je met 16 al een 125 cc mag rijden? Met een Belgisch rijbewijs A1 klopt dat niet: dat haal je pas op 18. Op 16 kan het alleen tijdens de praktijkopleiding in een erkende rijschool, of met een A1-rijbewijs uit een ander land van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte. Hoe krachtiger de motor, hoe later je eraan mag beginnen: 18, 20 of 24 jaar. Vrachtwagen of bus: wat verandert er met een bewijs van vakbekwaamheid? Voor beroepschauffeurs liggen de leeftijden lager, dankzij twee verschillende papieren. Met een getuigschrift van basiskwalificatie haal je het rijbewijs op jongere leeftijd. Met een bewijs van vakbekwaamheid, dat op het rijbewijs staat als code 95, mag je op jongere leeftijd een vrachtwagen of bus besturen. Eerst de leeftijd om het rijbewijs te behalen: rijbewijs C1 (vrachtwagen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3 500 kg tot en met 7 500 kg): 18 jaar; rijbewijs C (alle vrachtwagens) en rijbewijs D1 (kleine bus van hoogstens 8 meter, voor 9 tot 16 passagiers, de bestuurder niet meegerekend): 21 jaar; rijbewijs D (grote bus): 24 jaar; met een getuigschrift van basiskwalificatie haal je C, D1 en D al op 18 jaar. Dan de leeftijd om te besturen: een vrachtwagen van meer dan 7,5 ton: 21 jaar, of 18 jaar met een bewijs van vakbekwaamheid voor C; een autobus: 21 jaar. In geregeld vervoer, zoals een vaste buslijn, mag je al op 18 jaar rijden, op een traject van hoogstens 50 kilometer. Met een bewijs van vakbekwaamheid voor D kan je op 20 jaar zonder die beperking; tijdens de opleiding en het praktijkexamen voor C of D mag je al op 18 jaar rijden; in de opleiding vrachtwagen of bus in de derde graad van het secundair beroepsonderwijs al op 17 jaar. Zonder getuigschrift van basiskwalificatie: rijbewijs D1 op 21, D op 24. Onthoud. Vrachtwagen: rijbewijs C1 op 18, C op 21. Bus: rijbewijs D1 op 21, D op 24. Met een getuigschrift van basiskwalificatie kan je C, D1 en D al op 18 jaar halen. Is de chauffeur in een vraag jonger dan je verwacht? Zoek dan het getuigschrift van basiskwalificatie of het bewijs van vakbekwaamheid (code 95). Je bent 18 en hebt een getuigschrift van basiskwalificatie. Kan je al een rijbewijs C behalen? Rijdier op 12, bromfiets op 16, auto met begeleider op 17 en alleen op 18: de ladder staat. Loop de herhalingskaarten nog eens door en test daarna met de quiz of de leeftijden echt zitten. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.13, 2.15.1, 2.15.2, 2.15.3, 2.17, 8.2, 22quinquies, 22sexies, 22octies en 36; Justel-kopie van 21 oktober 2026 voor de recentste wijzigingen (onder meer artikel 36) Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs (Vlaamse versie): artikelen 1, 2, 4, 15, 18 en 20 Koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B (Vlaamse versie): artikelen 2, 3, 4, 5/1, 8, 9/1 en 9/2 GOCA Vlaanderen, Doc. 130: Het rijbewijsexamen (18 augustus 2026) Vlaanderen.be: Oefenperiode voorlopig rijbewijs B en Vormingsmoment voor begeleiders (rijbewijs B), geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Prioritaire voertuigen en reddingsstrook: wat doe je? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/prioritaire-voertuigen/ Hoofdstuk 3: De weggebruikers Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Blauwe knipperlichten en een sirene betekenen een dringende opdracht: maak meteen de doorgang vrij en stop als dat nodig is. Klinkt er geen sirene, dan hoef je niets bijzonders te doen, ook niet als de blauwe lichten branden. Bij een file op minstens twee rijstroken vorm je meteen de reddingsstrook. Alleen de linkerrijstrook gaat naar links, alle andere gaan naar rechts. Binnen de bebouwde kom laat je een bus vertrekken zodra hij met zijn richtingaanwijzer aangeeft dat hij weer wil rijden. Bij een wielerwedstrijd stop je bij het openingsvoertuig met de rode vlag en blijf je staan tot het sluitingsvoertuig voorbij is. De regels een voor een, met de valkuilen van het examen: alles staat hieronder. Achter je klinkt een sirene, voor je staat een file en je hebt maar een paar seconden. Voor een ambulance telt elke seconde. Op het examen moet je daarom meteen weten wat je doet: de doorgang vrijmaken, de reddingsstrook vormen of net niets bijzonders doen. Hoe herken je een prioritair voertuig? Definitie. Een prioritair voertuig is uitgerust met één of meer blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel: de sirene. Gebruikt het die sirene, dan voert het een dringende opdracht uit. Denk aan de politie, de brandweer en de ambulance. Je ziet en hoort ze van ver, en dat is de bedoeling: de weg moet vrij zijn voordat ze er zijn. Een brandweerwagen en een ambulance: twee voorbeelden van prioritaire voertuigen. De sirene mag alleen bij een dringende opdracht. De blauwe lichten moeten dan aan. Ze mogen ook bij een andere opdracht aan, maar alleen als de aard van die opdracht dat rechtvaardigt. Daarom telt voor jou de sirene. Wat doe je als je de sirene hoort? De regel past in één zin. Zodra de sirene een prioritair voertuig aankondigt, maakt elke weggebruiker onmiddellijk de doorgang vrij en verleent hij voorrang. Zo nodig stop je ook. Het geldt dus niet alleen voor automobilisten, maar ook voor fietsers en voetgangers. Op het examen. Hoor je de sirene van een prioritair voertuig, dan maak je onmiddellijk de doorgang vrij en verleen je voorrang. Zo nodig stop je ook. Klinkt er geen sirene, dan hoef je niets bijzonders te doen. Rijdt er een politiewagen achter je, zonder sirene en met uitgeschakelde lichten? Dan rijd je gewoon verder. Je mag het voertuig uiteraard niet hinderen, maar je hoeft ook niet te stoppen of opzij te gaan. Valkuil. Blauwe lichten zonder sirene? Dan hoef je niet te stoppen en ook niet opzij te gaan. Alleen de sirene brengt jouw verplichting in gang, nooit de blauwe lichten alleen. De sirene geldt ook bij een rood licht. Een prioritair voertuig met sirene mag zelf door rood rijden, maar alleen met een gematigde snelheid en als niemand daardoor in gevaar komt. Sta jij voor het rood en hoor je een sirene achter je, dan maak je dus toch de doorgang vrij. Je doet dat voorzichtig: je mag andere weggebruikers niet hinderen of in gevaar brengen. Zelf met hoge snelheid over het kruispunt rijden om plaats te maken, is dus fout. Een ambulance nadert met sirene en je kunt de doorgang niet vrijmaken. Wat doe je? Hoe vorm je de reddingsstrook? Definitie. De reddingsstrook is de vrije ruimte tussen twee rijstroken in een file. Hulpdiensten rijden erdoor om sneller bij het incident te komen. Je moet ze vormen sinds 1 oktober 2020. Wat de regel in gang zet, is de file en niet de sirene. Zodra er een file ontstaat, vorm je de reddingsstrook, zonder te wachten tot er een hulpdienst opduikt. Dat geldt op elke weg met minstens twee rijstroken in jouw rijrichting, dus ook buiten de autosnelweg. Zo ga je te werk: twee rijstroken: wie op de linkerrijstrook rijdt, gaat uiterst links, wie op de rechterrijstrook rijdt, uiterst rechts. De reddingsstrook ontstaat in het midden, tussen de twee; drie of meer rijstroken: de linkerrijstrook gaat uiterst links, alle andere rijstroken gaan naar rechts. De reddingsstrook ontstaat naast de linkerrijstrook. Onthoud. Alleen de linkerrijstrook gaat naar links, alle andere rijstroken gaan naar rechts. Dat werkt bij elk aantal rijstroken. Bij twee rijstroken valt de reddingsstrook zo vanzelf in het midden. De reddingsstrook is geen sluipweg voor jou. Gebruiken mogen enkel: prioritaire voertuigen, als de aard van hun opdracht dat rechtvaardigt; voertuigen van personen of diensten die het parket (het openbaar ministerie) of de politie heeft opgeroepen om naar de plaats van een incident te gaan; takelwagens die naar een incident rijden. Iedereen schuift opzij, de weg komt vrij en de hulpdiensten winnen kostbare seconden. Er staat een file op een weg met twee rijstroken in jouw richting. Waar ontstaat de reddingsstrook? Er staat een file op een weg met drie rijstroken in jouw richting. Waar ontstaat de reddingsstrook? Een bus die vertrekt en een schoolbus: wat doe je? Binnen de bebouwde kom laat je een autobus of trolleybus vertrekken uit zijn halteplaats, zodra de bestuurder met zijn richtingaanwijzer heeft aangekondigd dat hij weer wil rijden. Je vertraagt en stopt zo nodig. Die regel geldt voor bestuurders die dezelfde richting volgen als de bus. De busbestuurder moet dan zelf geen voorrang verlenen aan die bestuurders. Valkuil. Een bus die met zijn richtingaanwijzer aangeeft dat hij wil vertrekken, moet je laten vertrekken, ook als jij al aan het rijden bent. Let op: de regel geldt binnen de bebouwde kom. In de bebouwde kom zet een bus zijn richtingaanwijzer aan om zijn halte te verlaten. Wat doe je? Een tweede geval is het schoolvervoer. Zo’n voertuig draagt vooraan en achteraan, op het linkergedeelte, een bord met een retroreflecterende achtergrond. Zie je dat bord, dan ben je dubbel voorzichtig. Laat de bestuurder al zijn richtingaanwijzers tegelijk werken, dan gaan er kinderen in- of uitstappen. Dan matig je je snelheid aanzienlijk en stop je zo nodig. Het bord voor schoolvervoer: dubbel voorzichtig. Werken alle richtingaanwijzers, dan matig je je snelheid aanzienlijk en stop je zo nodig. Wat doe je bij een wielerwedstrijd? Bij een wielerwedstrijd geldt de regel voor elke weggebruiker: onmiddellijk uitwijken, de rijbaan zo ver mogelijk vrijmaken en stoppen. Je doet dat zodra je een van deze dingen ziet naderen: het openingsvoertuig met een rode vlag, dat de wedstrijdkaravaan aankondigt; het openingsvoertuig met een rode vlag, dat de publiciteitskaravaan (de reclamekaravaan) aankondigt; een renner of een groep renners; een voertuig van de wedstrijdkaravaan of van de publiciteitskaravaan. Daarna blijf je staan tot het sluitingsvoertuig voorbij is. Dat voertuig draagt een groene vlag en kondigt het einde van de karavaan aan. Pas dan is het gewone verkeer weer toegelaten. Valkuil. Je stopt bij het openingsvoertuig met de rode vlag en je rijdt pas weer verder na het sluitingsvoertuig met de groene vlag. Ook als je geen renners meer ziet, blijf je staan. Een peloton op de rijbaan: jij wijkt uit, stopt en wacht tot het sluitingsvoertuig voorbij is. Op een landweg bij Tielt wacht je op het einde van een wielerwedstrijd. Je ziet geen renners meer, maar het sluitingsvoertuig met de groene vlag is er nog niet. Mag je rijden? Mag je dwars door een stoet of een groep rijden? Nee. Voor alle weggebruikers is het verboden om dwars door de volgende groepen te rijden: een militaire kolonne: een troep op mars of een convooi dat door bevoegde personen of militairen geregeld wordt; een stoet of een processie; een groep voetgangers, bijvoorbeeld een schoolklas die in Gent onder leiding van de leraar de straat oversteekt; een samenkomst bij een cultureel, sportief of toeristisch evenement; een groep deelnemers aan een wielerwedstrijd of aan een niet-gemotoriseerde sportwedstrijd of -competitie. Bij zo’n groep volg je ook de aanwijzingen van wie daarvoor bevoegd is: een militair bij een legerkolonne, een signaalgever bij evenementen en wedstrijden, een wegkapitein bij groepen fietsers of motorfietsers, een groepsleider bij voetgangers en ruiters. Bij werken op de weg volg je de werfopzichter. Voor een groep kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden geldt een eigen regel. Je rijdt er niet dwars doorheen wanneer ze in rijen lopen, vergezeld van een leider, of wanneer ze de rijbaan oversteken onder de controle van een jeugdverkeersbrigade, een leider of een gemachtigd opzichter. Je volgt de aanwijzingen van die gemachtigde opzichters. Om het verkeer stil te leggen, tonen al deze personen een ronde witte schijf met een rode rand: het bord verboden toegang voor ieder bestuurder. Zie je die schijf, dan stop je. De witte schijf met de rode rand: het teken waarmee een bevoegde persoon het verkeer stillegt. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Onthoud. Door een stoet, een processie, een groep voetgangers of een militaire kolonne rijd je nooit heen. Toont een bevoegde persoon je de witte schijf met de rode rand, dan stop je. Je kent nu de reflexen bij een sirene, een file, een bus, een wielerwedstrijd en een groep. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je ze beheerst. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.45, 2.70, 7.2, 9.8, 37, 38, 39, 39bis, 40bis, 40quater en 41 Verkeersbord uit de bijlage bij de Wegcode: verboden toegang voor ieder bestuurder (de schijf waarmee bevoegde personen het verkeer stilleggen) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 37.1, 37.2, 37.3 en 37.4 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord C3 ## Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/doorlopende-en-onderbroken-strepen/ Hoofdstuk 4: Wegmarkeringen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een doorlopende streep overschrijd je nooit. Scheidt ze de twee rijrichtingen, dan rijd je er ook niet links van: inhalen kan daar niet. Een onderbroken streep overschrijd je alleen om in te halen, links af te slaan, te keren of van rijstrook te veranderen. Liggen een doorlopende en een onderbroken streep naast elkaar, dan telt alleen de streep aan jouw kant. Oranje strepen of spijkers horen bij werken en maken de witte overlangse markeringen op dezelfde plaats waardeloos. Een gele onderbroken streep langs de rand van de rijbaan: daar mag je niet parkeren. Elke streep in beeld, en de valkuilen van het examen: alles staat hieronder. Op een foto in het examen kijk je best eerst naar het wegdek, niet alleen naar de borden. Zie je een doorlopende streep te laat, dan kies je “ik mag inhalen” waar alles verboden is. De taal van het wegdek heeft maar een paar woorden: doorlopend, onderbroken, oranje en geel. Hieronder zie je wat elke streep toestaat en verbiedt. Wat is een overlangse markering? Definitie. Een overlangse markering is een streep die in de lengte van de weg loopt. De strepen die de rijstroken aanduiden, zijn wit en doorlopend of onderbroken. Ze kunnen ook als een doorlopende en een onderbroken streep naast elkaar liggen. Dit onderscheid tussen doorlopend en onderbroken is de basis. De rest van de les bouwt erop voort. Mag je een doorlopende streep ooit overschrijden? Nee. Voor een doorlopende streep gelden twee verboden: je mag ze niet overschrijden; scheidt ze de twee rijrichtingen, dan mag je er ook niet links van rijden. Inhalen kan daar dus niet. Een trage tractor voor je of een lege weg verandert daar niets aan. Zolang de streep doorlopend is, blijft het verbod gelden. De doorlopende streep: je overschrijdt ze niet. Op een landweg bij Tielt scheidt een witte doorlopende streep de twee rijrichtingen. Voor je rijdt een trage tractor. Mag je inhalen? Wanneer mag je een onderbroken streep wel overschrijden? Een onderbroken streep is soepeler, maar niet vrij. Je mag ze niet overschrijden, behalve voor vier manoeuvres: inhalen; links afslaan; keren; van rijstrook veranderen. De onderbroken streep: je overschrijdt ze alleen voor vier manoeuvres. Onthoud. Hoe meer een streep doorloopt, hoe strenger het verbod. Doorlopend: niet overschrijden. Onderbroken: alleen om in te halen, links af te slaan, te keren of van rijstrook te veranderen. Valkuil. Kortere streepjes die dichter bij elkaar liggen, kondigen een doorlopende streep aan. Begin je daar nog aan een inhaalmanoeuvre, dan ben je misschien niet op tijd terug rechts. Links van een doorlopende streep die de twee rijrichtingen scheidt, mag je niet rijden. Voor welke manoeuvres mag je een onderbroken streep overschrijden? Een doorlopende en een onderbroken streep naast elkaar: welke telt? Soms liggen een doorlopende en een onderbroken streep tegen elkaar aan. Dan geldt: je kijkt alleen naar de streep die aan jouw kant ligt; de regels hierboven gelden voor die streep. Een doorlopende en een onderbroken streep naast elkaar: alleen de streep aan jouw kant telt. Heb je het streeppaar overschreden om in te halen, dan mag je het ook opnieuw overschrijden om terug op je gewone plaats op de rijbaan te rijden. Valkuil. Bij een doorlopende en een onderbroken streep naast elkaar telt alleen de streep aan jouw kant. Kijk op een foto eerst aan welke kant het voertuig uit de vraag rijdt. Busstrook: wie mag erop en wat mag jij? Twee markeringen houden een strook vrij voor het openbaar vervoer, en ze lijken op elkaar. De busstrook heeft brede onderbroken strepen, de overrijdbare bedding voor bus en tram heeft brede doorlopende strepen. Eerst de busstrook. Het blauwe bord van de busstrook en één of twee brede witte onderbroken strepen bakenen de strook af. In plaats van de strepen mag er ook een dambordmarkering van witte vierkanten liggen. Het woord BUS mag op het wegdek staan. Het bord wordt na elk kruispunt herhaald, en de busstrook maakt geen deel uit van de rijbaan. Brede onderbroken strepen en het woord BUS: een busstrook. Naast de voertuigen van het openbaar vervoer mogen alleen deze voertuigen op de busstrook, en alleen als hun symbool of woord (bijvoorbeeld TAXI) op het bord of op een onderbord staat: schoolvervoer en taxi’s; fietsen, bromfietsen en motorfietsen; voor het vervoer van passagiers gebouwde voertuigen met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurder niet meegerekend; voertuigen voor woon-werkverkeer, voor duurzame mobiliteit of voor het gemeenschappelijk vervoer van personen met een handicap; voertuigen met minstens 2, 3 of 4 inzittenden, naargelang van de vermelding. Voertuigen voor schoolvervoer, woon-werkverkeer, duurzame mobiliteit en het vervoer van personen met een handicap hebben bovendien vooraan en achteraan links een goed zichtbaar bord met een retroreflecterende achtergrond. Rijden ze niet voor dat doel, dan moet het bord worden afgedekt of verwijderd. Tot 31 mei 2027 mogen taxi’s en voertuigen voor schoolvervoer de busstrook ook gebruiken als het bord of het woord daarvoor ontbreekt. En jij, als gewone bestuurder? Je mag op de busstrook rijden in twee gevallen: om een hindernis op de rijbaan te omzeilen; om van richting te veranderen vlak voor een kruispunt. Oversteken mag ook: op een kruispunt, of om een eigendom of een parkeerplaats langs de busstrook in of uit te rijden. Op het examen. Op een busstrook rijd je alleen om een hindernis te omzeilen of vlak voor een kruispunt van richting te veranderen. Oversteken mag op een kruispunt, of om een eigendom of parkeerplaats langs de strook in of uit te rijden. Een antwoord met inhalen of tijd winnen is fout. In Mechelen wil je vlak voor een kruispunt rechts afslaan, maar de rechterstrook is een busstrook met brede onderbroken strepen. Mag je er even op rijden? Brede doorlopende strepen met het bord voor bus en tram: wat is dat? Dat is een bijzondere overrijdbare bedding, voorbehouden voor de voertuigen van het openbaar vervoer, zoals bussen en trams. Het bord voor bus en tram bakent ze af, samen met één of twee brede witte doorlopende strepen of een dambordmarkering van witte vierkanten. Op een dambordmarkering mag je niet stilstaan en niet parkeren. Het bord wordt na elk kruispunt herhaald, en de bedding maakt geen deel uit van de rijbaan. Op het wegdek mogen de woorden BUS en TRAM staan. ‘Overrijdbaar’ wil zeggen dat andere voertuigen er in enkele gevallen op of over mogen. Het bord voor bus en tram duidt de overrijdbare bedding aan. Dezelfde voertuigen als op de busstrook mogen er rijden, onder dezelfde voorwaarde: hun symbool of woord staat op het bord of op een onderbord. De uitzondering voor taxi’s en schoolvervoer tot 31 mei 2027 geldt alleen voor busstroken. Als gewone bestuurder mag je er rijden om een hindernis op de rijbaan te omzeilen. Je mag de bedding ook oversteken: op een kruispunt, of om een eigendom of een parkeerplaats langs de bedding in of uit te rijden. Het verschil met de busstrook: om vlak voor een kruispunt van richting te veranderen, mag je niet op de bedding rijden. Onthoud. Brede onderbroken strepen met het busstrookbord: busstrook. Brede doorlopende strepen met het bord voor bus en tram: overrijdbare bedding. Op beide mag je als gewone bestuurder maar in enkele gevallen rijden of oversteken. Spitsstrook en fietspad: twee onderbroken markeringen Nog twee onderbroken markeringen om te kennen: een onderbroken streep met langere streepjes en kortere tussenafstanden dan een gewone rijstrookmarkering bakent een spitsstrook af: een strook voor de spitsuren. De signalisatie of de verkeerslichten bepalen of je er mag rijden. Werkt geen van beide, dan mag je er niet rijden, behalve om van richting te veranderen of de autosnelweg op of af te rijden; twee evenwijdige witte onderbroken strepen die te dicht bij elkaar liggen voor het autoverkeer, bakenen een fietspad af. Een spitsstrook: lange streepjes met korte tussenafstanden. Het fietspad: twee evenwijdige onderbroken strepen. Op het fietspad mogen de gebruikers elkaar niet hinderen of in gevaar brengen. Ze mogen zich ook niet gevaarlijk gedragen tegenover andere weggebruikers. Wat betekenen oranje strepen en oranje spijkers op de weg? Bij werken sturen voorlopige markeringen het verkeer. Ze zijn oranje: oranje strepen, of oranje spijkers, kleine markeerpunten in het wegdek. Met spijkers lees je het zo: een voorlopige doorlopende streep: oranje spijkers op korte en regelmatige afstanden van elkaar; een voorlopige onderbroken streep: oranje spijkers in groepen, met telkens een duidelijk grotere afstand tussen twee groepen. Oranje spijkers op regelmatige afstanden: voorlopige doorlopende streep. In groepen: voorlopige onderbroken streep. Ze hebben dezelfde betekenis en dezelfde regels als de witte strepen. Bovendien maken ze de witte overlangse markeringen op dezelfde plaats waardeloos: bij werken volg je dus de oranje markeringen. De oranje markeringen van een werf gaan voor op de witte strepen. Bij wegenwerken in Gent liggen oranje spijkers en witte strepen op dezelfde plaats. Welke markering volg je? Hoe herken je de rand van de rijbaan? Op de werkelijke rand van de rijbaan, op een trottoirband of op de boordsteen van een verhoogde berm kan een streep liggen: een witte doorlopende streep, die de rand beter zichtbaar maakt; een gele onderbroken streep: langs die streep is parkeren op de rijbaan verboden. De witte doorlopende streep maakt de rand van de rijbaan beter zichtbaar. Langs de gele onderbroken streep is parkeren verboden. Verboden is alleen het parkeren. Kort stilstaan, bijvoorbeeld om iemand te laten uitstappen, mag langs de gele streep wel. De denkbeeldige rand van de rijbaan wordt aangeduid met een brede witte doorlopende streep. Wat aan de andere kant van die streep ligt, is bestemd voor stilstaan en parkeren, behalve op autosnelwegen en autowegen. Een witte doorlopende dwarsstreep kan het begin en het einde van die parkeerstrook aanduiden. Op een rijbaan die door strepen in rijstroken verdeeld is, mag je niet parkeren, tenzij een bord het toestaat. Even stoppen voor een foto telt als parkeren: je staat dan langer stil dan nodig om in te stappen of te laden. Op het examen. Gele onderbroken streep langs de rijbaan: parkeren verboden, kort stilstaan toegelaten. Even stoppen voor een foto is geen stilstaan maar parkeren, en op een rijbaan met rijstroken mag je niet parkeren. In Brugge ligt een gele onderbroken streep op de trottoirband. Wat betekent dat? Een doorlopende streep overschrijd je nooit, een onderbroken streep alleen voor vier manoeuvres, oranje gaat voor wit en een gele streep verbiedt het parkeren. De herhaling hieronder zet dit op kaartjes en de oefenvragen daarna testen of je het kent. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.22, 2.23, 2.64, 22decies, 23.1, 25.1, 43.2, 72 tot en met 75, 77.3, 77.8 en 85.33 (voor 85.33 de versie van het koninklijk besluit van 30 juni 2026) Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 betreffende de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens: artikel 12.5 (herhaling van het bord na elk kruispunt) Verkeersborden uit de bijlage bij de Wegcode: busstrook, bijzondere overrijdbare bedding voor bus en tram, verplicht fietspad Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 72.1, 72.2, 72.3, 72.4, 72.5, 72.6, 72.7, 74, 73.1, 73.2, 73.3, 73.4, 75.1 en 75.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F17 en bord F18 ## Stopstreep, haaientanden en zebrapad: waar stop je? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stopstreep-en-haaientanden/ Hoofdstuk 4: Wegmarkeringen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Doorlopende witte streep dwars over je rijstrook: een stopstreep. Je stopt aan die streep, bij een stopbord of een verkeerslicht. Witte driehoeken, de haaientanden: voorrang verlenen. Je stopt alleen als het nodig is. Vierkanten of parallellogrammen dwars over de weg: de oversteek voor fietsers en tweewielige bromfietsen. Brede witte banden in de rijrichting: een oversteekplaats voor voetgangers, het zebrapad. Twee dunne onderbroken strepen langs de weg: een fietspad, geen oversteek. Hieronder zie je per markering waar je stopt, met de valkuilen van het examen erbij. Een meter te ver, en het is fout. Op het theorie-examen en op de weg is het niet genoeg om te weten dat je moet stoppen. Je moet ook weten waar. Dat vertelt het wegdek je. Vier markeringen dwars op je weg tonen waar je stilstaat, of wie daar de rijbaan oversteekt. Wat is een dwarsmarkering? Definitie. Een dwarsmarkering regelt wat er dwars op jouw weg gebeurt. Ze toont waar jij stopt, of waar andere weggebruikers de rijbaan oversteken. Dwars wil niet zeggen dat elke streep haaks op de rand ligt. De stopstreep, de driehoeken en de oversteek voor fietsers doen dat wel: ze kruisen je rijstrook. Eén markering ligt anders: de banden van het zebrapad lopen evenwijdig met de as van de rijbaan, in de richting waarin de auto's rijden. Kijk dus niet naar het woord, maar naar wat de markering van je verwacht: stoppen, iemand laten voorgaan of plaats maken voor wie oversteekt. Daartegenover staan de overlangse markeringen. Die lopen in de lengte van de rijbaan. De witte strepen tussen de rijstroken zijn zo'n markering: doorlopend, onderbroken, of allebei naast elkaar. Op een examenfoto kijk je dus eerst of de markering met de weg meeloopt of dat ze je rijstrook kruist. Waar stop je bij de witte streep dwars over de rijbaan? Een doorlopende witte streep, haaks op de rand van de rijbaan, is een stopstreep. De naam zegt wat je doet: je stopt op de plaats die de streep aanduidt. Die streep staat nooit alleen. Ze hoort bij een bord stoppen en voorrang verlenen, het stopbord, of bij een verkeerslicht. Het bord of het licht zegt wanneer je stopt. De streep zegt waar. De stopstreep hoort bij een stopbord of een verkeerslicht. Je stopt aan de streep. Je stopt aan de streep. Niet een stuk ervoor, en niet er voorbij. Bij een rood licht rijd je de stopstreep niet voorbij. Is er geen stopstreep, dan rijd je het licht zelf niet voorbij. Bij vast oranjegeel geldt hetzelfde: je rijdt de streep niet voorbij, tenzij het licht aangaat als je al te dicht bij de streep bent om nog veilig te kunnen stoppen. Ben je dan al voorbij de streep en staat het licht bij een kruispunt, dan steek je het kruispunt alleen over als je niemand in gevaar brengt. Sta je in Gent aan een kruispunt met een stopbord, dan zet je de auto stil aan de streep en verleen je voorrang, ook als de weg waarop je uitkomt vrij lijkt. De streep is ongeveer een halve meter breed. Ze ligt alleen over het deel van de rijbaan dat jij normaal gebruikt. Ze ligt zo dat je vanaf de streep de weg met voorrang goed ziet, zonder dat je op een zebrapad of fietspad blijft staan. Lopen er lengtestrepen van een fietspad voor je, dan staat de stopstreep vóór dat fietspad. Zo blokkeer je de fietsers niet. Soms wordt de streep voorbij het fietspad herhaald. Op het examen. De stopstreep staat nooit alleen: er hoort een stopbord of een verkeerslicht bij. Je stopt vlak voor de streep en je rijdt ze niet voorbij. Je rijdt in Leuven. Een witte streep ligt dwars over je rijstrook en rechts staat een stopbord. Waar stop je? Haaientanden: moet je altijd stoppen? De tweede markering ligt opnieuw haaks op de rand van de rijbaan: een rij witte driehoeken. Iedereen noemt ze haaientanden. De basis van elke driehoek ligt naast die van de volgende. De punt wijst naar jou, de bestuurder die voorrang moet verlenen. Ze tonen waar je, als het nodig is, stopt om voorrang te verlenen. Ze horen bij het bord voorrang verlenen: de omgekeerde driehoek met rode rand. Elke driehoek is ongeveer 0,70 m hoog en ongeveer 0,50 m breed aan de basis. Voorrang verlenen: de omgekeerde driehoek. Op het wegdek horen daar haaientanden bij. Het verschil met de stopstreep zit in die vier woorden: als het nodig is. Aan de volle streep stop je. Aan de haaientanden stop je alleen als je iemand moet laten voorgaan. Is de weg vrij, dan rijd je door, zonder te stoppen. De witte driehoeken horen bij het bord voorrang verlenen. Daar stop je alleen als het nodig is. Je rijdt in Brugge een zijstraat met haaientanden uit: je mindert vaart, je kijkt en je rijdt door als er niemand komt. Komt er wel iemand op de weg met voorrang, dan stop je aan de driehoeken. Niet erop, en niet er voorbij. Ook hier ligt de markering zo dat je niet op een zebrapad of fietspad blijft staan. Liggen daar de lengtestrepen van een fietspad, dan staan de haaientanden ervoor. Zo nodig worden ze voorbij het fietspad herhaald. Valkuil. Haaientanden betekenen niet dat je altijd stopt. Je stopt alleen als het nodig is om voorrang te verlenen. Is de weg vrij, dan rijd je door. Een stop en voorrang verlenen door elkaar halen kost je punten op het examen. Onthoud. Hoe voller de markering, hoe strenger de plicht. Een volle streep: je stopt. Een rij witte driehoeken: je stopt alleen als het nodig is. Op een examenfoto zie je het verschil meteen. In Kortrijk liggen witte driehoeken dwars over de rijbaan. Wat kondigen ze aan? Vierkanten op de weg: wie steekt hier over? De derde markering bestaat uit twee onderbroken strepen van witte vierkanten of parallellogrammen, haaks op de rand van de rijbaan. Ze bakenen af waar fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten oversteken. Elk blok is ongeveer een halve meter breed. Op een foto zie je meteen dikke, hoekige blokken, geen dunne streep die langs de weg loopt. Twee rijen witte blokken dwars over de weg: de oversteek voor fietsers en tweewielige bromfietsen. Je ziet die blokken waar fietsers en bromfietsers de rijbaan oversteken buiten een kruispunt of een rotonde. Op een kruispunt of rotonde zelf ligt die markering er niet, als fietsers en bromfietsers daar dezelfde voorrangsregels volgen als de andere bestuurders. Wie op het fietspad rijdt en zo'n oversteek ziet, moet die gebruiken. Hij rijdt de oversteek voorzichtig op en houdt rekening met de voertuigen die naderen. Zit jij zelf in de auto of op de motor, dan nader je die oversteek met matige snelheid. Je brengt wie er al op rijdt niet in gevaar, en je hindert hem niet terwijl hij zijn oversteek met normale snelheid afmaakt. Zo nodig stop je om hem te laten doorrijden. Je rijdt de oversteek niet op als het verkeer vastzit en je er waarschijnlijk zou moeten stoppen. Staat het verkeer in Antwerpen aan de overkant stil, dan wacht je dus vóór de blokken. Op het examen. Aan een zebrapad zonder verkeerslichten of bevoegd persoon verleen je voorrang aan wie op het zebrapad is of op het punt staat erop te stappen. Aan deze oversteek laat je wie al oversteekt met normale snelheid afmaken. Wie nog wacht, heeft die voorrang niet. Verwar de blokken niet met een fietspad. Een fietspad is het deel van de openbare weg tussen twee evenwijdige witte onderbroken strepen, niet breed genoeg voor auto's. Het maakt geen deel uit van de rijbaan. Het is voorbehouden aan fietsen en aan tweewielige bromfietsen klasse A. Die strepen lopen langs de weg, evenwijdig met de rand. Elk stuk streep is ongeveer 0,15 m breed en ongeveer 1,25 m lang, met ongeveer 1,25 m tussenruimte. De blokken van de oversteek zijn dikker, ongeveer 0,50 m, en ze liggen dwars. Valkuil. Vierkanten of parallellogrammen dwars over de weg zijn de oversteek voor fietsers en tweewielige bromfietsen, geen zebrapad. Het zebrapad bestaat uit brede banden evenwijdig met de as van de rijbaan. In Antwerpen liggen twee rijen witte vierkanten dwars over de rijbaan. Voor wie is die oversteek? Hoe herken je het zebrapad, en waar stop je? De laatste dwarsmarkering is de bekendste: brede witte banden, evenwijdig met de as van de rijbaan. Dat is een oversteekplaats voor voetgangers. In de volksmond heet dat een zebrapad. De banden en de ruimte ertussen zijn ongeveer 0,50 m breed. Ze liggen in de richting waarin de auto's rijden. De voetganger steekt dwars over, van band naar band. Dat is net het omgekeerde van de oversteek voor fietsers, met die twee rijen blokken. Het bord wijst het zebrapad aan. Op het wegdek herken je het aan de brede witte banden in de rijrichting. Waar geen bevoegd persoon en geen verkeerslichten het verkeer regelen, nader je het zebrapad met matige snelheid. Je verleent voorrang aan voetgangers die al op het zebrapad zijn of op het punt staan erop te stappen. In Hasselt staat een voetganger op het trottoir, klaar om op het zebrapad te stappen. Jij stopt vóór de banden en laat hem oversteken. Hij hoeft nog niet midden op de rijbaan te staan. Regelt een bevoegd persoon het verkeer, of doen de verkeerslichten dat, dan laat je voetgangers die volgens de regels al op de rijbaan zijn hun oversteek toch afmaken, ook als jouw licht groen is. Is het verkeer in jouw richting gesloten en ligt er een zebrapad, dan stop je vóór dat zebrapad. Je rijdt het zebrapad niet op als het verkeer vastzit en je er waarschijnlijk zou moeten stoppen. Wacht vóór de banden tot er aan de overkant plaats is. Onthoud. Vier dwarsmarkeringen. Volle streep: stopstreep, stoppen aan de streep. Driehoeken: voorrang verlenen, alleen stoppen als het nodig is. Vierkanten of parallellogrammen: oversteek voor fietsers en tweewielige bromfietsen. Brede banden in de rijrichting: zebrapad. Je nadert in Mechelen een zebrapad zonder verkeerslichten. Een voetganger staat op het punt over te steken. Wat doe je? Vier markeringen, vier antwoorden op de vraag waar je stopt. Neem de kaarten nog eens door en doe daarna de quiz. Dan zet je je auto elke keer op de juiste plaats. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikelen 2.7, 40.4.1, 40.4.2, 40.5, 40ter, 43.3, 61.1, 72.1, 74 en 76 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, artikelen 16 en 18 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 76.1, 76.2, 76.4 en 76.3 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 18.1, 18.2, 18.4 en 18.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord B5, bord B1, bord F50 en bord F49 ## Andere wegmarkeringen: pijlen en schuine strepen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/andere-wegmarkeringen/ Hoofdstuk 4: Wegmarkeringen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Voorsorteringspijlen bepalen welke richting je op het kruispunt volgt. Rijstrookverminderingspijlen kondigen minder rijstroken in jouw richting en een doorlopende streep aan. Op witte schuine strepen mag je niet rijden, stilstaan of parkeren. Op een dambordmarkering mag je niet stilstaan of parkeren. Ze kan ook een overweg afbakenen. Bij rood blijf je met de auto vóór de eerste stopstreep van het opstelvlak voor fietsers. Hieronder leer je elke markering herkennen, en wat jij op die plek mag doen. Acht markeringen, en achter bijna elke markering zit een verbod. Je nadert een kruispunt in Gent. Op het wegdek zie je pijlen, witte woorden, schuine strepen en een fietssymbool. Kijk naar de vorm en de plaats. Een witte pijl zegt iets anders dan een wit vierkant. Welke rijstrook kies je bij voorsorteringspijlen? Witte voorsorteringspijlen staan op de rijstroken vóór een kruispunt. Ze tonen welke rijstrook je volgt voor de richting die je na het kruispunt wilt nemen. Kijk dus vooruit: rechtdoor, linksaf of rechtsaf? Op het kruispunt volg je een van de richtingen op de pijl van jouw rijstrook. Wijst die alleen naar rechts, dan sla je rechtsaf. Wijst ze rechtdoor én naar rechts, dan mag je een van die twee richtingen kiezen. Een andere richting nemen is verboden. De pijl verbiedt niet elke rijstrookwissel vóór het kruispunt. Van rijstrook veranderen mag nog over een onderbroken streep. Geef tijdig richting aan en laat bij die gewone rijstrookwissel de andere weggebruikers voorgaan. Een doorlopende streep mag je niet overschrijden. Kies vooraf je rijstrook. Op het kruispunt volg je een richting van de pijl op die rijstrook. Je rijdt het kruispunt op vanuit een rijstrook met alleen een pijl naar rechts. Mag je rechtdoor? Wat kondigen rijstrookverminderingspijlen aan? Rijstrookverminderingspijlen zijn ook wit, maar ze laten je geen richting na een kruispunt kiezen. Ze vullen de onderbroken streep aan die een doorlopende streep aankondigt. Verderop zijn er minder rijstroken die je in jouw rijrichting mag gebruiken. Zie je die pijlen, kijk dan waar jouw rijstrook naartoe leidt. Wacht niet tot een doorlopende streep jouw rijstrook van de andere scheidt. Zo'n streep mag je niet overschrijden. Bij sterk vertraagd verkeer op een rijstrook die ophoudt, geldt het ritsen. Je voegt pas vlak vóór de versmalling in. Bestuurders op de vrije rijstrook laten daar om de beurt één bestuurder invoegen. De pijl betekent dus niet dat je dan meteen moet invoegen. Verderop blijven er minder rijstroken over voor jouw rijrichting. Straks volgt een doorlopende streep. Onthoud. Een voorsorteringspijl helpt je kiezen waar je na het kruispunt heen gaat. Een rijstrookverminderingspijl waarschuwt dat het aantal bruikbare rijstroken in jouw richting afneemt en een doorlopende streep nadert. Je ziet rijstrookverminderingspijlen op het wegdek. Wat kondigen ze aan? Wat betekenen witte woorden op de rijbaan? Witte opschriften kunnen de aanwijzingen van verkeersborden herhalen. De richtingen kunnen op de rijstroken aangeduid staan. Zo kies je de juiste rijstrook. Lees het opschrift samen met de borden en de andere markeringen. Bij een halte voor autobussen, trolleybussen of trams kunnen witte opschriften de zone met parkeerverbod aangeven. Je mag niet parkeren binnen 15 meter aan weerszijden van het haltebord. Het opschrift maakt die zone herkenbaar. Valkuil. Een wit opschrift bij een halte is een parkeerverbod, geen busstrook. De busstrook hoort niet bij de rijbaan. Je herkent ze aan het busstrookbord, samen met brede witte onderbroken strepen of een dambord. Een busstrook gebruik je niet als gewone rijstrook. Andere voertuigen mogen ze wel in vier gevallen gebruiken: ze dwarsen (steken over) de strook op een kruispunt; ze dwarsen om een eigendom of een parkeerplaats langs de strook in te nemen of te verlaten; ze rijden erop om vlak bij een kruispunt van richting te veranderen; ze rijden erop om een hindernis op de rijbaan te ontwijken. Wie er nog mag rijden, staat op het bord of op een onderbord. Taxi's en voertuigen voor schoolvervoer mogen de busstrook tot 31 mei 2027 ook gebruiken als dat niet op het bord of het onderbord staat. Een opschrift bij de halte toont de zone waar parkeren verboden is. Dat is geen busstrook. Mag je op witte schuine strepen rijden? Definitie. Verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken kunnen op het wegdek aangeduid zijn met witte, evenwijdige schuine strepen. Als bestuurder mag je op die markeringen niet rijden, niet stilstaan en niet parkeren. Een verkeersgeleider leidt het verkeer. Dat kan een markering zijn, een verhoging op de rijbaan, of allebei. Een verdrijvingsvlak kan met dezelfde witte schuine strepen aangeduid zijn. Voor beide geldt hetzelfde verbod. Zo'n vlak is geen plek om even iemand te laten uitstappen. De duur verandert niets aan het verbod. Gebruik de strepen ook niet als extra rijstrook om een wachtende auto voorbij te rijden. Op de witte schuine strepen mag je niet rijden, stilstaan of parkeren. Je wilt op een verdrijvingsvlak even iemand laten uitstappen. Mag dat? Is een dambordmarkering altijd voor bussen? Een dambordmarkering bestaat uit witte vierkanten. Ze kan een bijzonder overrijdbare bedding afbakenen voor voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer. Ze kan ook de plaats afbakenen die zulke beddingen verbindt, of hun begin of einde aankondigen. En ze kan een overweg afbakenen. De bedding hoort niet bij de rijbaan. Je herkent ze aan het bord van de bijzondere overrijdbare bedding, samen met één of twee brede witte doorlopende strepen of met het dambord. Je gebruikt ze niet als rijstrook. Dwarsen mag op een kruispunt, en ook om een eigendom of parkeerplaats langs de bedding in te nemen of te verlaten. Een hindernis op de rijbaan mag je via de bedding ontwijken. Witte vierkanten kunnen bij een bedding horen. Hetzelfde dambord kan ook een overweg afbakenen. Op het examen. Op een dambordmarkering mag je niet stilstaan of parkeren, ook zonder bus of tram in zicht. Kijk naar het bord: hetzelfde dambord kan een bedding, een busstrook of een overweg zijn. Verwar de vierkanten niet met schuine strepen. Waar stop je bij een opstelvlak voor fietsers? Een opstelvlak voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen sluit aan op een fietspad. Je herkent het aan twee stopstrepen met daartussen een wit fietssymbool. Bij rood mogen die fietsers en bromfietsers daar vooraan wachten. Met de auto stop je tijdens de rode fase vóór de eerste stopstreep die je nadert. Je rijdt het vlak niet in om dichter bij het licht te wachten. Ook als er geen fietser staat, blijft jouw stopplaats dezelfde. Valkuil. Twee stopstrepen betekenen niet dat je als autobestuurder mag kiezen. Bij rood stop je vóór de eerste. Het vlak tussen beide strepen is de wachtplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Bij rood is de eerste stopstreep jouw grens. Fietsers en tweewielige bromfietsen wachten in het vlak. Bij groen mag je het verkeerslicht voorbijrijden. Je hoeft dan niet nog eens te stoppen voor het opstelvlak. Het licht is rood en het opstelvlak is leeg. Waar wacht je met de auto? Wat is een voorsorteringsstrook voor fietsers? Vóór een kruispunt kunnen aparte voorsorteringsstroken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen liggen. Ze kunnen met witte doorlopende strepen afgebakend zijn. Op de strook staan een wit fietssymbool en een richtingpijl. Deze stroken zijn voorbehouden voor die fietsers en bromfietsers. Je mag er met de auto niet op rijden. Ook niet wanneer je dezelfde richting uit moet en er naast die strook een rij wachtende auto's staat. Onthoud. Het opstelvlak is een wachtplaats bij rood, tussen twee stopstrepen. De voorsorteringsstrook helpt fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen een richting volgen. Zoek naast het fietssymbool naar de stopstrepen of naar de pijl. Waar zet je je auto bij parkeermarkeringen? In een parkeerstrook kunnen witte markeringen de plaatsen afbakenen waar voertuigen moeten staan. Zet je auto op de aangeduide plaats. Verwar de witte lijnen rond een parkeerplaats niet met de schuine strepen die een verdrijvingsvlak vullen. Deze witte markeringen tonen waar de voertuigen moeten staan. Welke markeringen moet je uit elkaar houden? Op een afbeelding staan soms verschillende markeringen samen. Tel de soorten, niet elk streepje apart. De vorm zegt welke soort je ziet: Stopstreep: een witte doorlopende streep, haaks op de rand van de rijbaan. Daar stop je voor het stopbord (het bord Stoppen en voorrang verlenen) of voor een verkeerslicht. Haaientanden: witte driehoeken. Daar stop je, zo nodig, om voorrang te verlenen volgens het bord voorrang verlenen. Oversteekplaats voor voetgangers, het zebrapad: witte banden liggen evenwijdig met de as van de rijbaan. Oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen: twee onderbroken strepen van witte vierkanten of parallellogrammen. Rijd je op het fietspad en is er zo'n oversteekplaats, dan moet je die gebruiken om de rijbaan over te steken. Dat geldt ook voor een tweewielige bromfiets. Je begeeft je er alleen voorzichtig op en houdt rekening met naderende voertuigen. Op het examen. Kijk eerst welke markering je ziet en voor wie ze bedoeld is. Bepaal daarna wat jij mag: rijden, stilstaan of parkeren. Is de plek voorbehouden aan iemand anders, dan is het antwoord voor jou bijna altijd een verbod. Pijlen, woorden, schuine strepen, damborden en fietsmarkeringen: je weet nu bij elke markering wat je wel en niet mag. Herhaal de kern met de herhalingskaartjes en maak daarna de quiz. Kijk bij elke vraag eerst naar de vorm en de plaats. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), artikelen 2.43, 12.4, 12bis, 13, 25.1, 43.3, 61.1, 72.2, 72.3, 72.5, 72.6, 76.1 tot 76.4, 77.1 tot 77.8 en 85.33, verkeersborden B1, B5, F17 en F18 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 77.2, 77.3, 77.4, 77.6, 77.7, 77.5, 76.2 en 76.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F17, bord F18, bord B1 en bord B5 ## Stilstaan of parkeren: verschil, verboden en afstanden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/stilstaan-en-parkeren/ Hoofdstuk 5: Stilstaan en parkeren Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Je staat stil zolang je personen laat in- of uitstappen of zaken laadt of lost. Blijf je langer, dan parkeer je. Stel je voertuig rechts op, evenwijdig met de rand. Bij eenrichtingsverkeer mag dat aan beide kanten, als de andere regels het toelaten. 5 m vóór een oversteekplaats op de rijbaan, en bij een kruispunt. 20 m vóór verkeerslichten en verkeersborden. De uitzonderingen staan hieronder. Bij parkeren: 15 m aan weerszijden van een haltebord, 1 m vóór en achter een ander voertuig en minstens 3 m vrije doorgang. Moeten voetgangers de berm volgen? Laat aan de buitenkant minstens 1,5 m begaanbare ruimte vrij. Het verschil, de verboden plaatsen en de afstanden staan hieronder. Je ziet een lege plek bij de bakker in Leuven. Je auto past erin. Maar mag je daar ook staan? Dat hangt af van wat je doet, waar je staat en hoeveel ruimte je vrijlaat. Sta ik stil of ben ik aan het parkeren? Definitie. Een stilstaand voertuig staat niet langer stil dan nodig om personen te laten in- of uitstappen of zaken te laden of lossen. Blijf je langer staan dan daarvoor nodig is, dan is je voertuig geparkeerd. Een vriend stapt uit en je vertrekt meteen: stilstaan. Je gaat brood kopen: parkeren. Er bestaat geen vaste grens van enkele seconden of minuten. Wat je doet bepaalt het verschil, niet alleen hoelang je blijft. Zaken laden of lossen is stilstaan, ook als je daarvoor uitstapt. Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen telt wel als parkeren. Iemand laten uitstappen is stilstaan. Naar de bakker gaan is parkeren. Rijbewijs B Theorie Je laat een vriend uitstappen en vertrekt meteen. Je auto is dan... Hoe stel ik mijn auto op? Kies de rechterkant in je rijrichting. Op een rijbaan met eenrichtingsverkeer mag je beide kanten gebruiken. Dat heft andere verboden niet op: een trottoir wordt daardoor geen parkeerplaats. Stel je auto buiten de rijbaan op, op de gelijkgrondse berm: de berm die op dezelfde hoogte ligt als de rijbaan. Buiten de bebouwde kom mag dat op elke berm. Moeten voetgangers die berm volgen, dan laat je aan de buitenkant minstens 1,5 m begaanbare ruimte vrij. De vrije strook voor voetgangers ligt aan de buitenkant, weg van de rijbaan. Is de berm te smal om te parkeren? Zet je auto deels op de berm en deels op de rijbaan. Is er geen bruikbare berm, dan parkeer je op de rijbaan, voor zover dat daar mag. Voor stilstaan gebruik je bij een te smalle berm deels de berm en deels de zijdelingse strook, of deels de rijbaan als die strook er niet is. Die strook ligt naast de middenrijbaan, afgebakend met witte onderbroken strepen. Zonder bruikbare berm gebruik je de strook, en de rijbaan alleen als ze er niet is. Parkeren mag er niet. Sta je op de rijbaan? Blijf zo ver mogelijk van de as, evenwijdig met de rand en in één rij, behalve bij een bijzondere plaatsaanleg. Langs de rijbaan: evenwijdig met de rand, in één rij. Valkuil. De vrije strook van 1,5 m voor voetgangers op een berm geeft je geen toestemming om op een trottoir te staan. Voor een auto zijn stilstaan en parkeren daar verboden, tenzij een plaatselijke regeling of een bord het toelaat. Je rijdt in een eenrichtingsstraat. Aan welke kant mag je je auto opstellen als geen andere regel het verbiedt? En met een motorfiets, fiets of bromfiets? Een motorfiets zonder zijspan of aanhangwagen mag haaks op de rand van de rijbaan parkeren, zolang ze de parkeermarkering niet overschrijdt. Motorfietsen mogen ook buiten de rijbaan en de parkeerstroken staan, ook op een trottoir, zonder het verkeer van anderen te hinderen of onveilig te maken. Een fiets, een voortbewegingstoestel of een tweewielige bromfiets die niemand berijdt, telt niet als voertuig. Zet ze buiten de rijbaan en de parkeerstroken, zonder hinder of gevaar. Een onderbord, een symbool op de grond of een rek wijst hun plaats aan. Een voortbewegingstoestel voor iemand met verminderde mobiliteit mag altijd buiten de rijbaan en de parkeerstroken staan. Het fietssymbool wijst plaatsen voor fietsen aan. Kijk welke voertuigen zijn afgebeeld. Rijbewijs B Theorie Waar mag ik zelfs niet even stilstaan? Je mag niet stilstaan of parkeren waar je voertuig duidelijk gevaar kan opleveren of anderen onnodig hindert. Daarvoor hoeft geen verbodsbord te staan. Ook iemand snel laten uitstappen mag daar niet. Op trottoirs, en binnen de bebouwde kom op verhoogde bermen, tenzij een plaatselijke regeling of een bord het toelaat. Op fietspaden, op oversteekplaatsen voor voetgangers en op oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Op overwegen en op verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken met witte schuine strepen. Op de rijbaan in een onderbrugging (de weg loopt er onder een andere weg door), in een tunnel en onder een brug. Alleen onder een brug kan een plaatselijke regeling een uitzondering maken. Op de rijbaan nabij een hellingtop en in een bocht wanneer het zicht onvoldoende is. Op verhoogde inrichtingen, een verhoging dwars op de weg om de snelheid te matigen, tenzij een plaatselijke regeling het toelaat. Op een autosnelweg of autoweg mag je niet stilstaan of parkeren, vanaf het beginbord tot het eindbord, oprit inbegrepen. Uitzondering: parkeerstroken met het bord parkeren toegelaten. Bij een defect op de pechstrook zet je de auto veilig, signaleer je hem en draag je buiten de auto een retroreflecterend veiligheidsvest. Stilstaan en parkeren verboden: ook iemand laten uitstappen mag hier niet. Dit bord verbiedt stilstaan én parkeren. Bij het bord parkeerverbod mag je nog even iemand laten uitstappen. Een opschrift kan de uren beperken. Onthoud. Bekijk bij een foto eerst de ruimte rond de auto. Ontstaat er duidelijk gevaar? Hindert de auto anderen onnodig? Dan mag hij daar niet stilstaan of parkeren, ook zonder verbodsbord. Waar gelden de vijf en de twintig meter? Voor stilstaan én parkeren gelden deze verboden. Meet telkens vanaf de juiste plaats: Op de rijbaan op minder dan 5 m vóór een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Op minder dan 5 m van de plaats waar fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen het fietspad moeten verlaten om op de rijbaan te rijden, of de rijbaan moeten verlaten om op het fietspad te rijden. Bij een kruispunt op minder dan 5 m van de verlenging van de dichtstbijzijnde rand van de dwarsrijbaan, tenzij een plaatselijke regeling iets anders bepaalt. Op minder dan 20 m vóór verkeerslichten op een kruispunt, tenzij een plaatselijke regeling iets anders bepaalt. Op minder dan 20 m vóór verkeerslichten buiten kruispunten en vóór verkeersborden, met de hoogte-uitzondering hieronder. Valkuil. Bij verkeersborden en bij verkeerslichten buiten kruispunten vervalt de 20 m als je voertuig, lading inbegrepen, niet hoger is dan 1,65 m én de onderkant van het bord of licht minstens 2 m boven de rijbaan staat. Bij lichten op een kruispunt geldt die uitzondering niet. Vóór betekent: vóór het licht, het bord of de oversteekplaats, in je rijrichting. De vijf meter vóór een oversteekplaats geldt dus niet automatisch erachter. Andere verboden kunnen daar wel gelden. Je wil op de rijbaan vóór een oversteekplaats voor voetgangers parkeren. Welke minimumafstand geldt daar? Waar is alleen parkeren verboden? Hieronder gaat het om parkeerverboden. Stilstaan kan nog, tenzij een andere regel, gevaar of onnodige hinder het verbiedt. Op minder dan 1 m vóór of achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, of waar je het instappen in of wegrijden van een ander voertuig verhindert. Op minder dan 15 m aan weerszijden van een haltebord voor bus, trolleybus of tram. Voor de inrij van een eigendom, de toegang voor auto's, behalve met het voertuig waarvan de nummerplaat leesbaar op die inrij staat. Waar voetgangers, fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten gebruiken om een hindernis te omzeilen. Waar je de toegang tot parkeerplaatsen buiten de rijbaan belemmert, of de doorgang van spoorvoertuigen. Als de vrije doorgang op de rijbaan smaller zou worden dan 3 m. Laat bij parkeren minstens een meter vóór en achter een ander voertuig. Ook de inrichting van de weg kan parkeren verbieden: Buiten de bebouwde kom, op de rijbaan van een weg met het bord voorrangsweg. Buiten de bebouwde kom, links langs een rijbaan van een weg met twee rijbanen, en op de middenberm die ze scheidt. Op een rijbaan verdeeld in rijstroken, behalve waar het bord parkeren toegelaten staat, of het bord dat parkeren uitsluitend toelaat voor motorfietsen, personenauto's, auto's voor dubbelgebruik en minibussen. Op de rijbaan langs een gele onderbroken streep. Bij tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, als twee andere voertuigen daardoor moeilijk kunnen kruisen. Op de middelste rijbaan van een weg met drie rijbanen. Op zijdelingse stroken. Op plaatsen voorbehouden voor personen met een handicap, behalve voor voertuigen gebruikt door personen met een handicap die de speciale kaart hebben. Je mag op de openbare weg ook geen voertuigen te koop of te huur tentoonstellen. In een voetgangerszone is parkeren verboden. Stilstaan kan er niet zomaar: alleen voetgangers hebben er toegang. Mag je er volgens de borden laden of lossen, dan rijd je stapvoets en hinder je de voetgangers niet. Op het examen. Lees precies wat je wil doen. Iemand laten uitstappen bij een haltebord is iets anders dan daar wachten. Het eerste is stilstaan, als geen andere regel het verbiedt. Het tweede is parkeren, en dat mag binnen 15 m niet. Welke afstand hoort bij welke situatie? Koppel elk getal aan de plaats én de handeling: oversteekplaats of kruispunt is 5 m, licht of bord is 20 m, haltebord is 15 m en dan alleen voor parkeren. Afstand | Waar? | Waarvoor? | 5 m | Op de rijbaan vóór oversteekplaatsen; bij de overgang tussen fietspad en rijbaan; vanaf de verlenging van de rand bij kruispunten | Stilstaan en parkeren. Bij kruispunten kan een plaatselijke regeling afwijken | 20 m | Vóór verkeerslichten en verkeersborden | Stilstaan en parkeren, met de uitzonderingen hierboven | 15 m | Aan weerszijden van een haltebord | Parkeren | 3 m | Vrije doorgang op de rijbaan | Parkeren | 1,5 m | Buitenste begaanbare strook op een berm die voetgangers moeten volgen | Stilstaan en parkeren | 1 m | Vóór en achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig | Parkeren | Je wil vóór een verkeerslicht op een kruispunt iemand laten uitstappen. Er geldt geen plaatselijke uitzondering. Welke minimumafstand geldt vóór het licht? Vraag eerst wat je doet, kijk waar je staat en meet vanaf het juiste punt. Herhaal de kernregels en doe daarna de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 2.3, 2.15.1, 2.15.2, 2.17, 2.22, 2.23, 2.74, 21.4, 22.2, 22sexies, 23.1, 23.2, 23.3, 23.4, 24, 25.1, 25.2, 27.4.3, 51.1, 51.4, 70.2.1, 75.1, 75.2, 75.3, 77.4 en 77.5, en de verkeersborden E1, E3, E9a, E9b, E9e, E9f, B9, F5 en F7 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord E1, bord E3, bord E9e, bord E9f, bord F5, bord F7, bord B9, bord E9a en bord E9b ## Blauwe zone: parkeerschijf, uren en valkuilen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/blauwe-zone-en-parkeerschijf/ Hoofdstuk 5: Stilstaan en parkeren Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Blauwe zone: parkeerschijf zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit, op werkdagen van 9 uur tot 18 uur, hoogstens twee uur, tenzij de borden iets anders zeggen. De pijl zet je op het streepje dat volgt op je aankomst. Je draait de schijf niet bij zolang de auto blijft staan. Halfmaandelijks: van de 1e tot de 15e langs de onpare nummers, daarna langs de pare. Wissel op de laatste dag, tussen 19.30 uur en 20 uur. Op de openbare weg: 24 uur voor een motorvoertuig dat niet meer kan rijden en voor een aanhangwagen, 8 uur in de bebouwde kom boven 7,5 ton, 3 uur voor een reclamevoertuig. Pechstrook: er niet op rijden, behalve prioritaire voertuigen op dringende opdracht, opgeroepen diensten en takelwagens. Bij pech: veiligheidsvest zodra je uitstapt. Elke regel in detail, de borden en de valkuilen: alles staat hieronder. Een plek vinden is het makkelijke deel. Of je er mag blijven, hoe lang, en wat er achter je voorruit moet liggen: dat moet je voor het examen weten. Blauwe zone, schijf, kapotte automaat, bewonerskaart, pare of onpare kant. Hoe werkt halfmaandelijks beurtelings parkeren? In een woonstraat in Gent staan de auto's soms maar aan één kant. De toegestane kant wisselt twee keer per maand. De borden tonen welke helft. Het ene verbiedt parkeren van de 1e tot de 15e van de maand. Het andere verbiedt parkeren van de 16e tot het einde van de maand. Zo'n bord geldt aan de kant waar het staat, vanaf het bord tot het volgende kruispunt, en alleen op de rijbaan. Deze borden tonen in welke helft van de maand parkeren aan die kant verboden is. Staat boven de borden die het begin van de bebouwde kom aanduiden het bord voor halfmaandelijks parkeren in gans de bebouwde kom, dan geldt de regeling op alle rijbanen van die kom. Dan parkeer je op de rijbaan zo: van de 1e tot de 15e alleen langs de gebouwen met onpare nummers; van de 16e tot het einde van de maand alleen langs de gebouwen met pare nummers; geen huisnummer aan één kant: die kant telt als onpaar als de overkant pare nummers heeft, en als paar als de overkant onpare nummers heeft; je wisselt van kant op de laatste dag van elke periode, tussen 19.30 uur en 20 uur. Dit geldt niet buiten de rijbaan, aan één kant of aan beide, en niet waar een plaatselijk reglement andere regels oplegt. Onthoud. Halfmaandelijks: van de 1e tot de 15e langs de onpare nummers, van de 16e tot het einde langs de pare nummers. Je wisselt op de laatste dag, tussen 19.30 uur en 20 uur. De 1 is onpaar, dus de eerste helft staat aan de onpare kant. Halfmaandelijks beurtelings parkeren, het is de 20e. Aan welke kant parkeer je op de rijbaan? Wat is een blauwe zone, en hoe leg je de parkeerschijf? Definitie. Een blauwe zone is een zone met beperkte parkeertijd. Begin en einde staan op borden die parkeren toegelaten en de parkeerschijf tonen. Op werkdagen, van 9 uur tot 18 uur, is de schijf verplicht, voor hoogstens twee uur, tenzij de borden andere voorwaarden tonen. Begin en einde van een blauwe zone: je ziet parkeren toegelaten en de parkeerschijf. De plicht geldt als je er een auto, een vierwielige bromfiets, een driewieler met motor of een vierwieler met motor parkeert. Een gewone motorfiets staat niet in die lijst. je legt een parkeerschijf zichtbaar aan de binnenkant van de voorruit, of vooraan als er geen voorruit is; de pijl staat op het streepje dat volgt op je aankomst; geen foute aanduiding, en je wijzigt de schijf niet voor je wegrijdt; je verlaat de plaats uiterlijk als de toegestane tijd om is. Zonder andere tekst op de borden: werkdagen, van 9 uur tot 18 uur, hoogstens twee uur. De borden kunnen andere dagen, uren of een andere duur tonen. Staat er een dag op het bord, dan geldt de schijf ook die dag. Buiten de zone gelden dezelfde regels bij de borden voor de eerste en de tweede helft van de maand en bij een bord dat parkeren toelaat of de manier van parkeren regelt, zodra een onderbord de parkeerschijf toont. Valkuil. De pijl gaat op het streepje dat volgt op je aankomst, niet op het uur zelf. Je mag de schijf niet bijstellen zolang de auto op dezelfde plaats staat. Een foute aanduiding is verboden. Je komt in Leuven aan om 14.10 uur in een blauwe zone. Waar zet je de pijl van de parkeerschijf? Voor je zo'n vraag beantwoordt, kijk je drie dingen na in de opgave: het uur, de duur en de dagen. De fout zit in het detail dat je overslaat. Wanneer hoef je de parkeerschijf niet te gebruiken? De regels van de blauwe zone gelden niet overal. Drie gevallen moet je kennen. Waar een bord staat dat parkeren toelaat of de manier van parkeren regelt, tenzij een onderbord de parkeerschijf toont. Zonder die schijf op het bord volg je dat bord, niet de zone. Waar een bijzondere regeling geldt voor wie een gemeentelijke parkeerkaart heeft. Je legt die kaart aan de binnenkant van de voorruit, of vooraan als er geen voorruit is. De kaart vervangt de parkeerschijf. Voor een voertuig dat staat voor de inrij van een eigendom, als de nummerplaat van dat voertuig leesbaar op die inrij staat. De beperkte parkeertijd geldt dan niet. Staat de parkeerschijf op het bord of op het onderbord, dan is de schijf verplicht. Parkeren voor de inrij is verboden, behalve als de nummerplaat van dat voertuig leesbaar op de inrij staat. Zonder die plaat mag je de inrij niet blokkeren. De parkeerautomaat is stuk. Wat nu? Op een plaats met een parkeermeter of een parkeerautomaat parkeer je zoals het toestel het zegt. toestel in gebruik: je volgt wat erop staat, zonder schijf, ook in een blauwe zone; toestel buiten gebruik: je gebruikt de parkeerschijf, met de regels van de beperkte parkeertijd; je blijft niet langer dan de maximale tijd van dat toestel; meerdere motorfietsen in één vak voor één auto: je betaalt één keer voor dat vak. Bij een parkeermeter of parkeerautomaat volg je wat op het toestel staat. Valkuil. Een parkeermeter of parkeerautomaat buiten gebruik is niet gratis en niet verboden. Je legt de parkeerschijf en volgt de gewone regels van de blauwe zone. Een onderbord met de vermelding betalend vraagt een betaalparkeerkaart, goed zichtbaar, zoals de kaart het zegt. Ze mag het toestel vervangen, maar niet langer dan de maximale tijd ervan. Geldt er een gemeentelijke parkeerkaart, dan leg je die aan de binnenkant van de voorruit. De parkeerautomaat in Brugge is buiten gebruik. Wat doe je? Wie mag op een voorbehouden plaats staan? De beperking van de parkeertijd geldt niet voor een voertuig dat een persoon met een handicap gebruikt, als de speciale kaart aan de binnenkant van de voorruit staat. Die kaart vervangt de schijf. Een document uit een ander land telt mee als de overheid van dat land het afgaf en het internationale symbool erop staat. Plaatsen met dat symbool zijn voorbehouden voor zo'n voertuig, met de kaart zichtbaar op de voorruit. Voor een ander voertuig is parkeren daar verboden. De speciale kaart hoort aan de binnenkant van de voorruit. Zonder kaart is de plaats niet voor jou. Drie onderborden houden een plaats vrij. De kaart ligt leesbaar aan de binnenkant van de voorruit: parkeerkaart: de gemeentelijke parkeerkaart; bewoners: de bewonerskaart; autodelen: de parkeerkaart voor autodelen. De bewonerskaart is voor wie zijn hoofdverblijfplaats of domicilie heeft in de gemeente, zone of straat op de kaart. Naast de plaats wonen volstaat niet. Autodelen is om de beurt een auto gebruiken, tegen betaling, via een vereniging. Een huurauto telt niet, iemand meenemen ook niet. In een woonerf geldt hetzelfde als daar de letter P staat met het woord parkeerkaart, bewoners of autodelen. Controleert de gemeente via de nummerplaat, dan hoef je geen gemeentelijke parkeerkaart, bewonerskaart of kaart voor autodelen op de ruit te leggen. Die controle dekt beperkte parkeertijd, betalend parkeren en voorbehouden plaatsen. De speciale kaart blijft wel nodig. Definitie. Vier kaarten horen zichtbaar in het voertuig: de gemeentelijke parkeerkaart, de bewonerskaart, de parkeerkaart voor autodelen en de speciale kaart. Bij controle via de nummerplaat hoeven de eerste drie niet op de ruit. Hoe lang mag een voertuig op de openbare weg blijven? Ook waar parkeren mag, is de openbare weg geen garage. Drie maximumtijden staan vast. Het is verboden: een motorvoertuig dat niet meer kan rijden, en een aanhangwagen, langer dan 24 uur na elkaar op de openbare weg te laten parkeren; in de bebouwde kom een auto, een sleep of een aanhangwagen met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton langer dan 8 uur na elkaar te laten parkeren; een reclamevoertuig langer dan 3 uur na elkaar op de openbare weg te laten parkeren. Die 8 uur gelden niet bij het bord parkeren toegelaten, bij het bord voor alleen lichte vrachtauto's en vrachtauto's, of bij het bord voor alleen autocars. Op het examen. Ken 24, 8 en 3. 24 uur: een motorvoertuig dat niet meer kan rijden, en een aanhangwagen. 8 uur: in de bebouwde kom, meer dan 7,5 ton. 3 uur: een reclamevoertuig, ook als het niemand hindert. Een motorvoertuig dat niet meer kan rijden, mag niet langer dan 24 uur na elkaar op de openbare weg blijven. Wat mag je wel en niet op de pechstrook? De pechstrook is de strook rechts van de rijbaan van de autosnelweg of de autoweg. Je mag er niet op rijden, behalve in drie gevallen: prioritaire voertuigen die een dringende opdracht uitvoeren; personen of diensten die het openbaar ministerie of de politie oproept, bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer, op weg naar een incident; takelwagens, in datzelfde geval. Stilstaan of parkeren op de autosnelweg en op de autoweg is verboden, behalve op parkeerstroken die het bord parkeren toegelaten aanduidt. Valt je voertuig daar stil op een plek waar je niet mag stoppen of parkeren, dan trek je een retro-reflecterende veiligheidsvest aan zodra je uitstapt. Je wilt op de pechstrook bij Kortrijk een bericht lezen. Mag dat? Schijf, van kant wisselen, kaarten en de drie tijden: de herhaling hieronder zet ze op kaartjes. Daarna test je ze in de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), artikelen 2.50 tot 2.53, 2.62, 9.7, 21.4, 22.2, 25.1, 26, 27, 27bis, 27ter, 27quater, 51.4, 65.5 en 70.2 tot 70.3 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 26.1, 26.2, 70.2.1, 70.2.2, 27.1, 27.2, 27.6, 27.3, 27.4, 2.51, 2.52 en 27.5 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord E5, bord E7, bord E11, bord E9a, bord E9c en bord E9d ## Snelheidsbeperkingen in Vlaanderen: theorie rijbewijs B Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsbeperkingen/ Hoofdstuk 6: Snelheid Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden In de bebouwde kom geldt normaal 50 km/u. Let op borden die een andere snelheid aangeven. Buiten de bebouwde kom geldt op gewone wegen 70 km/u. Voor 90 km/u moet er een snelheidsbord staan. Met de auto mag je normaal 120 km/u op een autosnelweg. Buiten de bebouwde kom geldt 120 ook op wegen met minstens twee rijstroken per richting en een middenberm. Een bromfiets klasse A mag 25 km/u, klasse B 45 km/u. Sommige bijzondere voertuigen hebben een grens van 40 km/u. Je past je snelheid aan zodra het weer, het verkeer of de toestand van de weg of je voertuig dat vraagt. Kijk eerst of je binnen of buiten de bebouwde kom rijdt, dan naar de weg en de borden, en ten slotte naar je voertuig. Je rijdt buiten Leuven op een gewone weg. Zonder snelheidsbord geldt 70 km/u. Even verder staat een rond bord met 90: daar mag je met dezelfde auto sneller. Hoe vind je telkens de juiste grens? Waarom moet ik soms onder de maximumsnelheid blijven? Definitie. Met aangepaste snelheid bedoelen we een snelheid die bij de omstandigheden past. Je moet je voertuig onder controle houden en kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Hoe sneller je rijdt, hoe langer je remafstand en hoe minder tijd je hebt voordat je een hindernis bereikt. Houd daarom voldoende veiligheidsafstand tot je voorligger, rekening houdend met je snelheid. Je moet voortdurend de nodige rijbewegingen kunnen uitvoeren. Je snelheid mag geen ongevallen veroorzaken of het verkeer hinderen. Ook wanneer je onder de aangegeven maximumsnelheid blijft, moet je dus blijven beoordelen of je veilig rijdt. Je moet je voertuig voortdurend onder controle houden. Valkuil. De maximumsnelheid is een bovengrens, geen snelheid die je moet halen. Regen, mist, een bocht, kinderen langs de weg of een zwaar geladen voertuig kunnen je verplichten om trager te rijden dan het bord toelaat. Wanneer moet ik vertragen? Een snelheidsbord houdt geen rekening met wat er op dit moment voor je gebeurt. Je stemt je snelheid af op: Andere weggebruikers, vooral kwetsbare mensen zoals kinderen, fietsers en mensen die moeilijk stappen. Weer en zicht: bijvoorbeeld regen, sneeuw, ijzel, mist, wind of weinig licht. De plaats en het wegdek: denk aan bochten, kruispunten, de top van een helling of een versmalling door werken. De verkeersdrukte en de ruimte tot je voorligger. De staat en de lading van je voertuig. Bij voetgangers vlak naast de rijbaan kan ook 30 km/u te snel zijn. Rijbewijs B Theorie; officiële verkeersborden: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Nader je trekdieren, lastdieren, rijdieren of vee op de openbare weg? Vertraag. Vertonen ze tekenen van angst, dan moet je stoppen. Denk bijvoorbeeld aan een paard met een ruiter. Je rijdt op een weg waar 70 km/u geldt. Door hevige regen zie je nauwelijks vooruit. Wat doe je? Onthoud. Je mag een bestuurder niet aansporen of uitdagen om overdreven snel te rijden, ook niet als passagier. Dat is een overtreding van de vierde graad. Hoe snel mag ik in de bebouwde kom? In de bebouwde kom geldt normaal 50 km/u. De begin- en eindeborden bakenen die af. Een rond snelheidsbord kan op een weg een lagere of hogere snelheid aangeven. Staat 30 boven het beginbord, dan geldt die beperking op alle openbare wegen binnen de bebouwde kom. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Een gewoon rond snelheidsbord geldt tot en met het volgende kruispunt. Het kan eerder eindigen bij een nieuw snelheidsbord, ook een zonebord, of bij het begin of einde van een bebouwde kom, woonerf, erf of voetgangerszone. Ook een bord einde van de snelheidsbeperking beëindigt die beperking. Daarna zoek je opnieuw welke regel voor die plaats geldt. Het einde van een beperking geeft je geen onbeperkte snelheid. Op het examen. Een fout antwoord over de toegelaten maximumsnelheid kost 5 punten op het theorie-examen voor rijbewijs B. Lees dus zowel het soort weg als het voertuig in de vraag zorgvuldig. Je rijdt met de auto in de bebouwde kom van Mechelen. Er geldt geen bijzondere zone of andere aangeduide snelheid. Wat is het maximum? Waar geldt 30 of 20 km/u? In een zone 30 geldt 30 km/u tot het eindebord, ook voorbij kruispunten. Een schoolomgeving is afgebakend met zoneborden. Bij het beginbord staat ook het gevaarsbord dat waarschuwt voor een plaats waar speciaal veel kinderen komen. De zone 30 loopt door tot het eindebord. Deze combinatie duidt een schoolomgeving aan. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) In een woonerf of erf mag je hoogstens 20 km/u rijden. Voetgangers mogen er de hele breedte van de openbare weg gebruiken en spelen is toegestaan. Tussen deze borden geldt 20 km/u. Verlaat je een zone 30 of een erf binnen een bebouwde kom waar normaal 50 geldt? Dan geldt opnieuw 50 km/u, tenzij andere borden een andere snelheid aangeven. In een fietszone geldt maximaal 30 km/u. Met de auto mag je er geen fietsers inhalen. Je kunt nog borden met het opschrift Fietsstraat tegenkomen: die mogen tot 1 januari 2035 een fietszone aanduiden. Ook met het oudere opschrift geldt de regeling voor een fietszone. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Onthoud. Een snelheidszone begint bij een zonebord met een rond snelheidsbord. Die zonesnelheid blijft gelden tot het eindebord. Staat binnen die zone een gewoon rond bord met een lagere snelheid? Vanaf het volgende kruispunt geldt opnieuw de zonesnelheid. Op wegen voorbehouden voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs geldt 30 km/u. Dat geldt ook voor de voorbehouden wegen waarop landbouwvoertuigen toegelaten zijn. Met een auto mag je er niet zomaar in: in principe zijn alleen de weggebruikers toegelaten van wie het symbool op het bord bij de toegang staat. Op een voorbehouden weg geldt maximaal 30 km/u. De symbolen op het bord tonen wie er mag rijden. Hoe snel mag ik buiten de bebouwde kom? Voor een gewone personenauto gebruik je dit overzicht. Een lagere aangeduide snelheid blijft gelden. Let vooral op wat de twee rijrichtingen van elkaar scheidt. Weg buiten de bebouwde kom | Maximumsnelheid voor de auto | Gewone weg | 70 km/u, 90 met een snelheidsbord 90 | Minstens twee rijstroken per richting, alleen wegmarkeringen ertussen | 70 km/u, 90 met een snelheidsbord 90 | Minstens twee rijstroken per richting, gescheiden door een middenberm | 120 km/u | Autosnelweg | 120 km/u | Op een gewone weg is voor 90 km/u een snelheidsbord nodig. Een autosnelweg en een autoweg zijn verschillend. Het bord autoweg bepaalt op zichzelf geen snelheid. Valkuil. Voor 120 km/u buiten de autosnelweg heb je minstens twee rijstroken per richting én een middenberm nodig. Een middenberm is elke aanleg in de lengterichting die de rijbanen scheidt, behalve wegmarkeringen. Alleen witte strepen tussen beide richtingen volstaan dus niet. Je rijdt buiten de bebouwde kom: twee rijstroken per richting, alleen witte strepen ertussen, geen snelheidsbord of zone. Hoe snel mag je met de auto? Heeft mijn voertuig een eigen maximum? Een bromfiets klasse A mag maximaal 25 km/u, een bromfiets klasse B maximaal 45 km/u. Onthoud: A komt vóór B en heeft ook de laagste maximumsnelheid. Klasse A: maximaal 25 km/u. Klasse B: maximaal 45 km/u. Voor voertuigen met cushionbanden, elastische of onbuigzame banden en voertuigen die oorspronkelijk zonder ophanging gebouwd zijn, geldt de grens uit het technisch reglement. Is daar geen grens vastgelegd, dan geldt 40 km/u. Onthoud. Een lagere plaatselijke beperking blijft gelden. Met een bromfiets klasse B mag je in een zone 30 dus maar 30 km/u rijden. Het eigen maximum van 45 geeft geen uitzondering. Bij een speed pedelec stopt de trapondersteuning uiterlijk bij 45 km/u; bij een gewone elektrische fiets bij 25. Dat zijn grenzen voor de ondersteuning. Je moet ook met die fietsen de plaatselijke maximumsnelheid respecteren. Je rijdt met een bromfiets klasse B op een weg waar 50 km/u geldt. Wat is je maximum? En vrachtwagens, autobussen en autocars? Voor zware voertuigen telt de maximaal toegelaten massa (MTM). Een sleep is een groep aan elkaar gekoppelde voertuigen, zoals een auto met aanhangwagen. Een autobus vervoert ook staande passagiers, een autocar alleen zittende. Voertuig buiten de bebouwde kom | Autosnelweg | Minstens twee rijstroken per richting en een middenberm | Gewone weg zonder bord 90 | Personenauto | 120 km/u | 120 km/u | 70 km/u | Voertuig of sleep met een MTM boven 3,5 ton tot en met 7,5 ton | 90 km/u | 90 km/u | 70 km/u | Voertuig of sleep met luchtbanden en een MTM boven 7,5 ton | 90 km/u | 90 km/u | 60 km/u | Autobus | 90 km/u | 90 km/u | 70 km/u | Autocar met een veiligheidsgordel op alle zitplaatsen en een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u | 100 km/u | 90 km/u | 70 km/u | Zonder bord 90 gelden op een weg met minstens twee rijstroken per richting en alleen wegmarkeringen ertussen dezelfde grenzen als in de laatste kolom. Staat er een bord 90? Op een gewone weg mag een autobus of autocar dan maximaal 75 km/u en een voertuig of sleep met luchtbanden en een MTM boven 7,5 ton maximaal 60 km/u: hun eigen grens blijft gelden. Op een weg met minstens twee rijstroken per richting en alleen wegmarkeringen ertussen mogen ze met een bord 90 wel 90 km/u. Controleer bij elke situatie of je binnen of buiten de bebouwde kom rijdt, wat de weg en de borden zeggen en welk voertuig je bestuurt. Pas daarna je snelheid aan de omstandigheden aan. Herhaal de cijfers met de herhalingskaarten en controleer met de quiz of je ze kunt toepassen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 2.15.1, 2.15.3, 2.17, 2.25, 2.37, 2.44, 2.65, 2.66, 8.3, 10, 11.1, 11.2, 11.3, 22bis, 22quater, 22quinquies, 22octies, 22novies, 65.5 en 85.32. Wegcode, Vlaamse versie: verkeersborden A23, C43, C45, F1a, F1b, F3a, F3b, F4a, F4b, F5, F7, F9, F12a, F12b, F99a, F99c en F111. Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer: artikel 4. GOCA Vlaanderen, Doc. 130, Theorie-examen, Vlaams Gewest, 18 augustus 2026: beoordeling van snelheidsovertredingen bij categorie B. Vlaanderen.be, Theorie-examen voor rijbewijs B, corpuskopie van 21 oktober 2026: 5 punten verlies bij een fout over de toegelaten maximumsnelheid. Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 10.4 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F1a, bord F1b, bord F3a, bord F3b, bord C43, bord C45, bord F4a, bord F4b, bord A23, bord F12a, bord F12b, bord F111, bord F99a, bord F99c, bord F5 en bord F9 ## Te snel rijden: boete, intrekking en verval Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/snelheidsovertredingen/ Hoofdstuk 6: Snelheid Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een klein verschil is een onmiddellijke inning: 58 euro voor de eerste 10 km/u te snel, daarna telt elke km/u extra. Meer dan 20 km/u te snel in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf (meer dan 30 elders): je rijbewijs kan dezelfde dag weg. Meer dan 30 km/u te snel op die plaatsen (meer dan 40 elders): geen onmiddellijke inning meer, je komt voor de politierechtbank. De rechter kan een verval van het recht tot sturen uitspreken, van acht dagen tot vijf jaar. Rijbewijs B van minder dan twee jaar: kan de snelheidsovertreding tot een verval leiden, dan moet de rechter het uitspreken en leg je minstens een examen opnieuw af. De bedragen, de drempels en de valkuilen voor het theorie-examen staan hieronder. Meer dan 20 km/u te snel in de stad, en je kunt je rijbewijs ter plaatse kwijt zijn. Niet na een lang proces: dezelfde dag. Te snel rijden lijkt niet erg, tot je de trap ziet: bedrag, intrekking, rechter, verbod. Hier staan de cijfers voor het theorie-examen. Te snel rijden kost je niet alleen geld: je rijbewijs kan dezelfde dag weg zijn. Hoeveel betaal ik als ik te snel rijd? Definitie. De onmiddellijke inning is het bedrag dat je betaalt om een gewone snelheidsovertreding af te sluiten, zonder voor de rechter te komen. Voor snelheid gelden deze bedragen sinds 1 juli 2026. 58 euro voor de eerste 10 km/u boven de toegelaten maximumsnelheid; daarboven 12 euro per km/u in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf; 7 euro per km/u op elke andere weg, ook op de autosnelweg; bovenop het bedrag een administratieve toeslag, elk jaar aangepast. Stel: in de bebouwde kom van Gent rijd je 65 km/u waar 50 geldt. Dat is 15 km/u te snel. De eerste 10 km/u kosten 58 euro. De 5 km/u daarboven kosten elk 12 euro. Samen is dat 118 euro. Onthoud. Sinds 1 juli 2026: 58 euro voor de eerste 10 km/u te snel. Daarna 12 euro per km/u in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf, en 7 euro per km/u op elke andere weg. In de bebouwde kom word je geflitst aan 65 km/u, waar 50 geldt. Hoeveel is de onmiddellijke inning? Wanneer kan mijn rijbewijs meteen weg? Boven een drempel is betalen niet altijd genoeg. Je rijbewijs kan meteen worden ingetrokken: bij meer dan 20 km/u te snel in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf; bij meer dan 30 km/u te snel op elke andere weg: een gewone weg, een autoweg of de autosnelweg. De procureur des Konings beveelt die intrekking. Bij deze twee drempels mag ook een officier van gerechtelijke politie dat doen, als hulpofficier van de procureur. Het kan, maar het hoeft niet. Gebeurt het, dan nog diezelfde dag. Je levert je rijbewijs dan in op verzoek van de politie. Na vijftien dagen krijg je het terug, tenzij de politierechtbank de termijn verlengt. De procureur kan die verlenging vragen voor hoogstens drie maanden, en daarna nog één keer, opnieuw voor hoogstens drie maanden. Valkuil. Het gaat om meer dan 20 km/u, niet om precies 20. In een zone 30 is 50 km/u precies 20 te snel: dat blijft een onmiddellijke inning. Pas daarboven kan je rijbewijs meteen weg. Je rijdt 55 km/u in een zone 30 in Leuven. Wat kan er meteen met je rijbewijs gebeuren? Wanneer kom ik voor de politierechtbank? Definitie. Het verval van het recht tot sturen is een verbod om een motorvoertuig te besturen. Alleen een rechter spreekt het uit, voor minstens acht dagen en hoogstens vijf jaar. Een intrekking aan de kant van de weg is iets anders. Nog een trede, en de onmiddellijke inning kan niet meer. Dat is zo bij meer dan 30 km/u te snel in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf. En bij meer dan 40 km/u te snel op elke andere weg. De zaak gaat dan naar de politierechtbank. Voor de rechter verandert de rekening. Hij legt een geldboete op van 80 euro tot 4000 euro en kijkt hoeveel km/u je te snel reed. Na een definitieve veroordeling verdubbelt de geldboete bij herhaling binnen drie jaar. Bij meer dan 40 km/u te snel, of meer dan 30 km/u te snel in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een erf of een woonerf, hoort een verval van acht dagen tot vijf jaar bij de straf. Spreekt de rechter het niet uit, dan moet hij die keuze motiveren. Net onder die drempel mag hij een verval uitspreken, maar het hoeft niet. Dat is bij meer dan 30 en hoogstens 40 km/u te snel op de andere wegen, en bij meer dan 20 en hoogstens 30 in de bebouwde kom en de zones. Alleen bij een beginnende bestuurder wordt dat een plicht. Dat lees je hieronder. Waar rijd je? | Intrekking meteen mogelijk | Politierechtbank | Bebouwde kom, zone 30, schoolomgeving, woonerf, erf | meer dan 20 km/u | meer dan 30 km/u | Elke andere weg, ook de autosnelweg | meer dan 30 km/u | meer dan 40 km/u | Op het examen. Twee paar drempels. In de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf: intrekking bij meer dan 20 km/u te snel, politierechtbank bij meer dan 30. Elders: intrekking bij meer dan 30, politierechtbank bij meer dan 40. De procureur laat intrekken, de rechter spreekt het verval uit. Onthoud. In de bebouwde kom en de zones: meer dan 20, daarna meer dan 30. Op de andere wegen: meer dan 30, daarna meer dan 40. De eerste drempel kan je je rijbewijs dezelfde dag kosten. De tweede stuurt je naar de politierechtbank. Wie kan een verval van het recht tot sturen uitspreken? Waarom riskeer ik meer als beginnende bestuurder? Een beetje begrip voor een beginner? Het is omgekeerd. Die bedragen en die drempels gelden voor elke bestuurder, ook als het voertuig geen rijbewijs vereist. Met een rijbewijs B van minder dan twee jaar heeft de rechter geen keuze meer, zodra hij je veroordeelt voor een snelheidsovertreding die tot een verval kan leiden. Hij moet het verval uitspreken. Je krijgt het recht tot sturen pas terug na minstens één geslaagd examen: het theorie-examen of het praktijkexamen. De rechter kan ze allebei eisen. Hij kan ook een opleiding opleggen, erbij of in de plaats van die examens. Te snel rijden kan tot een verval leiden bij meer dan 20 km/u in de bebouwde kom en de zones, en bij meer dan 30 elders. Betaal je een onmiddellijke inning en komt er geen veroordeling, dan is er ook geen verval. Valkuil. Beginner, dus meer begrip? Net omgekeerd. Rijbewijs B van minder dan twee jaar en een snelheidsovertreding die tot een verval kan leiden: de rechter moet het verval uitspreken. Je legt minstens het theorie-examen of het praktijkexamen opnieuw af. Je hebt je rijbewijs B sinds acht maanden en je staat voor de rechter omdat je in de stad 40 km/u te snel reed. Wat staat je te wachten? Hoe snel mag ik, en waar? De limiet hangt af van waar je rijdt. Begin van een bebouwde kom: vanaf hier geldt 50 km/u, tenzij een ander bord een andere snelheid aanduidt. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) In de bebouwde kom is de snelheid beperkt tot 50 km/u. Vanaf het bord begin van een bebouwde kom geldt die limiet. Ze eindigt bij het bord einde van een bebouwde kom. Een rond bord met rode rand en een getal kan een lagere of hogere snelheid opleggen. Dit bord legt een maximumsnelheid op. Het getal op het bord telt, niet de limiet die je op die weg verwachtte. Buiten de bebouwde kom, op een gewone weg, is de limiet 70 km/u. 90 km/u mag alleen waar een bord 90 aanduidt. Zonder dat bord is 90 al 20 km/u te snel: een onmiddellijke inning, nog geen intrekking. 90 km/u buiten de bebouwde kom, alleen waar dit bord 90 aanduidt. Zonder bord blijft het 70. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Op de autosnelweg mag een auto 120 km/u. Hetzelfde geldt op een weg met minstens twee rijstroken per richting, als de richtingen niet alleen door wegmarkeringen gescheiden zijn, maar bijvoorbeeld door een middenberm. Zijn de richtingen alleen door witte strepen gescheiden, dan is het 70 km/u. Met een bord dat 90 aanduidt, mag je er 90 rijden. Een zone 30 herken je aan het beginbord van die zone. Een schoolomgeving begint bij het beginbord en eindigt bij het eindbord van die zone, dus ook daar 30 km/u. Na het eindbord geldt weer de limiet van de weg. Begin van een zone 30. Een schoolomgeving is met dit bord en het eindbord afgebakend: ook daar 30 km/u. In een woonerf of een erf is de snelheid beperkt tot 20 km/u, vanaf het beginbord. Rijd je daar 60, dan zit je 40 km/u boven de limiet en ga je naar de politierechtbank. Begin van een woonerf of van een erf: hoogstens 20 km/u. Sommige voertuigen hebben een eigen limiet. De limiet van de weg blijft ook gelden. Je neemt de laagste van de twee. Een autobus of autocar: hoogstens 75 km/u. Hoger mag het op de autosnelweg (90 voor een autobus, 100 voor een autocar met een gordel op elke zitplaats en een snelheidsbegrenzer tot 100) en op een weg met minstens twee rijstroken per richting: 90 bij een fysieke scheiding, en ook 90 bij alleen witte strepen als een bord 90 aanduidt. Een bromfiets klasse B: hoogstens 45 km/u. Een bromfiets klasse A: hoogstens 25 km/u. Een voertuig met cushionbanden, met elastische banden of met onbuigzame banden: de grens uit het technisch reglement, en zonder zo'n grens 40 km/u. Onthoud. In Vlaanderen: 50 in de bebouwde kom, 70 op een gewone weg erbuiten, 90 alleen met een bord dat 90 aanduidt, 120 op de autosnelweg en op een weg met minstens twee rijstroken per richting en een fysieke scheiding. Zone 30 en schoolomgeving: 30. Woonerf en erf: 20. Je rijdt buiten de bebouwde kom op een gewone weg, zonder bord dat 90 toelaat. Hoe snel mag je? Dat is de hele trap. Herhaal de drempels met de herhalingskaarten en oefen daarna met de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (wegcode, Vlaamse versie) Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 Koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer Koninklijk Besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer (19 april 2014): artikelen 2 en 7 Gecoördineerde Wet betreffende de politie over het wegverkeer (16 maart 1968): artikelen 65, 55, 55bis, 56, 29 en 38 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 11.1, 11.2, 11.3, 22bis en 2.37 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F1a, bord F3a, bord F4a, bord F4b, bord F12a en bord C43 ## Overtredingen per graad: wat elke fout kost Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/overtredingen-per-graad/ Hoofdstuk 7: Overtredingen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden De wet deelt verkeersovertredingen in vier graden in. Hoe meer gevaar, hoe zwaarder de graad. Sinds 1 juli 2026: 64, 128, 191 en 520 euro onmiddellijke inning. Geen gordel is tweede graad. Een gsm in de hand is derde graad. Een agent negeren die met de armen horizontaal of met een zwaaiend rood licht een stopbevel geeft, is vierde graad. Woon je hier, dan ga je naar de rechter. Op het theorie-examen is een zware overtreding een fout over de derde of vierde graad, of over te snel rijden. De vier graden, de bedragen en wat je op het examen moet kunnen indelen: hieronder. Vierenzestig euro voor een vergeten richtingaanwijzer. De politierechtbank als je op de autosnelweg keert. Elke fout achter het stuur heeft een prijs. Die prijs volgt een eenvoudige regel: hoe meer gevaar je voor anderen schept, hoe zwaarder de rekening. De wet deelt die fouten in vier graden in. Op het theorie-examen horen de zware overtredingen bij de derde en de vierde graad, en bij te snel rijden. Ken je de schaal, dan bescherm je je geld en je slaagkans tegelijk. Wat zijn de vier graden? Definitie. De wet deelt de verkeersovertredingen in vier graden in, van de lichtste fout tot gedrag dat bij een ongeval bijna zeker tot lichamelijke schade leidt. Op het examen. Je hebt 41 op 50 nodig. Een fout antwoord of een vraag zonder antwoord kost 1 punt. Een fout over de derde of vierde graad, of over de toegelaten maximumsnelheid, is een zware overtreding: min 5 punten. Maximum negen lichte fouten, of één zware overtreding en vier lichte fouten. Twee zware overtredingen en je bent uitgesteld. Wat hoort bij de eerste en de tweede graad? Eerste graad is wat nergens hoger ingedeeld staat. Je slaat in Gent af en je vergeet je richtingaanwijzer: 64 euro. Een onmiddellijke inning is een vast bedrag dat je meteen betaalt, zonder naar de politierechtbank te gaan. Bovenop die som komt een administratieve toeslag, die elk jaar aan de index wordt aangepast. Ben je jonger dan 18, dan is een onmiddellijke inning uitgesloten. Tweede graad is onrechtstreeks gevaar voor personen. Ook een parkeerplaats voor personen met een handicap gebruiken terwijl je daar geen recht op hebt, hoort hier. Voorbeelden van de tweede graad: het oranjegele licht negeren terwijl je nog veilig kon stoppen, rechts inhalen als dat niet mag, het bord Stoppen en voorrang verlenen (het stopbord) of het bord Voorrang verlenen negeren, geen voorrang van rechts verlenen, en geen voorrang verlenen als je een manoeuvre uitvoert. In Brugge rijd je uit een parkeervak: de andere bestuurders gaan eerst. En de veiligheidsgordel. Jij en je passagiers dragen ze op elke plaats die ermee uitgerust is, zodra de auto aan het verkeer deelneemt. Valkuil. Geen gordel is geen fout van de eerste graad. Het is tweede graad, 128 euro onmiddellijke inning. Hetzelfde bedrag als het oranjegele licht negeren. Ken die twee indelingen. Wat hoort bij de derde graad? Derde graad is rechtstreeks gevaar voor personen. De onmiddellijke inning is 191 euro. Klassiekers: het rode licht negeren, het bord verboden richting negeren, en een voetganger in gevaar brengen. Ook een bevel van een bevoegd persoon negeren hoort hier, behalve twee stopbevelen (de armen horizontaal en het zwaaiende rode licht): die zijn vierde graad, verderop. Ook geen voorrang verlenen kan derde graad zijn. Verander je van richting, dan laat je voorgaan: de bestuurders en voetgangers die op een ander deel van dezelfde weg verder gaan, bijvoorbeeld op het fietspad of het trottoir; de voetgangers die de rijbaan oversteken waar je inrijdt; als je links afslaat: de tegenliggers. Ook derde graad: geen voorrang verlenen aan een voetganger die op een oversteekplaats voor voetgangers staat of er net op wil stappen, waar geen agent en geen verkeerslicht het verkeer regelt. Inhalen is niet altijd dezelfde graad. Een auto, een motorfiets of een ander voertuig met meer dan twee wielen links inhalen is derde graad in drie gevallen: op een overweg zonder slagbomen en zonder verkeerslichten; als de bestuurder die je wilt inhalen zelf al een ander voertuig inhaalt dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets, behalve als de rijbaan in jouw richting drie of meer rijstroken heeft; als die bestuurder stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers, of ze nadert, op een plaats waar geen agent en geen verkeerslichten het verkeer regelen. Een auto of een ander voertuig met meer dan twee wielen links inhalen bij de top van een helling of in een bocht zonder genoeg zicht, is zelfs vierde graad. De klassieker van jouw leeftijd: een gsm, of elk ander mobiel toestel met een scherm, gebruiken, vasthouden of bedienen terwijl je rijdt. Alleen een toestel in een houder aan het voertuig mag. Staat de auto stil of geparkeerd, dan geldt het verbod niet. Je rijdt in Antwerpen met je gsm in de hand, zonder houder. Welke graad is dat? Wat hoort bij de vierde graad? Vierde graad is het topje. De lijst is gesloten. Dit zijn de zeven gevallen: een stopbevel negeren: de arm of de armen horizontaal, of een rood licht dat heen en weer zwaait; een bestuurder aanzetten of uitdagen om te snel te rijden; een auto of een ander voertuig met meer dan twee wielen links inhalen bij de top van een helling of in een bocht zonder genoeg zicht, behalve als je daarbij de doorlopende witte streep niet hoeft te overschrijden; een overweg oprijden als de slagbomen bewegen of dicht zijn, als de rode knipperlichten branden, of als het geluidssignaal werkt; op een autosnelweg of een autoweg: een dwarsverbinding gebruiken, keren, achteruitrijden of in de tegenovergestelde richting rijden; stilstaan of parkeren op een overweg; een snelheids- of sportwedstrijd op de openbare weg, zonder speciale toelating. Onthoud. Vraag je af hoeveel gevaar je fout schept. Geen gevaar: eerste graad. Onrechtstreeks: tweede. Rechtstreeks: derde. Bijna zeker schade bij een ongeval, of een genegeerd stopbevel met de armen horizontaal of een zwaaiend rood licht: vierde. Zo deel je de meeste examenvragen in. Bevel van een agent: derde of vierde graad? Armen horizontaal: stoppen. Dat bevel negeren is vierde graad. Rijbewijs B Theorie Twee regels lijken sterk op elkaar: ken het verschil. Je moet meteen gevolg geven aan de bevelen van een bevoegd persoon, bijvoorbeeld een politieagent. Hij kan je ook bevelen om je stilstaande of geparkeerde auto te verplaatsen. Doe je dat niet, dan is het derde graad, 191 euro. Alleen twee stopbevelen zijn vierde graad: de arm of de armen horizontaal uitgestrekt, en een rood licht dat overdwars zwaait naar de bestuurders toe. Steekt de agent zijn arm recht omhoog, dan moet je ook stoppen, maar dat bevel negeren is derde graad. Valkuil. Alleen de armen horizontaal en het rode licht dat overdwars zwaait, zijn vierde graad. Elk ander bevel van een bevoegd persoon negeren, ook de arm recht omhoog, is derde graad. Een stopbord negeren is nog iets anders: tweede graad. Betaal je meteen, of ga je naar de politierechtbank? Sinds 1 juli 2026 liggen de bedragen van de onmiddellijke inning zo. Graad | Het idee | Onmiddellijke inning | Eerste graad | Geen gevaar voor personen | 64 euro | Tweede graad | Onrechtstreeks gevaar | 128 euro | Derde graad | Rechtstreeks gevaar | 191 euro | Vierde graad | Bijna zekere schade | 520 euro, of de rechter | De 520 euro van de vierde graad geldt alleen voor wie geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft. Woon je hier, dan moet je voor de politierechtbank verschijnen. Woon je in België, dan mag de som voor alle overtredingen samen niet hoger zijn dan 382 euro. Is ze hoger, dan is een onmiddellijke inning uitgesloten. Woon je niet in België, dan mag de geïnde som niet hoger zijn dan 953 euro. Een inning voor alcohol telt voor die grenzen niet mee. Kom je voor de rechter, dan bepaalt hij de geldboete. Bij een vierde graad komt daar een verval van het recht tot sturen bij, van acht dagen tot vijf jaar. Spreekt hij dat verval niet uit, dan moet hij uitleggen waarom. Bij een tweede of derde graad kan hij dat verval ook uitspreken, opnieuw van acht dagen tot vijf jaar. Bij herhaling binnen drie jaar na een vorige veroordeling die definitief is, worden de geldboetes van de tweede, derde en vierde graad en van te snel rijden verdubbeld. Je woont in Hasselt en je begaat een vierde graad. Wat gebeurt er? Hoe wordt te snel rijden gerekend? Voor de eerste 10 km/u boven de toegelaten maximumsnelheid betaal je 58 euro. Daarboven komt er per extra km/u bij: 12 euro in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een woonerf of een erf, en 7 euro op de andere wegen. Meer dan 30 km/u te snel in die zones, of meer dan 40 km/u elders, en de som ter plaatse stopt. De rechter spreekt dan een verval uit van acht dagen tot vijf jaar. Doet hij dat niet, dan legt hij uit waarom. En alcohol achter het stuur? Alcohol volgt niet de vier graden. De onmiddellijke inning bestaat wel: 197 euro van 0,22 tot minder dan 0,35 milligram per liter uitgeademde lucht, sinds 1 juli 2026. Gewone auto: strafbaar vanaf 0,5 gram alcohol per liter bloed (0,5 promille), dat is 0,22 milligram per liter uitgeademde lucht. Vrachtwagen of bus (rijbewijs C of D), of personen vervoeren met een voertuig waarvoor dezelfde medische voorschriften gelden als voor die rijbewijzen: strafbaar vanaf 0,2 gram per liter bloed, dat is 0,09 milligram per liter lucht. Sinds 1 juli 2026 mag je twaalf uur niet rijden als de ademanalyse minstens 0,22 milligram meet, of als je de test of de analyse weigert. Bij een vrachtwagen of bus geldt die twaalf uur al vanaf 0,09 milligram. In die gevallen kan het openbaar ministerie je rijbewijs meteen intrekken. Na vijftien dagen moet het terug, tenzij de politierechtbank de termijn verlengt. Drink je voor je vertrekt, dan kun je dezelfde avond je rijbewijs kwijt zijn. Vier graden, vier niveaus van gevaar, en bedragen die snel stijgen. Herhaal de kaders en doe dan de quiz onder deze les. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 Koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer, gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 mei 2026 (bedragen vanaf 1 juli 2026) Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Vlaamse versie) Vlaanderen.be, theorie-examen voor rijbewijs B GOCA Vlaanderen, brochure van het theorie-examen (Doc. 130) Gecoördineerde Wet betreffende de politie over het wegverkeer (16 maart 1968): artikelen 29, 65, 38, 34, 60, 55 en 56 Koninklijk Besluit tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer (30 september 2005): artikelen 2, 3 en 4 Koninklijk Besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer (19 april 2014): artikelen 2, 3, 7 en 14 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikel 4.2 ## Zware overtredingen op het theorie-examen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zware-overtredingen/ Hoofdstuk 7: Overtredingen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een zware overtreding is een fout antwoord op een vraag over de derde of vierde graad, of over de maximumsnelheid. Dat kost vijf punten. Twee zulke fouten en je bent uitgesteld. Eén mag, met vier lichte fouten. Derde graad: iemand rechtstreeks in gevaar brengen, of een bevel negeren. Vierde graad: zeven overtredingen. Die leer je eerst. Stopbevel met de arm horizontaal of een zwaaiend rood licht negeren: vierde graad. Elk ander bevel negeren: derde graad. Het verschil tussen derde en vierde graad staat hieronder. Rood licht, verboden richting, keren op de autosnelweg: die vragen kosten vijf punten. Je start met vijftig punten en je hebt er eenenveertig nodig. Twee zware overtredingen, en je bent uitgesteld. Hieronder komt eerst de derde graad, per familie, en daarna de zeven van de vierde. Leren doe je omgekeerd: begin bij de zeven. Wat is een zware overtreding op het theorie-examen? Definitie. Een zware overtreding is een fout antwoord op een vraag over een overtreding van de derde of vierde graad, of over het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid. Een lichte fout kost één punt, een zware vijf. De derde graad: iemand rechtstreeks in gevaar brengen, of een bevel negeren. De vierde graad doet dat ook, en leidt bij een ongeval bijna altijd tot lichamelijke schade. Te snel rijden staat niet in de graadlijst, maar een fout antwoord op een vraag erover telt wel als zware overtreding. Op het examen. Vijftig vragen, na het voorlezen vijftien seconden. Slaagcijfer: eenenveertig. Hoogstens negen lichte fouten, of één zware overtreding en vier lichte fouten. Bij twee zware overtredingen ben je uitgesteld. Bij welke graden is een fout antwoord op het theorie-examen een zware overtreding? Wat valt onder de derde graad bij bevelen, inhalen en de rijbaan? Bevelen: je geeft niet meteen gevolg aan een bevel van een bevoegd persoon; je verplaatst je stilstaande of geparkeerde voertuig niet als hij dat vraagt; je volgt de aanwijzingen niet van een gemachtigd opzichter die kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden laat oversteken. Inhalen, kruisen en strepen: links inhalen terwijl je de tegenliggers niet ver genoeg ziet; iemand haalt je links in en jij wijkt niet zo ver mogelijk naar rechts uit, of je voert je snelheid op; een doorlopende witte streep overschrijden, of links ervan rijden als ze de twee richtingen scheidt; een doorlopende oranje streep overschrijden, of een doorlopende streep van oranje spijkers op korte, regelmatige afstand van elkaar; niet rechts kruisen, of zonder voldoende zijdelingse afstand. Bij een hindernis vertraag je en stop je zo nodig voor de tegenliggers; een tram op de rijbaan kruis je rechts. Links mag alleen als rechts niet kan door een te smalle doorgang of een hindernis, en zonder tegenliggers in gevaar te brengen. Links inhalen is derde graad in deze gevallen, als je een gespan, een tweewielig motorvoertuig of een voertuig met meer dan twee wielen inhaalt: op een overweg met het bord overweg voor enkel spoor of voor twee of meer sporen, het Sint-Andrieskruis. Niet als er slagbomen zijn of verkeerslichten het verkeer regelen; als de bestuurder die je wil inhalen zelf een voertuig inhaalt dat geen fiets, tweewielige bromfiets of tweewielige motorfiets is. Wel toegelaten op drie of meer rijstroken in jouw richting; als de bestuurder die je wil inhalen een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers en bromfietsers nadert of ervoor stopt, zonder agent en zonder verkeerslicht. Ook het bord links inhalen verboden negeren is derde graad. Het verbiedt tot en met het volgende kruispunt alleen het links inhalen van een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen. Overweg voor enkel spoor: een gespan, een tweewielig motorvoertuig of een voertuig met meer dan twee wielen hier links inhalen is derde graad, tenzij er slagbomen of verkeerslichten zijn. Overweg voor twee of meer sporen: hetzelfde inhaalverbod als bij enkel spoor. Links inhalen verboden: tot en met het volgende kruispunt haal je geen gespan en geen voertuig met meer dan twee wielen links in. Een fiets of een motorfiets met twee wielen valt er niet onder. Onthoud. Bij een fietser of een bromfietser laat je minstens één meter ruimte. Buiten de bebouwde kom minstens 1,5 meter. Minder dan één meter is derde graad. Je haalt in Leuven een fietser in, binnen de bebouwde kom, met 80 cm tussenruimte. Wat klopt? Bij twee of drie duidelijk gescheiden rijbanen volg je de linkerrijbaan niet, tenzij een plaatselijk reglement dat toelaat. Kun je op een smalle rijbaan moeilijk kruisen of inhalen, dan mag je de gelijkgrondse berm volgen, die even hoog ligt als de rijbaan, zonder de weggebruikers daar in gevaar te brengen. Op de pechstrook rijden is derde graad. Uitzonderingen: een prioritair voertuig met een dringende opdracht en, bij stilstaand of sterk vertraagd verkeer, een takelwagen of personen en diensten die het parket of de politie oproept, op weg naar een incident op of langs de autosnelweg of autoweg. Wat met voetgangers, lichten en je gsm? Afslaan: links afslaan: voorrang aan de tegenliggers op de rijbaan die je verlaat; ga je daarvoor naar links, kijk dan of niemand achter je al inhaalt, en breng de bestuurders op de weg die je verlaat niet in gevaar; van richting veranderen: voorrang aan bestuurders en voetgangers op de andere delen van dezelfde weg; en aan de voetgangers die de rijbaan oversteken waarop jij wil rijden. Voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers: geen voetgangers in gevaar brengen op het trottoir, op een deel dat voor hen voorbehouden is, op de berm, op een vluchtheuvel, of als ze volgens de regels op de rijbaan lopen; zonder agent of verkeerslicht nader je een oversteekplaats met matige snelheid en verleen je voorrang aan wie erop is of op het punt staat erop te gaan; mét agent of licht laat je wie volgens de regels op de rijbaan is gegaan, in een normaal tempo de oversteek afmaken. Is jouw richting gesloten, dan stop je voor de oversteekplaats; in een woonerf of erf breng je voetgangers niet in gevaar en hinder je hen niet. Zo nodig stop je. Bij kinderen ben je dubbel voorzichtig; in een voetgangerszone rijd je stapvoets, je laat de doorgang vrij en je stopt zo nodig; in een speelstraat ook stapvoets. Spelende voetgangers gaan eerst. Fietsers stappen af als het moet; op een weg voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs breng je de anderen niet in gevaar; je rijdt niet door een groep kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden, in rijen of bij het oversteken. Oversteekplaats voor voetgangers: zonder agent of licht verleen je voorrang aan wie erop is of op het punt staat erop te gaan. Begin van een voetgangerszone: hier rijd je stapvoets. Begin van een woonerf of een erf: voetgangers hinder je niet. Iemand rechtstreeks in gevaar brengen is de kern van de derde graad. Onthoud. Brengt de situatie in de vraag een voetganger, een kind of een fietser rechtstreeks in gevaar? Denk dan aan de derde graad. Dat is de kern van die graad, en het helpt als je twijfelt. Prioritaire voertuigen, bussen en groepen: hoor je het speciaal geluidstoestel van een prioritair voertuig, dan maak je meteen de doorgang vrij. Zo nodig stop je; bij een gesignaleerd voertuig dat kinderen vervoert ben je dubbel voorzichtig. Branden al zijn richtingaanwijzers, dan matig je je snelheid sterk en stop je zo nodig: de kinderen gaan in- of uitstappen; langs een stilstaande autobus, autocar, trolleybus, minibus of tram die reizigers laat in- of uitstappen, matig je je snelheid; is er aan de halte van een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer geen vluchtheuvel, dan stop je aan de kant waar de reizigers in- of uitstappen, tot ze het voertuig, het trottoir of de berm veilig bereiken. Daarna vertrek je met matige snelheid; je rijdt niet door een militaire colonne, een stoet, een wielerwedstrijd of een wedstrijd zonder motor; nadert een groep renners, dan wijk je uit en stop je. Aanwijzingen van signaalgevers en groepsleiders volg je. Lichten en het bord verboden richting: rood licht: niet voorbij de stopstreep, of voorbij het licht zelf als er geen streep is; een groene pijl bij rood: alleen die richting, en voorrang aan bestuurders uit andere richtingen en aan voetgangers; een rood kruis boven een rijstrook: die strook is verboden; het bord verboden richting voor ieder bestuurder: die richting rijd je niet in; tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, of als je geen 200 meter ver ziet: dimlichten of grootlichten vooraan, rode lichten achteraan. Een aanhangwagen met verplichte lichten: twee witte vooraan, rode achteraan; breder dan 2,50 meter: in diezelfde omstandigheden ook de omtreklichten. Verboden richting voor ieder bestuurder: die richting inrijden is derde graad. In de auto: een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm zit in een geschikt kinderbeveiligingssysteem; je vervoert niet meer kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm dan er plaatsen zijn met een gordel of een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem, plus de plaatsen die daar niet mee uitgerust hoeven te zijn; geen toestel met een scherm gebruiken, vasthouden of manipuleren, tenzij het in een houder aan de auto zit; je moet in staat zijn te sturen: lichamelijk geschikt zijn, de nodige kennis en rijvaardigheid hebben, alle nodige manoeuvres kunnen uitvoeren en je voertuig voortdurend goed in de hand houden. Valkuil. Je hoeft niet eens te bellen. Een gsm vasthouden terwijl je rijdt, zonder houder aan de auto, is al derde graad. Het mag alleen als je voertuig stilstaat om iemand te laten in- of uitstappen of om te laden of te lossen, of als het geparkeerd is. Je gsm zit niet in een houder. Tijdens het rijden neem je hem vast om van muziek te wisselen, zonder te bellen. Wat klopt? Welke zeven overtredingen zijn van de vierde graad? De vierde graad is de top: bij een ongeval leiden ze bijna altijd tot lichamelijke schade. Het zijn er zeven. Een stopbevel negeren: de arm of de armen horizontaal, of een rood licht dat dwars voor je zwaait. Een bestuurder aansporen of uitdagen om overdreven snel te rijden. Een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen links inhalen bij het naderen van de top van een helling of in een bocht, als het zicht onvoldoende is. Behalve als je kunt inhalen zonder de doorlopende witte streep naar de tegenliggers te overschrijden. Een overweg oprijden terwijl de slagbomen bewegen of dicht zijn, de rode knipperlichten branden of de bel gaat. Op een autosnelweg of autoweg een dwarsverbinding nemen, keren, achteruitrijden of in de tegengestelde richting rijden. Stilstaan of parkeren op een overweg. Een snelheids- of sportwedstrijd op de openbare weg, zonder speciale toelating. Overweg met slagbomen: oprijden terwijl ze bewegen of dicht zijn, is vierde graad. Hetzelfde bij rode knipperlichten of een bel die gaat. De plaats maakt het verschil. Links inhalen terwijl je de tegenliggers niet ver genoeg ziet, is derde graad. Een auto inhalen bij het naderen van een top of in een bocht met onvoldoende zicht is vierde. Onthoud. De zeven: horizontale arm of zwaaiend rood licht, iemand aansporen om te snel te rijden, inhalen bij het naderen van een top of in een bocht zonder voldoende zicht, een overweg oprijden bij slagbomen of bel, keren op de autosnelweg, stilstaan op een overweg, een wedstrijd op de weg. Valkuil. De arm recht omhoog is ook een stopbevel, maar dat negeren is derde graad. Alleen de horizontale arm en het rood licht dat dwars zwaait zijn vierde graad. Elk ander bevel blijft derde graad. Een agent in Mechelen steekt één arm recht omhoog. Jij rijdt door. Welke graad is dat? Je keert op de autosnelweg bij Antwerpen. Welke graad is dat? Hoe onthoud je dit voor het examen? eerst de zeven van de vierde graad; wie loopt gevaar? Iemand rechtstreeks in gevaar brengen is minstens derde graad; leer per familie: bevelen, inhalen, voorrang, kwetsbare weggebruikers, bussen, lichten, in de auto. Herhaal de kaarten en doe daarna de quiz. Mik op nul zware overtredingen. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad, artikelen 3 en 4 Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, Vlaamse versie GOCA Vlaanderen, brochure van het theorie-examen, Doc. 130 Vlaanderen.be, theorie-examen voor rijbewijs B Gecoördineerde Wet betreffende de politie over het wegverkeer (16 maart 1968): artikel 29 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 9, 15, 16, 17, 40bis, 40ter, 72, 73, 2.22, 8, 19, 22bis, 22quinquies, 22sexies, 22septies, 35, 38, 39bis, 40, 41, 44, 61, 62bis, 10, 20, 21, 22, 24 en 50 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord C35, bord A45, bord A47, bord C1, bord F12a, bord F49, bord F103, bord F99a en bord A41 ## Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijbaan-trottoir-en-berm/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden De openbare weg stopt niet aan de rand van het asfalt. Ze loopt tot aan de sloot, het talud of de grens van een eigendom. De rijbaan is alleen het deel dat voor het verkeer van voertuigen in het algemeen is ingericht. Een vierkant blauw bord met witte pijl wijst eenrichtingsverkeer aan. Dezelfde pijl in een rond bord is een gebod. Hangt er onder het vierkante bord een onderbord met een fiets, dan mogen fietsers tegen de richting in (beperkt eenrichtingsverkeer). Soms ook bromfietsen klasse A, als het onderbord dat zegt. Buiten de bebouwde kom, bij rustig verkeer in twee richtingen, rijd je op de rechterrijstrook. Elk stuk van de weg, de borden in beeld en de valkuilen: alles staat hieronder. De weg die je ziet, is maar een stuk van de openbare weg. De rijbaan, het fietspad, de berm en het trottoir horen erbij, tot aan de sloot, het talud of de grens van een eigendom. Haal je rijbaan en openbare weg door elkaar, en je mist punten op vragen die je eigenlijk kent. In Gent zie je het meteen. Links een trottoir, rechts een strook gras op dezelfde hoogte als het asfalt, verderop een fietspad. Drie stukken van de openbare weg, en geen ervan hoort bij de rijbaan. Wat hoort er bij de openbare weg? Definitie. De openbare weg is breder dan de rijbaan. De rijbaan is het deel voor het verkeer van voertuigen in het algemeen. Het fietspad, het trottoir en de berm horen ook bij de openbare weg. De berm ligt tussen de rijbaan en een sloot, een talud of de grens van een eigendom. Van grens tot grens dus. Het trottoir onder je voeten, het fietspad, de berm langs een landweg bij Brugge: het hoort erbij. Een kruispunt is de plaats waar twee of meer openbare wegen samenkomen. Ook dat blijft openbare weg. Een fietspad hoort bij de openbare weg, maar het maakt geen deel uit van de rijbaan. De openbare weg is meer dan de rijbaan: trottoirs, fietspad en kruispunt horen erbij. Op het examen. Hoort dit stuk bij de rijbaan? Trottoir, berm en fietspad horen bij de openbare weg, niet bij de rijbaan. Lees rijbaan als: het deel waar voertuigen in het algemeen rijden. Wat is een rijbaan, en wat is een rijstrook? Definitie. De rijbaan is het deel van de openbare weg dat voor het verkeer van voertuigen in het algemeen is ingericht. Een rijstrook is een stuk daarvan, in de lengte afgebakend door witte doorlopende of onderbroken strepen. Voorlopige markering is oranje: oranje strepen of oranje spijkers. Witte strepen verdelen de rijbaan in rijstroken. Gele strepen bakenen geen rijstrook af. Zonder witte of oranje markering is er geen rijstrook, alleen een rijbaan, zoals een smalle straat in Mechelen zonder witte lijn. Daarna kijk je naar de richting. Een rijbaan is in één richting open, of in twee richtingen. Witte strepen verdelen de rijbaan in rijstroken. Zonder die strepen is er geen rijstrook. Welke kleur hebben de strepen die een rijstrook afbakenen? Vierkant of rond: wat betekent die blauwe pijl? Een rijbaan met eenrichtingsverkeer laat het verkeer normaal in één richting toe. Je herkent ze aan een vierkant blauw bord met een witte pijl. Dat is een aanwijzing: het bord informeert je. Vierkant en blauw, met een witte pijl: deze openbare weg heeft eenrichtingsverkeer. Het bord staat rechts. Is de rijbaan breed genoeg om naast elkaar te rijden, dan staat het ook links. Let op de dubbelganger. Een rond blauw bord met dezelfde witte pijl is een gebod. Je moet de richting van de pijl volgen. Rond en blauw, met een witte pijl: je volgt de richting die de pijl aanduidt. De plaats bepaalt hoe de pijl staat. Wijst hij rechtdoor, dan rijd je rechtdoor. Staat het ronde bord op een hindernis en is de pijl niet gebogen, dan rijd je die hindernis voorbij aan de kant die de pijl aanduidt. Valkuil. Vierkant blauw bord met witte pijl: aanwijzing van eenrichtingsverkeer. Rond blauw bord met dezelfde pijl: gebod, je volgt de pijl. Kijk eerst naar de vorm, daarna naar de tekening. Welke vorm heeft het bord dat eenrichtingsverkeer aankondigt? Aan het andere uiteinde staat een rond bord met een rode schijf en een witte horizontale balk: verboden richting voor iedere bestuurder. Daar rijd jij niet in. In een gewone straat zie je eenrichtingsverkeer aan de borden. Zie je geen vierkant bord en geen bord verboden richting, dan is de rijbaan in twee richtingen open, ook als twee auto's elkaar niet kunnen kruisen. Soms mogen fietsers die straat toch in beide richtingen gebruiken. Onder het vierkante bord hangt dan een wit onderbord met een fiets. In de praktijk heet dat beperkt eenrichtingsverkeer. In een smalle straat in Leuven kan een fietser je dus wettelijk tegemoetkomen. Een auto blijft in één richting rijden. Staat er ook een bromfiets klasse A op dat onderbord, dan mag die bestuurder eveneens in beide richtingen rijden. Een speed pedelec mag dat alleen als het onderbord hem toelaat. Een bromfiets klasse B niet. Aan het andere uiteinde hangt dan een onderbord onder het bord verboden richting. Staat er een fiets op, dan geldt het verbod niet voor fietsers. Staat er ook een bromfiets klasse A op, dan ook niet voor die bestuurders. Voor jou in de auto verandert er niets. Het wordt geen rijbaan met twee richtingen voor iedereen. Onthoud. Beperkt eenrichtingsverkeer: het vierkante bord, plus een onderbord. Alleen een fiets: fietsers mogen tegen de richting in. Fiets en bromfiets klasse A: die ook. Een speed pedelec alleen als het onderbord hem toelaat. Zonder onderbord mag niemand tegen de pijl in. Onder het vierkante bord hangt een onderbord met alleen een fiets. Wie mag dan tegen de richting in? Waar rijd je als de rijbaan in twee richtingen open is? Een rijbaan met verkeer in twee richtingen laat beide richtingen toe. Ze kan één rijstrook per richting hebben, of meerdere. Ze kan ook helemaal niet in rijstroken verdeeld zijn. De basisregel is eenvoudig. Elke bestuurder blijft zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan. Zijn er rijstroken, dan is dat de rechterrijstrook. Niet de vrijste. Niet de rijstrook die sneller lijkt. Uitzonderingen: op een plein geldt die regel niet. Op een rotonde hoef je ook niet zo dicht mogelijk rechts te rijden, behalve als een deel van de weg voor jou is voorbehouden. Je houdt je wel aan de strepen, en je mag de rijstrook volgen die het best bij je bestemming past. Schrijft een bord je de keuze van een rijstrook of van een richting voor, dan volg je dat bord. Daarna ga je weer naar rechts zodra het kan. In de bebouwde kom mag je de rijstrook van je bestemming kiezen, in twee gevallen. Bij eenrichtingsverkeer dat in rijstroken verdeeld is. En bij twee richtingen op een rijbaan met vier of meer rijstroken, waarvan minstens twee voor elke richting. Ga je in Antwerpen linksaf en heb je die keuze, dan mag je de linkse rijstrook nemen. De vrijste rijstrook is op zich geen reden. Buiten de bebouwde kom blijf je rechts, ook met twee rijstroken in jouw richting. Op een rustige weg tussen Hasselt en Genk is dat de rechterrijstrook. Wordt het zo druk dat één rij niet meer vlot door kan, dan mag je op een rijbaan met vier of meer rijstroken naast elkaar rijden, alleen op de rijstroken van jouw richting. Bij eenrichtingsverkeer mag dat ook. Op het examen. Buiten de bebouwde kom, bij rustig verkeer en twee richtingen, rijd je op de rechterrijstrook. In de bebouwde kom mag je de rijstrook van je bestemming kiezen bij eenrichtingsverkeer met rijstroken, of op een rijbaan met vier of meer rijstroken en minstens twee voor elke richting. Je rijdt buiten de bebouwde kom, het is rustig, en jouw richting heeft twee rijstroken. Waar rijd je? Hoe lees je het nummer van een weg? Wegen hebben een nummer. Je ziet het op de wegwijzers, vaak zonder erbij stil te staan. Vier borden moet je uit elkaar houden. Ze zeggen welk soort weg het is, niet hoe snel je mag rijden. Nummer van een gewone weg: wit op blauw. Een gewone weg draagt een nummer dat met de letter N begint, in het wit op een blauwe achtergrond. Nummer van een autosnelweg: zwart op wit. Een autosnelweg draagt een nummer dat met de letter A begint, in het zwart op een witte achtergrond. Nummer van een internationale weg: wit op groen. Een internationale weg draagt een nummer dat met de letter E begint, in het wit op een groene achtergrond. Nummer van een ring. Een ring heeft een eigen nummerbord, met een nummer dat met de letter R begint. Op de voorwegwijzer staat dat R-nummer niet. De andere wegnummers staan daar naast de bestemmingen. Heeft de weg één nummer of meerdere, dan mogen de nummerborden boven het midden van de groep wegwijzers staan. Het mag, het moet niet. Wat is een trottoir, en wat is een berm? Het trottoir is het deel dat speciaal voor voetgangers is ingericht. Het is verhard, en de scheiding met de rest van de openbare weg is voor iedereen duidelijk. Het mag verhoogd liggen tegenover de rijbaan, maar dat hoeft niet. Het trottoir is verhard, voor voetgangers ingericht, en duidelijk gescheiden van de rijbaan. Loopt een verhoogd trottoir over de rijbaan door, bijvoorbeeld aan de ingang van een zijstraat in Hasselt, dan blijft het een trottoir. Het blijft bestemd voor voetgangers. De berm bestaat in twee vormen. De naam zegt al hoe ze ligt: de gelijkgrondse berm: een ruimte die geen trottoir en geen fietspad is, tussen de rijbaan en een sloot, een talud of de grens van een eigendom, op dezelfde hoogte als de rijbaan; de verhoogde berm: dezelfde soort ruimte, maar hoger dan de rijbaan. Beide zijn meestal niet verhard en voor voetgangers moeilijk begaanbaar. Een trottoir is wél verhard en duidelijk afgescheiden. Onthoud. Gelijkgrondse berm: op dezelfde hoogte als de rijbaan. Verhoogde berm: hoger dan de rijbaan. Beide liggen tussen de rijbaan en een sloot, een talud of een eigendomsgrens, en zijn meestal niet verhard. Het trottoir is wél verhard en duidelijk afgescheiden. Gaat een vraag over wat bij de rijbaan hoort, denk dan: rijden voertuigen hier in het algemeen? Is het een trottoir, een berm of een fietspad, dan ligt het buiten de rijbaan, maar wel op de openbare weg. Je kunt nu elk stuk benoemen, van het midden van de rijbaan tot aan de sloot. De herhaling hieronder zet de definities op kaartjes. Daarna testen de oefenvragen of je ze uit elkaar houdt. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), Vlaamse versie: artikelen 2.1, 2.2, 2.7, 2.9, 2.10, 2.12, 2.40, 2.41, 2.42, 9.1.2, 9.3.1, 9.4, 9.5, 65.2, 68.4 en 71.3, en de borden C1, D1, F1a, F3a, F13, F15, F19, F23a, F23b, F23c en F23d Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald: artikelen 12.6, 12.8 en 12.9.1 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F19, bord D1, bord F13, bord F15, bord F23a, bord F23b, bord F23c en bord F23d ## Autosnelweg: 70 en 120 km/u, pechstrook Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autosnelweg/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Op de autosnelweg rijd je minstens 70 km/u en, met een gewone auto, hoogstens 120 km/u. Verboden: wie geen 70 km/u haalt, plus voetgangers, fietsers, bromfietsen, dieren, landbouwvoertuigen en een quad zonder cabine. De pechstrook is voor pech of een ongeval. Niet om te rijden, te bellen of te rusten. Op de oprit verleen jij voorrang. Het ritsen geldt daar niet. Keren, achteruitrijden of tegen de richting in: nergens op de autosnelweg. De cijfers, de twee lijsten en de valkuilen: hieronder, met het bord erbij. Op de autosnelweg kan te traag rijden al een overtreding zijn. Er geldt een minimum en een maximum, een lijst van wie niet binnen mag, en een strook die alleen voor pech dient. Voor het theorie-examen moet je die cijfers en die verboden vlot kennen. De regels zijn helder als je ze een keer goed ziet. Twee snelheden, wie niet op mag, een pechstrook waar je afblijft, en een oprit waar jij voorrang verleent. Daarna herken je de valkuilen vanzelf. Hoe herken ik een autosnelweg? Een autosnelweg is de openbare weg waarvan het begin of de oprit is aangeduid met het blauwe bord: een brug over twee rijbanen. Hetzelfde bord met een rode schuine balk toont het einde. Het blauwe bord opent de autosnelweg. Met de rode balk is ze voorbij. Dat bord doet meer dan de weg een naam geven. De bijzondere regels gelden vanaf de plaats waar het staat. Rijd je er op de oprit naar Gent voorbij, dan ben je al op de autosnelweg, ook al rijd je nog niet op de hoofdrijbaan. Wie erop mag, hoe snel je rijdt en wat voor iedereen verboden is: dat begint bij dit bord. Zonder het bord kun je niet aan het uiterlijk alleen zien of een brede weg een autosnelweg is. Wie mag de autosnelweg niet op? Niet elke weggebruiker mag de autosnelweg op. De toegang is verboden voor: voetgangers; bestuurders van fietsen, van bromfietsen en van dieren; bestuurders van voertuigen of slepen die op een horizontale weg 70 km/u niet kunnen halen; wie een ander voertuig sleept met een noodkoppeling of een hulpkoppeling; bestuurders van vierwielers met motor zonder passagiersruimte, zoals een quad zonder cabine; bestuurders van landbouwvoertuigen. Een sleep is een groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn om door dezelfde kracht te worden voortbewogen, bijvoorbeeld een auto met een aanhangwagen. Haalt die sleep op een horizontale weg geen 70 km/u, dan mag ze de autosnelweg niet op. Een landbouwvoertuig of een quad zonder cabine blijft weg, ook als ze hard kunnen rijden. Een noodkoppeling of hulpkoppeling gebruik je alleen als het niet anders kan, om een voertuig tot op de plaats van herstelling te brengen, en nooit sneller dan 25 km/u. De speciale uitrusting van een takelwagen telt niet als zo'n koppeling. Op de autosnelweg zelf zijn ook deze activiteiten verboden: stoeten, betogingen en samenscholingen; reclametochten; sportwedstrijden, ook ritten op snelheid, regelmaat of behendigheid; iets verkopen of te koop aanbieden, behalve met toelating van wie de autosnelwegen beheert. Onthoud. Haalt een voertuig of een sleep op een horizontale weg geen 70 km/u, dan hoort die niet op de autosnelweg. Tel voetgangers, fietsers, bromfietsen, dieren en landbouwvoertuigen erbij, plus een quad zonder cabine en een sleep met nood- of hulpkoppeling. Stoeten, reclametochten en sportwedstrijden zijn er ook verboden. Je rijdt de autosnelweg alleen op of af op de plaatsen die daarvoor zijn ingericht. Geen veldweg, geen opening in de middenberm, geen zelfgekozen plek. Hoe snel rijd ik: het minimum van 70 en het maximum? Behalve als een verkeersbord een lagere snelheid oplegt, mag niemand op een autosnelweg trager rijden dan 70 km/u. Je past je snelheid nog altijd aan. Staat het verkeer stil op de weg naar Antwerpen, dan hou je geen 70 aan. Je snelheid mag geen ongeval veroorzaken en geen verkeer hinderen, en je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Het maximum hangt af van je voertuig. Een voertuig of een sleep met een maximale toegelaten massa van hoogstens 3,5 ton mag 120 km/u. Een gewone personenauto zit onder die grens. Voertuigen en slepen zwaarder dan 3,5 ton, en ook bussen, zijn op de autosnelweg beperkt tot 90 km/u. Een autocar mag 100 km/u als elke zitplaats een gordel heeft en het voertuig een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u heeft. Een bord kan een lagere limiet opleggen. Staat er een massa op het onderbord, dan geldt die limiet alleen voor zwaardere voertuigen. Bij werken of na een ongeval staat er vaak een bord met een lagere snelheid. Dat bord gaat boven 120 en, als het lager dan 70 aanduidt, ook boven het minimum. Staat er een massa op het onderbord, dan geldt de limiet alleen voor voertuigen zwaarder dan die massa. Op het examen. Gewone auto: minstens 70 km/u, hoogstens 120 km/u. Zwaarder dan 3,5 ton, of een bus: 90 km/u. Een autocar met een gordel op elke zitplaats en een snelheidsbegrenzer tot 100 km/u: 100 km/u, anders 90. Een bord kan lager, ook onder 70. Je rijdt met je auto op de autosnelweg en er staat geen bord met een andere snelheid. Wat is het minimum? Waar rijdt een vrachtwagen als er drie rijstroken zijn? Telt de rijbaan drie rijstroken of meer in jouw richting, dan mogen bussen, autocars en andere voertuigen of slepen met een maximale toegelaten massa van meer dan 3,5 ton alleen op een van de twee rechtse rijstroken rijden. Elke rijstrook links daarvan is voor hen verboden: bij drie rijstroken de linkse, bij vier de twee linkse. Inhalen mag wel, zolang ze op die twee rechtse rijstroken blijven. Op drie rijstroken zie je dus geen vrachtwagen helemaal links, tenzij hij een bord volgt dat die strook aanduidt. Er is één uitzondering: de borden die een rijstrook of een richting voorschrijven. Volgt de vrachtwagen zo'n bord, bijvoorbeeld om de afrit naar Leuven te nemen, dan mag hij de strook gebruiken die het bord aanduidt. Onthoud. Drie rijstroken of meer: bussen, autocars en voertuigen of slepen zwaarder dan 3,5 ton blijven op een van de twee rechtse rijstroken. Elke rijstrook links daarvan is voor hen verboden, behalve om een bord te volgen dat een rijstrook of een richting voorschrijft. De autosnelweg heeft drie rijstroken. Waar mag een vrachtwagen van meer dan 3,5 ton rijden? Wat is op de autosnelweg voor iedereen verboden? Ook voor wie er wel mag rijden, geldt een lijst van verboden. Op de autosnelweg is het verboden: de dwarsverbindingen te gebruiken, de doorgangen door de middenberm tussen de twee rijbanen; te keren; achteruit te rijden, of te rijden in de tegenovergestelde richting; te stoppen of te parkeren, behalve op de parkeerstroken die het bord parkeren toegelaten aanduidt; een voertuig te slepen met een noodkoppeling of een hulpkoppeling. Keren, achteruitrijden, tegen de richting in rijden en de dwarsverbindingen gebruiken zijn overtredingen van de vierde graad. Dat is de zwaarste graad: op het examen is zo'n fout een zware overtreding. Onthoud. Afrit gemist, bijvoorbeeld naar Gent? Je rijdt door tot de volgende afrit. Keren, achteruitrijden of tegen de richting in mag nergens op de autosnelweg, ook niet een klein stukje. Dat zijn overtredingen van de vierde graad. Stoppen om te bellen of om de weg te zoeken doe je niet op de rijbaan. Daarvoor zijn de parkeerstroken, aangeduid met het blauwe bord parkeren toegelaten, de witte P. Wanneer mag ik de pechstrook gebruiken? Definitie. De pechstrook ligt rechts van de rijbaan van een autosnelweg of autoweg. Erop rijden mag niet. Wel: prioritaire voertuigen met een dringende opdracht. Diensten die de politie of het parket oproept, en takelwagens, alleen bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer naar een incident. Voor jou telt het woord pech. Je zet je auto er neer als je niet verder kunt, bij pech of na een ongeval. Rijden op de pechstrook, om een file voorbij te steken of om sneller bij de afrit te zijn, is een overtreding van de derde graad. Ook dat telt op het examen als een zware overtreding. Pech of een ongeval: alleen dan hoort jouw auto op de pechstrook. Bellen, de route controleren of vijf minuten rusten is geen pech. Daarvoor rijd je door naar een parkeerstrook met het bord parkeren toegelaten. Op de pechstrook rijd jij niet, en je staat er alleen stil als je echt niet verder kunt. Staat je auto met pech op de autosnelweg of de autoweg op een plek waar je niet mag stoppen of parkeren, dan draag je een retroreflecterend veiligheidsvest zodra je uitstapt. Valkuil. De pechstrook is geen extra rijstrook en geen rustplaats. Alleen de voertuigen die de wet noemt, zoals prioritaire voertuigen met een dringende opdracht, mogen erop rijden. Je zet je auto er alleen stil als je door pech of een ongeval niet verder kunt. Vermoeidheid of je gsm is geen pech. Mag je op de pechstrook stoppen om te bellen? Waarom geldt het ritsen niet op de oprit? Je komt de autosnelweg op via de oprit. Daar verleen je voorrang aan wie al op de autosnelweg rijdt. Invoegen is een manoeuvre, en wie een manoeuvre uitvoert, moet voorrang verlenen aan de andere weggebruikers. Op de oprit verleen jij voorrang aan wie al op de autosnelweg rijdt. Ritsen is iets anders. Bij sterk vertraagd verkeer, op een rijstrook die ophoudt of waar je niet verder kunt, voeg je pas vlak voor de versmalling in. Wie op de vrije rijstrook rijdt, laat dan om de beurt één bestuurder voor. Op de oprit moet niemand jou een plaats geven. Jij zoekt een gaatje en voegt in zonder wie al rijdt te hinderen. Eerst kijken, dan richting aangeven, dan invoegen. Valkuil. Op de oprit van de autosnelweg geldt het ritsen niet, ook niet als het verkeer traag rijdt. Niemand moet jou om de beurt voorlaten. Jij verleent voorrang aan wie al op de autosnelweg rijdt. Je staat op de oprit en het verkeer op de autosnelweg rijdt traag. Geldt het ritsen? 70 als ondergrens, 120 voor een gewone auto, een pechstrook waar je alleen bij pech staat, en een oprit waar jij voorrang verleent: daarmee ben je klaar voor de autosnelweg. Herhaal de cijfers en de verboden, en toets ze daarna in de quiz. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), Vlaamse versie: artikelen 2.3, 2.62, 9.7, 10.1, 11.2, 12.4, 12bis, 13, 21, 49.5 en 51.4 Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad: artikelen 3 en 4 Verkeersborden: begin en einde van een autosnelweg, autoweg, einde van een autoweg, snelheidsbeperking, parkeren toegelaten, keuze van rijstrook of richting, versmalling ter grootte van een rijstrook Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 21.1, 21.6, 21.2, 21.3, 51.1 en 52.1 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F5, bord F7, bord C43, bord F13, bord F15 en bord E9a GOCA Vlaanderen, DOC. 130: Het rijbewijsexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Autoweg of autosnelweg: wat is het verschil? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/autoweg/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een autoweg herken je aan het blauwe vierkante bord met de witte auto van voren. Dat is geen autosnelweg. Alleen motorvoertuigen en hun aanhangwagen. Bromfietsen, landbouwvoertuigen, slepen van kermisvoertuigen en vierwielers zonder passagiersruimte blijven eraf. Keren, achteruitrijden en stilstaan zijn verboden, net als op de autosnelweg. Een middenberm is een echte scheiding. Witte strepen zijn geen middenberm. Buiten de bebouwde kom is 70 km/u de gewone limiet, ook op een autoweg. 90 km/u alleen als een bord 90 aanduidt. 120 km/u op de autosnelweg, en op een andere weg alleen met minstens twee rijstroken per richting en een scheiding die geen wegmarkering is. Het bord, wie er niet op mag, de middenberm en de drie snelheden: dat staat hieronder. Ze lijkt op een autosnelweg, maar de regels zijn anders. Lange stukken, alleen motorvoertuigen, soms een strook tussen de twee richtingen: een autoweg doet haar grote zus na. Op het examen lokt die gelijkenis je naar 120 kilometer per uur, net op het moment dat 70 de limiet is. Je leert het bord herkennen, wie er niet op mag, en wanneer je 70, 90 of 120 mag. Hoe herken ik een autoweg, en wat is het verschil met de autosnelweg? Definitie. Een autoweg is de openbare weg die begint bij het blauwe vierkante bord met de witte auto van voren, en eindigt bij hetzelfde bord met een rode schuine balk. Alleen dat bord maakt er een autoweg van, niet de vorm van de weg. De autosnelweg heeft een ander bord: blauw, met een wit viaduct over twee rijbanen. Het einde daarvan is hetzelfde teken met een rode schuine balk. Zie je de auto, dan ben je niet op de autosnelweg, ook al lijkt het landschap erop. Begin van een autoweg: een witte auto van voren op een blauw vierkant. De autosnelweg toont een viaduct, niet deze auto. De bijzondere regels beginnen waar het bord staat. Het staat rechts van de weg en mag links herhaald worden. Aan het einde staat het bord met de rode balk, ook rechts, en ook dat mag links herhaald worden. Zo'n bord mag alleen op een weg die geen toegang geeft tot de eigendommen ernaast. Je vindt er dus geen oprit naar een huis of een winkel pal langs de rijbaan. Een groen richtingbord met witte tekst betekent dat je die bestemming langs een autosnelweg bereikt. Het zegt niet dat je nu al op een autosnelweg rijdt. Valkuil. Een autoweg is geen autosnelweg. Het bord toont een auto, niet het witte viaduct. Zonder minstens twee rijstroken in elke richting en een scheiding die geen wegmarkering is, blijft 120 km/u verboden. Wie mag op een autoweg rijden? De toegangsregel is kort: alleen motorvoertuigen en hun aanhangwagens. Een motorvoertuig is een voertuig met een motor dat op eigen kracht rijdt. Fietsers, voetgangers en ruiters vallen daar buiten. Vier groepen motorvoertuigen mogen er toch niet op: bromfietsen; landbouwvoertuigen; slepen van kermisvoertuigen; vierwielers zonder passagiersruimte. Een speed pedelec is een bromfiets. Die mag er dus niet op, ook al haalt hij 45 kilometer per uur. Een step of een ander gemotoriseerd voortbewegingstoestel telt niet als motorvoertuig, en blijft dus ook buiten. Een motorfiets mag wel: die staat niet in de vier groepen. Je aanhangwagen mag mee achter een voertuig dat zelf toegelaten is. Achter een tractor mag ze niet mee, want het landbouwvoertuig zelf is verboden. Onthoud. Motorvoertuigen en hun aanhangwagen mogen op een autoweg. Vier groepen niet: bromfietsen, landbouwvoertuigen, slepen van kermisvoertuigen en vierwielers zonder passagiersruimte. Een speed pedelec telt als bromfiets. Wie mag niet op een autoweg? Welke verboden van de autosnelweg gelden ook op een autoweg? Veel verboden van de autosnelweg gelden ook op een autoweg. Op dit punt lijkt de autoweg echt op haar grote zus. Je gebruikt de dwarsverbindingen tussen de rijbanen niet. Je keert niet, je rijdt niet achteruit en je rijdt niet tegen de richting in. Je laat je voertuig niet stilstaan en je parkeert niet, behalve op een parkeerstrook waar het bord parkeren toegelaten staat. Je sleept geen voertuig met een nood- of hulpkoppeling. Ook stoeten, betogingen en samenscholingen zijn verboden, net als reclametochten en sportwedstrijden. Iets te koop aanbieden mag er niet, behalve met toelating van de minister die de autosnelwegen beheert. Eén verschil om te onthouden: de minimumsnelheid van 70 km/u geldt alleen op de autosnelweg, niet op een autoweg. Rechts van de rijbaan kan een pechstrook liggen, net als op de autosnelweg. Daar rijd je niet op. Uitzondering: prioritaire voertuigen die een dringende opdracht uitvoeren. Bij sterk vertraagd of stilstaand verkeer mogen ook takelwagens, en personen of diensten die het openbaar ministerie of de politie oproept, over de pechstrook naar een incident rijden. Onthoud. Op een autoweg keer je niet, je rijdt niet achteruit en je rijdt niet tegen de richting in. Stilstaan of parkeren mag niet, behalve op een parkeerstrook waar parkeren toegelaten is. De dwarsverbinding tussen de rijbanen gebruik je niet. Wat is een berm, en waarom telt de middenberm? Definitie. De berm ligt naast de rijbaan en is geen trottoir en geen fietspad. Gelijkgronds ligt hij op dezelfde hoogte, verhoogd ligt hij hoger. De middenberm is een aanleg in de lengte die de rijbanen scheidt. Wegmarkeringen zijn geen middenberm. De berm is meestal onverhard. Hij hoort niet bij de rijbaan. De gelijkgrondse berm mag je alleen volgen als de wegcode dat toelaat, bijvoorbeeld als kruisen door de breedte van de rijbaan moeilijk is en je niemand daar in gevaar brengt. Op een brede weg liggen er bermen aan de zijkant en soms een middenberm tussen de twee richtingen. Dat verschil beslist straks je snelheid. Witte strepen tussen de richtingen zijn wegmarkeringen, geen middenberm. Bermen aan de zijkant, een middenberm tussen de richtingen, en een bord dat 70 aanduidt. De aanleg zou 120 toelaten, maar het lagere bord wint. Tussen de twee rijrichtingen liggen alleen witte strepen. Is dat een middenberm? Hoe snel mag ik buiten de bebouwde kom? Een autoweg heeft geen eigen snelheidslimiet. Buiten de bebouwde kom gelden dezelfde limieten als op elke andere openbare weg. Sinds 1 januari 2017 is 70 km/u in Vlaanderen de gewone limiet. Op de autosnelweg mag je 120 km/u, hoe de weg ook aangelegd is. Op een autoweg of een andere weg mag je 120 km/u alleen als die minstens vier rijstroken heeft, waarvan minstens twee in elke richting, en als de richtingen gescheiden zijn door iets anders dan wegmarkeringen. Een middenberm telt. Je voertuig of je sleep mag dan niet meer dan 3,5 ton maximale toegelaten massa hebben. Voertuigen en slepen zwaarder dan 3,5 ton, autobussen en autocars blijven op die brede weg op 90 km/u. Een bord dat een lagere snelheid aanduidt, blijft gelden. Zie je daar 70, dan is het 70, ook met een middenberm. Op alle andere wegen buiten de bebouwde kom is de limiet 70 km/u. Dat geldt als de richtingen alleen door wegmarkeringen gescheiden zijn, en ook op een gewone weg met één rijstrook per richting. Een middenberm zonder twee rijstroken in elke richting verandert daar niets aan. 90 km/u mag op die wegen alleen als een bord 90 aanduidt. Zonder dat bord blijf je op 70. Een bord kan ook een lagere snelheid opleggen. Binnen de bebouwde kom is de limiet 50 km/u, tenzij een bord iets anders aanduidt. Op het examen. Buiten de bebouwde kom is 70 km/u de gewone limiet, ook op een autoweg. 90 km/u mag alleen als een bord 90 aanduidt. 120 km/u mag op de autosnelweg, en op een andere weg alleen met minstens twee rijstroken in elke richting en een scheiding die geen wegmarkering is, tot hoogstens 3,5 ton. Valkuil. Een middenberm alleen geeft geen 120 km/u. Je hebt ook minstens twee rijstroken in elke richting nodig. Witte strepen tussen de richtingen tellen niet. Een lager bord, zoals 70, blijft gelden. Rij je zelf met een auto van hoogstens 3,5 ton, dan heb je aan die drie snelheden genoeg. Zwaardere voertuigen en bussen hebben hun eigen limieten. Voertuigen en slepen met luchtbanden en een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton blijven buiten de bebouwde kom op 60 km/u. Dat geldt ook op een gewone weg waar een bord 90 aanduidt. Het bord heft hun lagere limiet daar niet op. Die limiet van 60 geldt niet op de wegen waar auto's 120 mogen, en niet op wegen met minstens twee rijstroken per richting die alleen door markeringen gescheiden zijn én waar een bord 90 staat. Daar rijden zij 90 km/u, niet 120. Autobussen en autocars hebben buiten de bebouwde kom een eigen maximumsnelheid van 75 km/u. Die verhoogt de limiet van de weg niet: waar 70 geldt, mogen ook zij niet sneller dan 70. Op een gewone weg met een bord 90 blijven zij op 75. Op dezelfde twee soorten wegen als hierboven mogen zij 90 km/u. Een autocar met gordels op alle zitplaatsen en een begrenzer tot 100 km/u mag 100 alleen op de autosnelweg, niet op een autoweg. Je rijdt buiten de bebouwde kom bij Hasselt, op een gewone weg met één rijstrook per richting, zonder bord dat 90 aanduidt. Hoe snel mag je? Buiten de bebouwde kom, twee rijstroken per richting, gescheiden door een middenberm. Je auto is niet zwaarder dan 3,5 ton en er staat geen lager bord. Hoe snel mag je? Het bord met de auto, de vier groepen die buiten blijven, en de snelheid die afhangt van de aanleg en de borden: daarmee ontmasker je de valse tweeling. Zet de borden en de drie snelheden nog eens op een rij, en test je daarna met de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 (wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.3, 2.4, 2.15.2, 2.16, 2.17, 2.41, 2.42, 2.44, 2.62, 9.7, 11.1, 11.2, 11.3, 15.3, 21.2, 21.4, 21.6, 22.1 en 22.2; verkeersborden F5, F7, F9, F11, C43 en E9a Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 betreffende de verkeerstekens: artikelen 12.2, 12.3 en 12.9.1 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F9, bord F11, bord F5, bord F7, bord E9a en bord C43 ## Fietspaden en fietsborden: herkennen en wie mag erop? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/fietspaden/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een fietspad is een deel van de openbare weg voor fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A. Het hoort niet bij de rijbaan. Je herkent het aan een rond blauw fietspadbord, of aan twee evenwijdige witte onderbroken strepen. De strook ertussen is te smal voor een auto. Rood asfalt alleen maakt geen fietspad. Zonder bord of zonder die strepen gelden de regels van het fietspad niet. Een bromfiets klasse B mag het fietspad waar je 50 km/u of minder mag, als het niet met voetgangers gedeeld is. Waar je sneller mag, moet hij het volgen als het er ligt en bruikbaar is. Een fietszone is geen fietspad: auto's mogen erin, maar ze halen fietsers niet in, en sneller dan 30 km/u mag niet. De borden, de strepen en wie er wel of niet op mag: dat staat hieronder, met de vragen die je daarover moet kunnen beantwoorden. Een rode strook langs de rijbaan, en iedereen zweert dat het een fietspad is. In Gent zie je ze vaak. De vraag is of de regels van het fietspad daar gelden. Het antwoord is nee. Hier leer je de test waarmee je een echt fietspad in één oogopslag herkent, en daarna wie erop mag rijden. Wat is een fietspad? Definitie. Een fietspad is het deel van de openbare weg dat voorbehouden is voor fietsen en voor tweewielige bromfietsen klasse A. Dat gebeurt met een bord, of met twee evenwijdige witte onderbroken strepen. Elk woord telt. Voorbehouden betekent: die strook is toegewezen, het is geen vriendelijk advies. En ze is niet alleen voor fietsen. Tweewielige bromfietsen klasse A horen er van bij het begin bij. Een bromfiets klasse A haalt door zijn bouw hoogstens 25 km/u. Een driewieler of een vierwieler zonder motor, niet breder dan één meter, telt als een fiets. Een bakfiets van 90 centimeter hoort dus op het fietspad, net als een gewone fiets. Een driewielige bromfiets klasse A telt niet mee: het fietspad noemt alleen de tweewielige. Onthoud. Het fietspad hoort bij de openbare weg, maar niet bij de rijbaan. Het trottoir en de berm zijn ook delen van de openbare weg, en ook zij zijn geen rijbaan. Geen van de drie hoort bij de rijbaan. Het fietspad is voorbehouden voor fietsen en voor… Hoe herken ik een fietspad? Er zijn twee manieren. De eerste is een bord. Het verplichte fietspad is een rond blauw bord met een witte fiets, dat na elk kruispunt wordt herhaald. Links het verplichte fietspad. Rechts het bord waarop voetgangers, fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A elk hun deel hebben. Het tweede bord verdeelt de strook. Voetgangers hebben één kant, fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A de andere. Kijk welk symbool aan welke kant staat: de symbolen kunnen omgewisseld zijn. Op de grond scheidt een doorlopende witte streep, een andere wegbedekking, om het even welke fysieke scheiding of een combinatie daarvan de twee kanten. Ook dat bord maakt een fietspad. Een ander rond blauw bord laat voetgangers en fietsers samen hetzelfde deel gebruiken: er is te weinig plaats om hen te scheiden, of ze moeten een veiliger stuk volgen. Fietsers moeten dat deel gebruiken. Het is geen fietspad: bromfietsen klasse A staan er niet bij. Voetgangers en fietsers samen, zonder een lijn die hen scheidt. Fietsers moeten dit deel volgen. Het is geen fietspad voor bromfietsen klasse A. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) De tweede manier zijn wegmarkeringen. Twee evenwijdige witte onderbroken strepen, en de strook ertussen is niet breed genoeg voor het autoverkeer. Dan is het een fietspad, ook zonder bord. De streepjes zijn ongeveer vijftien centimeter breed en ongeveer 1,25 meter lang, met een even lange tussenruimte. Een fietssymbool op het asfalt voegt niets toe: zonder die twee strepen of zonder het bord is het geen fietspad. Twee evenwijdige witte onderbroken strepen, en de strook is te smal voor een auto. Dat is het fietspad. De kleur van het asfalt mag erbij, maar ze volstaat nooit alleen. Onthoud. Zoek de witte onderbroken strepen of het blauwe fietspadbord. Het bord voor voetgangers en fietsers samen telt niet. Geen strepen en geen fietspadbord? Dan is het geen fietspad, welke kleur de grond ook heeft. Dat is de test in één oogopslag. Is een rode strook een fietspad? Soms ligt een echt fietspad ook in het rood. De kleur zelf heeft geen betekenis. Bakenen de twee witte onderbroken strepen de strook niet af, en staat er geen bord, dan is het geen fietspad. De bijzondere regels gelden er niet. Valkuil. Rood asfalt volstaat niet. Zonder de twee witte onderbroken strepen, en zonder het bord, is het geen fietspad. De kleur van de grond bewijst niets, ook niet in een fietsstad als Gent. Zo'n rode strook zonder strepen noem je in het gewone spraakgebruik een fietssuggestiestrook. De regels van het fietspad gelden er niet. Een rode strook, zonder witte onderbroken strepen en zonder bord. Is dat een fietspad? Wie mag op het fietspad rijden? Fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A: dat is de basis. Een elektrische fiets waarvan de trapondersteuning bij 25 km/u stopt, volgt de regels van de fietser. Daarbovenop mogen deze bestuurders het fietspad volgen: bestuurders van drie- en vierwielers zonder motor, niet breder dan één meter, want die tellen als fietsen; bestuurders van een tweewielige bromfiets klasse B en van een speed pedelec, maar niet altijd, en niet op elk fietspad. Fiets en bromfiets komen elkaar overal tegen. Het verschil tussen klasse A, klasse B en de speed pedelec beslist wie het fietspad moet of mag volgen. Waar je 50 km/u of minder mag, mag een tweewielige bromfiets klasse B het fietspad volgen dat het verplichte fietspadbord draagt, of dat de twee witte strepen afbakenen. Voorwaarde: hij brengt de anderen op dat fietspad niet in gevaar. Hij mag ook op de rijbaan blijven. In de bebouwde kom van Mechelen mag je 50 km/u: klasse B kiest. Buiten de bebouwde kom is de limiet in Vlaanderen 70 km/u, tenzij een bord iets anders zegt. Is de limiet hoger dan 50 km/u, dan moet klasse B zo'n fietspad volgen, als het er ligt en bruikbaar is. Dat geldt niet voor het bord waar voetgangers en fietsers elk hun deel hebben, en niet voor het bord waar voetgangers en fietsers samen rijden. Klasse B volgt die twee borden niet. Een onderbord onder het verplichte fietspad kan die regel wijzigen. Het kan klasse B verplichten het fietspad te volgen, of het net verbieden. Voor de speed pedelec bestaat hetzelfde, alleen of samen met klasse B. Dan geldt het onderbord, niet de gewone snelheidsregel. Een speed pedelec ondersteunt tot 45 km/u. Op het verplichte fietspad en tussen de twee witte strepen geldt voor hem dezelfde snelheidsregel als voor klasse B. Het gedeelde fietspad met voetgangers mag hij ook volgen. Klasse B mag dat niet. En de elektrische step? Sinds 1 juli 2022 wordt haar gebruiker gelijkgesteld met een fietser. Officieel heet ze een gemotoriseerd voortbewegingstoestel. Ze volgt het fietspad als een fietser dat moet, als het bruikbaar is. Anders de rijbaan. In de bebouwde kom volgt ze het trottoir niet. Buiten de bebouwde kom mag een fietser, en dus ook de elektrische step, het trottoir en de verhoogde berm volgen als er geen fietspad is. Hij rijdt rechts en verleent voorrang aan wie daar al gaat. Jonger dan tien mag een fietser het trottoir altijd volgen. Op het examen. Fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A altijd. Drie- en vierwielers zonder motor tot één meter breed tellen als fietsen. Klasse B kiest bij 50 km/u of minder, en moet volgen als de limiet hoger is en het fietspad bruikbaar is. Niet op het pad dat je met voetgangers deelt. Een bakfiets van 90 centimeter breed. Mag die het fietspad volgen? Het fietspad is gedeeld met voetgangers, elk hun deel. Mag een bromfiets klasse B erop? Buiten de bebouwde kom van Hasselt mag je 70 km/u. Er ligt een bruikbaar fietspad met twee witte onderbroken strepen. Jij rijdt met een bromfiets klasse B. Wat doe je? Moet ik het fietspad volgen? Een fietser en een bestuurder van een tweewielige bromfiets klasse A moeten een bruikbaar fietspad volgen dat de twee witte strepen afbakenen, als het rechts in hun rijrichting ligt. Ligt zo'n gemarkeerd fietspad links, dan mogen zij het niet volgen. Staat het fietspad aangeduid met het ronde blauwe bord, het verplichte of het gedeelde, dan moet je het volgen als het in jouw rijrichting gesignaleerd is. Ligt het links, dan hoef je het niet te volgen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen en je rechts blijft rijden. Wie het fietspad moet volgen, mag het verlaten om af te slaan, om in te halen, of om een hindernis heen te rijden. Wie op het fietspad rijdt, hindert de anderen niet en brengt hen niet in gevaar. Eén uitzondering op de plicht: een ligfiets of een velomobiel van hoogstens één meter breed mag, waar je 50 km/u of minder mag, kiezen tussen het fietspad, het deel voor voetgangers en fietsers, en de rijbaan. Fietspad of fietszone: wat is het verschil? Het fietspad is een strook van de openbare weg, voorbehouden voor fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A. Een auto hoort daar niet op. De fietszone dekt een of meer hele straten. Sinds 1 april 2023 heet ze zo. Daarvoor heette ze fietsstraat. Fietsers mogen de hele breedte van de rijbaan gebruiken als die alleen in hun richting openstaat, en de rechterhelft als het verkeer in beide richtingen rijdt. Motorvoertuigen mogen de fietszone in. Zij mogen de fietsers niet inhalen. De snelheid ligt er nooit hoger dan 30 km/u. Voor al deze regels tellen bestuurders van rijwielen en van speed pedelecs als fietsers. Het woord fietszone op het bord is niet verplicht. Tot 1 januari 2035 mogen de borden aan begin en einde nog het woord Fietsstraat dragen. Zelfde zone, zelfde regels: auto's blijven achter de fietsers. Begin en einde van een fietszone. Het woord op het bord mag Fietszone zijn, of nog Fietsstraat op een ouder bord. De auto mag erin, maar haalt de fietser niet in. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Valkuil. Fietspad en fietszone zijn niet hetzelfde. Het fietspad is een voorbehouden strook: de auto rijdt er niet op. De fietszone dekt hele straten, open voor auto's, waar je de fietser niet inhaalt en waar je hoogstens 30 km/u rijdt. Onthoud. Staat er pad, dan is het een strook en blijft de auto eraf. Staat er zone, dan mag de auto erin, maar ze blijft achter de fietsers. Je herkent een echt fietspad nu in één oogopslag, en je weet wie erop mag. Neem de kaders hierboven nog eens door als kaarten. Daarna test je jezelf met de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.7, 2.15.1, 2.17, 2.40, 74, 9.1.2, 7bis, 7ter, 11.1, 11.2, 43.2, 69.4, 2.61, 22novies en 85.32 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 10.4, 10.5, 10.6 en 16 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord D7, bord D9, bord D10, bord F111 en bord F113 ## Bord woonerf: zone 30, erf en schoolstraat Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zone-30-erf-en-schoolstraat/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Woonerf en erf: hoogstens 20 km/u. Voetgangers hebben de hele breedte, spelen mag. Fietszone: hoogstens 30 km/u. Je haalt fietsers en speed pedelecs niet in. Schoolstraat: op bepaalde uren dicht voor motorvoertuigen. Wie toch mag, rijdt stapvoets. Speelstraat: ook stapvoets. Wie er woont of een garage heeft, mag binnen. Zone 30, schoolomgeving en verhoogde inrichting: 30 km/u. Bebouwde kom: 50 km/u, tenzij een bord iets anders oplegt. Hieronder zie je per plek het bord, de snelheid en de valstrikken. Stapvoets, 20, 30 of 50: vier tempo's op een korte rit. In één wijk in Gent of Leuven kan de maximumsnelheid drie keer veranderen, zonder dat je de wijk verlaat. Op het theorie-examen kost een fout op een vraag over de toegelaten maximumsnelheid je 5 punten in plaats van 1. Je moet dus op elke plek de juiste snelheid kennen. Woonerf of erf: wat is het verschil? Definitie. Een woonerf bestaat uit een of meer speciaal ingerichte openbare wegen waar de woonfunctie overweegt. Een erf lijkt daarop, maar er kunnen ook ambacht, handel, toerisme, onderwijs en recreatie zijn. De regels zijn dezelfde: hoogstens 20 km/u. Begin van een woonerf of erf: huis, auto, voetganger en kind met een bal. Einde van de zone: hetzelfde bord, doorgestreept. Daarna geldt de snelheid van de plaats waar je uitkomt. Vanaf het beginbord deel je de straat met de voetgangers. Dit zijn de regels: voetgangers mogen de hele breedte van de openbare weg gebruiken. Ze mogen het verkeer niet nodeloos belemmeren; spelen is toegelaten; je rijdt hoogstens 20 km/u; je brengt voetgangers niet in gevaar en hindert hen niet. Zo nodig stop je. Bij kinderen ben je dubbel voorzichtig. Onthoud. Parkeren in een woonerf of erf mag niet, behalve op plaatsen afgebakend door wegmarkeringen of een wegdek in een andere kleur, waar de letter P staat, of waar een bord het toelaat. Waar je stilstaat of parkeert, mag dat rechts of links ten opzichte van je rijrichting. Stel: je draait in Leuven een rustige straat in en een kind loopt een bal achterna. Je rijdt al niet sneller dan 20 km/u en je bent klaar om te stoppen. Je rijdt een erf binnen in Mechelen. Hoe snel mag je daar maximaal? Waarom mag ik die fietser in een fietszone niet inhalen? Een fietszone is een of meer openbare wegen met eigen regels voor fietsers. Het woord fietszone op het begin- of eindebord is niet verplicht. Motorvoertuigen mogen de zone in, maar mogen fietsers niet inhalen. Sneller dan 30 km/u mag er niet. Een speed pedelec telt hier als fietser: die haal je ook niet in. Een fietser rijdt voor je uit, trager dan je zou willen. In een straat met één rijrichting mag hij midden op de rijbaan rijden, anders op de rechterhelft. Jij blijft achter hem. Aan een kruispunt blijven verkeerslichten, borden en de voorrang van rechts gelden. Een oud bord met het woord fietsstraat mag het begin of het einde nog aanduiden tot 1 januari 2035. Een ouder fietszonebord dat voor de hele zone geldt, mag blijven tot 1 januari 2032. Valkuil. In een fietszone haal je fietsers en speed pedelecs niet in, ook niet als ze traag rijden. Een fietspad is iets anders: dat is maar een deel van de openbare weg. In een fietszone in Brugge rijdt een fietser traag voor je uit. Mag je hem inhalen? Wanneer blijft mijn auto uit een schoolstraat? Definitie. Een schoolstraat is een openbare weg bij een school. Op bepaalde uren worden motorvoertuigen er geweerd met het bord toegang verboden en een onderbord schoolstraat. Toegang verboden in beide richtingen. In een schoolstraat staat er een onderbord bij met het woord schoolstraat. Tijdens die uren is de straat voorbehouden voor voetgangers, rijwielen en speed pedelecs. Een gewone auto niet, tenzij een van deze uitzonderingen geldt: prioritaire voertuigen, als hun opdracht dat vraagt; voertuigen met een vergunning van de wegbeheerder; motorvoertuigen die het onderbord zelf als uitzondering noemt. In de straat wonen of er een garage hebben volstaat niet. Ook een vierwielige bromfiets, de zogenaamde auto zonder rijbewijs, blijft een motorvoertuig: als de schoolstraat dicht is, mag die er niet in. Wie binnen mag, rijdt stapvoets, laat de doorgang vrij, verleent voorrang aan voetgangers en fietsers en stopt zo nodig. Staat er bij een vraag over de schoolstraat 20 of 30 km/u als antwoord, dan is dat een valstrik: de limiet is geen getal, maar stapvoets. Op de uren dat de schoolstraat dicht is, is de straat voorbehouden voor voetgangers, fietsers en speed pedelecs. Jij hebt een vergunning om een schoolstraat in Hasselt in te rijden. Hoe snel rijd je? Wat verandert er in een speelstraat? Een speelstraat is een openbare weg waar tijdelijk, op bepaalde uren, aan de ingangen een hek staat. Op dat hek hangt het bord toegang verboden, met een onderbord speelstraat. De hele breedte is dan voorbehouden voor het spelen, vooral door kinderen. Wie speelt, telt als voetganger. Alleen deze weggebruikers mogen er dan in: bestuurders van motorvoertuigen die in de straat wonen of er een garage hebben; prioritaire voertuigen, als hun opdracht dat vraagt; voertuigen met een vergunning van de wegbeheerder; fietsers. Zij rijden stapvoets, verlenen voorrang aan wie speelt en stoppen zo nodig. Fietsers stappen af als het moet. Bij kinderen ben je dubbel voorzichtig. Onthoud. In een speelstraat mag je met de auto naar binnen als je er woont of er een garage hebt. In een schoolstraat volstaat dat niet. Daar mag je alleen binnen met een vergunning van de wegbeheerder, of als het onderbord jouw voertuig als uitzondering noemt. Prioritaire voertuigen mogen erin als hun opdracht dat vraagt. Zone 30 en een drempel: hoe traag rijd ik? In een zone 30 is de snelheid beperkt tot 30 km/u, op elke weg tussen het beginbord en het eindebord. Een schoolomgeving is zo'n zone rond de toegang tot een school. Begin en einde zijn dezelfde zoneborden. Bij het begin hoort ook het gevarenbord dat een plaats aanduidt waar veel kinderen komen. Soms ligt de school in een grotere zone 30, omdat de straten errond vooral bedoeld zijn om er te wonen en te verblijven. Een verhoogde inrichting, in de volksmond een verkeersdrempel, is een verhoging dwars op de weg, bedoeld om de snelheid te matigen. De dubbele voorzichtigheid en de 30 km/u gelden in drie gevallen: als het gevarenbord én het blauwe bord de inrichting aankondigen, als op een kruispunt alleen het gevarenbord staat, of als de inrichting binnen een zone 30 ligt. De driehoek kondigt de verhoogde inrichting aan. Het blauwe bord staat bij de inrichting zelf. Op die inrichting gelden vaste regels: je nadert dubbel voorzichtig en met matige snelheid, zodat je er niet sneller dan 30 km/u over rijdt; links inhalen van een gespan (zoals paard en kar), een tweewielig motorvoertuig of een voertuig met meer dan twee wielen is verboden. Een auto, een bromfiets, een motorfiets of een speed pedelec haal je er niet links in. Een fietser, een step of een ruiter wel; stilstaan en parkeren zijn er verboden, behalve als een plaatselijk reglement het toelaat. Een gewoon rond snelheidsbord is geen zonebord: het geldt tot en met het volgende kruispunt, tot een ander snelheidsbord of tot een bord dat een bebouwde kom, een woonerf, een erf of een voetgangerszone begint of beëindigt. Hoe snel mag ik in de bebouwde kom? De bebouwde kom is een gebied met bebouwing. Op de invalswegen staat het bord begin van de bebouwde kom, op de uitvalswegen het bord einde. Die borden dragen de naam van de gemeente, een silhouet van gebouwen, of allebei. Elke versie betekent hetzelfde. Begin van de bebouwde kom. Vanaf hier is de maximumsnelheid 50 km/u, tenzij een ander bord een andere snelheid oplegt. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Einde van de bebouwde kom. Op een gewone weg geldt daarna in Vlaanderen 70 km/u, tenzij een bord een andere snelheid aanduidt. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Staat het ronde bord 30 boven het begin, dan geldt 30 km/u op alle wegen in de kom. Boven het einde staat dan het bord dat die beperking opheft. Een rond snelheidsbord ergens in een straat geldt tot en met het volgende kruispunt. Vanaf dat kruispunt is het in de kom weer 50 km/u. Kom je eerder een ander snelheidsbord tegen, dan geldt de snelheid van dat bord. Eindigt een zone 30, een schoolomgeving of een erf, dan geldt in de bebouwde kom vanaf dat eindebord opnieuw 50 km/u. Voorbij het einde van een woonerf gelden de bijzondere regels niet meer, ook de 20 km/u niet. Rijd je het einde van de bebouwde kom voorbij, dan is de snelheid in Vlaanderen 70 km/u, tenzij een bord een andere snelheid aanduidt. Op een autosnelweg is het zonder bord 120 km/u. Dat geldt ook op een weg met minstens twee rijstroken per richting, als de rijrichtingen anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn, bijvoorbeeld door een middenberm of een vangrail. Valkuil. Een plaatsnaambord toont alleen de naam van een plaats. Het is niet het bord begin van de bebouwde kom, ook al staat er een naam op, en het verandert je snelheid niet. In de bebouwde kom is het 50 km/u, tenzij een bord een andere snelheid oplegt. Je rijdt Gent binnen. Je ziet het bord begin van de bebouwde kom, en geen snelheidsbord. Hoe snel mag je maximaal? Wie mag op een voorbehouden weg, en hoe snel? Sommige wegen zijn voorbehouden voor de weggebruikers van wie het symbool op het bord aan het begin staat. Staat daar het bord voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs, dan mag een bromfiets klasse A of klasse B die weg niet op. Prioritaire voertuigen mogen erop als hun opdracht dat vraagt. Met een vergunning ook: aanwonenden, hun leveranciers, onderhoud en de vuilnisophaling. Spelen mag, zonder elkaar in gevaar te brengen. Een ander bord duidt een weg aan die voorbehouden is voor landbouwvoertuigen, voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs. Voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs mogen de hele breedte gebruiken, zonder het verkeer nodeloos te belemmeren. Op beide soorten wegen is de snelheid 30 km/u. Op het examen. Schoolstraat en speelstraat: stapvoets, voor wie erin mag. Woonerf en erf: 20 km/u. Fietszone, zone 30, schoolomgeving en verhoogde inrichting: 30 km/u. Bebouwde kom in Vlaanderen: 50 km/u, tenzij een bord een andere snelheid oplegt. Stapvoets, 20, 30, 50: je weet nu waar je gas terugneemt, en tot welke snelheid. Leer geen losse zones vanbuiten, maar die ladder: kijk bij een vraag eerst waar je bent, en zoek dan de juiste trede. De herhaling hieronder zet de ladder op kaartjes. Daarna testen de oefenvragen of je op elke plek het juiste tempo kiest. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie) Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 2.32, 22bis, 2.61, 22novies, 12.3.1, 85.32, 2.68, 22undecies, 2.16, 2.36, 22septies, 2.37, 2.74, 22ter, 17.2, 24, 2.12, 11.1, 11.2, 2.34, 22quinquies en 22octies Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 12.1bis en 12.1ter Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F12a, bord F12b, bord F111, bord F113, bord C3, bord F4a, bord F4b, bord A14, bord F87, bord A23, bord C43, bord F1a, bord F1b, bord F3a, bord F3b, bord C45, bord F43, bord F99a en bord F99c ## Voetgangerszone en voorbehouden wegen: regels Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voetgangerszone-en-voorbehouden-wegen/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Speelstraat: op bepaalde uren dicht voor motorvoertuigen. Wie toch binnen mag, rijdt stapvoets. Voorbehouden weg: alleen de weggebruikers van wie het symbool op het bord staat, hoogstens 30 km/u. Voetgangerszone: stapvoets, parkeren verboden, en een fietser stapt af als het te druk is. Overrijdbare bedding: de strook van trams en bussen. Je dwarst ze. Je rijdt er alleen op om een hindernis te ontwijken. Net als het fietspad maakt die bedding geen deel uit van de rijbaan. Wie binnen mag, onder welke voorwaarde, en hoe snel: elke plaats staat hieronder. Je auto is niet overal welkom. De openbare weg is opgedeeld. Hier spelen kinderen, daar zijn de voetgangers thuis, verderop rijden tram en bus. Op het theorie-examen moet je bij elk van die plaatsen twee dingen weten: mag jij erin, en hoe snel? Wanneer is de straat van de spelende kinderen? Definitie. Een speelstraat is een openbare weg die tijdelijk, tijdens bepaalde uren, aan de ingangen afgesloten is met hekken. Op het hek staat het bord verboden toegang, met een onderbord waarop speelstraat staat en de uren. De hele breedte is dan voor het spel, vooral door kinderen. Stel: woensdagnamiddag, een woonwijk in Leuven. De hekken staan er. Motorvoertuigen mogen er dan alleen nog bij uitzondering in. Wie mag er toch in? bestuurders van een motorvoertuig die in de straat wonen, of van wie de garage in die straat ligt; prioritaire voertuigen, wanneer hun opdracht dat vraagt; voertuigen met een vergunning van de beheerder van de weg; fietsers. Al die bestuurders rijden stapvoets. Ze laten de doorgang vrij voor wie speelt, geven hen voorrang en stoppen als het moet. Een fietser stapt af wanneer dat nodig is. Je brengt de spelende voetgangers niet in gevaar en je hindert ze niet. Bij kinderen ben je extra voorzichtig. Er mag speelgerief staan, zolang de toegelaten bestuurders en de prioritaire voertuigen er nog door kunnen. Speelstraat in Leuven, en jouw garage ligt in die straat. Mag je met de auto naar huis? Wie mag op een voorbehouden weg rijden? Langs een jaagpad bij Gent, tussen de velden, in een park: een blauw vierkant bord vol symbolen. De regel past in één zin. Alleen de categorieën waarvan het symbool op het bord staat, mogen er rijden. Officieel heet dat een weg voorbehouden voor het verkeer van voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs. Kortweg noemen we dat een voorbehouden weg. Twee versies maken het verschil. Dit bord: de afgebeelde weggebruikers delen de hele weg. Dit bord: de witte lijn wijst iedereen zijn deel aan. Op de weg van het eerste bord mengt iedereen zich. Op de weg van het tweede bord volgt iedereen het deel dat het bord aanwijst. Je mag wel op het andere deel, als je de doorgang vrijlaat voor de weggebruikers voor wie dat deel is aangewezen. In beide gevallen is de snelheid beperkt tot 30 km/u. Spelen mag. Je brengt elkaar niet in gevaar en je hindert elkaar niet. Je blokkeert de doorgang niet zonder reden, en bij kinderen ben je extra voorzichtig. Het einde toont het beginbord opnieuw, met een rode balk: één versie voor de gedeelde weg, één voor de weg met gescheiden delen. Onthoud. Voorbehouden weg: alleen wie een symbool op het bord heeft, hoogstens 30 km/u, en spelen mag. Zonder scheidingslijn deel je de hele breedte. Met een witte lijn blijft iedereen op zijn eigen deel. Hoe snel mag je hoogstens rijden op een voorbehouden weg? Wie mag er toch op, ook zonder symbool? Vier soorten voertuigen mogen deze voorbehouden wegen toch volgen. Prioritaire voertuigen, wanneer hun opdracht dat vraagt. En, met een vergunning van de beheerder: de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud, de vuilniswagens, en de voertuigen van de aanwonenden en van hun leveranciers. Onthoud. Wie mag toch binnen waar de toegang beperkt is? De lijsten lijken op elkaar: prioritaire voertuigen komen bijna overal terug, net als onderhoud, vuilnis en wie er woont of levert. Leer de logica in plaats van de lijst: op het examen bouw je het antwoord zo weer op. De landbouwvariant: de tractor staat op het bord De landbouwvariant: het landbouwvoertuig staat bij de andere symbolen. Buiten Kortrijk, tussen de velden, toont het bord ook een landbouwvoertuig. Dan komen er categorieën bij, boven op de symbolen die je ziet: voertuigen die naar de aanliggende percelen rijden of ervandaan komen; niet-gemotoriseerde drie- en vierwielers; bespannen voertuigen, als het symbool van een landbouwvoertuig op het bord staat; voertuigen voor onderhoud, vuilnisophaling, toezicht en hulpverlening, en prioritaire voertuigen. Ook hier mogen voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs de hele breedte gebruiken. Ze blokkeren de doorgang niet zonder reden. Het gemotoriseerd verkeer, en zeker de landbouwvoertuigen, is extra voorzichtig tegenover voetgangers, fietsers, ruiters, de niet-gemotoriseerde drie- en vierwielers en de bespannen voertuigen. De snelheid blijft 30 km/u. Het eindebord toont waar die voorbehouden weg ophoudt. Wat geldt er in een voetgangerszone? Definitie. Een voetgangerszone is een of meer openbare wegen voor de voetgangers. Borden duiden het begin en het einde aan. Voetgangers gebruiken er de hele breedte van de openbare weg, spelen mag, en parkeren is verboden. In het centrum van Brugge staat het beginbord rechts aan elke ingang. Links mag het herhaald worden. Aan elke uitgang staat het eindebord rechts. Links mag het herhaald worden. Begin en einde van de zone. De vermeldingen zeggen wie er nog in mag, en tijdens welke uren. Samenstelling van Rijbewijs B Theorie met 2 officiële modellen: Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Wie mag erin, en hoe? Ook zonder kaart mogen er binnen: prioritaire voertuigen als hun opdracht dat vraagt, trams en bussen van de geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, de voertuigen voor toezicht, controle en onderhoud, en de vuilniswagens. Met een vrije doorgangskaart van de burgemeester, of van wie hij aanduidt, komen er voertuigen bij. De kaart hangt aan de binnenkant van de voorruit. bestuurders van wie de garage in de zone ligt en alleen via de zone bereikbaar is; alleen als het echt niet anders kan: leveringen van handelszaken in de zone die alleen via de zone bereikbaar zijn, wanneer leveren een hoofdactiviteit is; alleen als het echt niet anders kan: voertuigen die in de zone werken komen uitvoeren; toeristische miniatuurtreinen, en een sleep van een tractor en een huifkar; bespannen voertuigen en rijwieltaxi's (fietstaxi's): hier heeft de bestuurder de kaart bij zich; voertuigen voor een medisch beroep of voor thuisverzorging. Het toegangsbord kan, met de uren en de voorwaarden die erop staan, ook nog anderen binnenlaten: voertuigen die komen laden of lossen, taxi's die in de zone iemand afzetten of ophalen, en fietsers. Voor iedereen die er mag rijden: stapvoets, de doorgang vrijlaten voor de voetgangers, stoppen als het moet. Je brengt ze niet in gevaar en je hindert ze niet. Op het examen. In een voetgangerszone stapt een toegelaten fietser van de fiets wanneer de voetgangers zo dicht op elkaar staan dat de doorgang moeilijk wordt. Blijven zitten of bellen lost niets op: afstappen is de regel. Je mag als fietser een voetgangerszone in, maar de voetgangers staan er zo dicht op elkaar dat je er moeilijk door raakt. Wat doe je? Mag je de bedding van tram en bus volgen? Definitie. De bijzondere overrijdbare bedding is het deel van de openbare weg voor de voertuigen van de geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer, de trams en de bussen. Op het wegdek zie je één of twee brede doorlopende witte strepen, of een dambord van witte vierkanten. Soms staan er ook woorden. Het bord van de bedding voor tram en bus staat na elk kruispunt opnieuw. De bedding hoort niet bij de rijbaan. Onthoud vooral dit: de bedding maakt geen deel uit van de rijbaan, net als het fietspad. Je rijdt er dus niet op, behalve om een hindernis op de rijbaan te ontwijken, of wanneer het bord of een onderbord jouw categorie toelaat, zoals een taxi, een fiets of een bromfiets. Wanneer mag je de bedding dwarsen? Overrijdbaar wil zeggen dat je ze mag oversteken. Andere bestuurders mogen de bedding dwarsen in drie gevallen: op een kruispunt; om een eigendom langs de bedding in te nemen of te verlaten; om een parkeerplaats langs de bedding in te nemen of te verlaten. Erop rijden mag in één geval: om een hindernis op de rijbaan te ontwijken. Je mag de bedding niet volgen om vlak voor een kruispunt van richting te veranderen. Op een busstrook mag dat wel, hier niet. Nog een uitzondering, boven op de categorieën die het bord toelaat: een prioritair voertuig op een dringende opdracht mag de bedding volgen, met blauwe knipperlichten en sirene aan. Valkuil. Overrijdbaar betekent dat je de bedding mag dwarsen: op een kruispunt, naar een eigendom, of naar een parkeerplaats erlangs. Erop rijden doe je alleen om een hindernis te ontwijken. Nooit als kortere weg, en ze hoort niet bij de rijbaan. Onthoud. Zie de bedding als de strook van de tram, niet als een sluipweg. Je mag ze dwars oversteken. Je mag ze niet volgen om tijd te winnen. Mag je een overrijdbare bedding dwarsen om een parkeerplaats langs de bedding te bereiken? Stapvoets bij de spelende kinderen en bij de voetgangers, 30 km/u op de voorbehouden wegen, en de bedding van tram en bus nooit als kortere weg. Daarmee heb je de reflexen. Herhaal ze hieronder, en doe daarna de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode), artikelen 2.7, 2.34, 2.35, 2.36, 22quinquies, 22sexies, 22septies, 22octies, 37.5, 72.5 en 72.6 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, artikelen 9.2.bis, 12.5.bis en 14.6 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord C3, bord F99a, bord F99b, bord F101a, bord F101b, bord F99c, bord F101c, bord F103, bord F105 en bord F18 ## Voorrang rotonde en kruispunt: wie mag eerst? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/kruispunten-en-rotondes/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een kruispunt is de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen. Zonder borden of lichten: voorrang van rechts. Een vol kruispunt: je rijdt niet op, ook niet bij een groen licht. Rotonde met borden: je verleent voorrang aan wie er al op rijdt. Richtingaanwijzer om te verlaten, niet om op te rijden. Een rond kruispunt zonder die borden: weer voorrang van rechts. De vormen, het groene licht en de rotonde: hieronder staat wat je ermee doet. Op een kruispunt moet je snel kunnen beslissen. Twee wegen komen samen, meerdere bestuurders kijken elkaar aan, en er is één vraag: wie mag eerst? Drie situaties komen steeds terug. Een kruispunt zonder een enkel bord. Een groen licht voor een kruispunt dat vol staat. Een rotonde met borden, of een rond kruispunt zonder. Hieronder zie je hoe je een kruispunt herkent, wanneer je mag oprijden en hoe je een rotonde neemt, met de juiste richtingaanwijzer. Wat is een kruispunt? Definitie. Een kruispunt is de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen. Zonder borden, lichten of een bevoegd persoon geldt de voorrang van rechts: je verleent voorrang aan de bestuurder die van rechts komt. Je hebt geen lichten en geen borden nodig. Zodra twee openbare wegen samenlopen, sta je op een kruispunt, met voorrangsregels. Staat er niets, dan kijk je naar rechts. De bestuurder die van rechts komt, mag voor jou. Komt er iemand van links, dan verleent die jou voorrang. Stel: je rijdt in Leuven een rustige zijstraat uit. Rechts komt een auto, links ook. Geen bord, geen licht. Jij laat de auto van rechts voorgaan. De auto van links wacht op jou. Twee openbare wegen komen samen: een kruispunt, met zijn voorrangsregels. Soms staat er een driehoek met een rode rand en een zwart kruis. Dat bord verandert niets. Het zegt alleen dat hier de voorrang van rechts geldt. Het geeft jou zelf geen voorrang. Ook zonder dat bord blijft de voorrang van rechts de basis. Het bord zegt alleen: let op, hier is niets anders geregeld. Wie een kruispunt oprijdt, moet dubbel voorzichtig zijn, ook als jij voorrang hebt. Zo voorkom je een ongeval. Kruispunt zonder enig bord of licht: wie mag eerst? Hoe zien kruispunten eruit? Kruispunten verschillen door het aantal takken en door de hoek waaronder ze samenkomen. De voorrang verandert daar niet door. vier takken die elkaar kruisen, haaks of schuin; drie takken, de derde sluit bijna haaks aan op een doorgaande weg: een T-kruispunt; drie takken, de derde sluit schuin aan op een doorgaande weg: een Y-kruispunt; vijf takken of meer: het kruispunt lijkt op een ster. Een kruispunt met vier takken, van bovenaf gezien. T-kruispunt: de derde tak komt er bijna haaks op uit. Y-kruispunt: de derde tak komt er schuin op uit. Onthoud. Het aantal takken of de hoek verandert de voorrang niet: zonder borden of lichten geldt op elk kruispunt de voorrang van rechts. In Gent kom je ze alle vier tegen. Een schuin kruispunt van twee lanen, een zijstraat die bijna haaks uitkomt, een schuine aftakking, een plek waar vijf straten samenkomen. Tel eerst de takken. Pas daarna de voorrangsregel toe. Een T-kruispunt is geen vrije baan voor wie rechtdoor rijdt. Zonder bord verleent ook die bestuurder voorrang aan wie van rechts komt. De weg die het meest rechtdoor loopt, wint niet vanzelf. Mijn licht is groen, maar het kruispunt zit vol. Rijd ik op? Regelt een bevoegd persoon of een verkeerslicht het kruispunt, en sta je er al op? Dan mag je het vrijmaken. Je hoeft niet te wachten tot het verkeer openstaat in de richting die je neemt. Eén uitzondering. Een rood licht aan je rechterkant, op de weg die je gaat volgen, houdt je tegen. Dat licht rijd je niet voorbij. Sta je al op het kruispunt, dan mag je het vrijmaken. Een rood licht rechts op jouw weg houdt je tegen. Zit het kruispunt zo vol dat je er waarschijnlijk zou moeten stoppen, en zo het verkeer dat dwars oversteekt zou hinderen of blokkeren? Dan rijd je niet op. Ook niet als het licht groen is. Valkuil. Groen licht en een vol kruispunt: je blijft ervoor. Het licht laat je toe om te rijden. Oprijden blijft verboden zodra je daar waarschijnlijk zou stoppen en het dwarsverkeer zou hinderen. Onthoud. Een groen licht is een toelating, geen bevel. Zou je waarschijnlijk op het kruispunt moeten stoppen en zo het dwarsverkeer hinderen of blokkeren, dan rijd je niet op. In de auto doe je hetzelfde als op het examen. Je licht is groen, maar het kruispunt staat helemaal vol. Rijd je op? Een bevoegd persoon gaat boven de lichten en boven de gewone regels. Je geeft meteen gevolg aan zijn bevel. Je herkent hem aan de kentekens van zijn functie, overdag en 's nachts. Armen horizontaal uitgestrekt betekenen stoppen voor wie dwars op die armen nadert. Een arm recht omhoog betekent stoppen voor iedereen, behalve voor wie al op het kruispunt staat en het moet vrijmaken. Je staat al op het kruispunt. Een bevoegd persoon regelt het verkeer. Mag je het verlaten? Waarom geldt de voorrang van rechts niet op een rotonde? Definitie. Een rotonde is een weg waar het verkeer in één richting rond een aangelegd middeneiland rijdt. Een blauw rond bord toont drie witte pijlen in een cirkel. Elke toegangsweg heeft een bord voorrang verlenen of een stopbord. Het bord van de rotonde: drie witte pijlen in een cirkel, verkeer in één richting. Die borden aan elke ingang draaien de reflex om. Wie wil oprijden, verleent voorrang aan wie al op de rotonde rijdt. Die bestuurders komen van je linkerkant. De borden hebben de voorrang al vastgelegd, dus de voorrang van rechts geldt hier niet. In de volksmond hoor je ook rondpunt. Officieel heet het alleen een rotonde als die borden er staan. Voorrang verlenen doe je zo. Je past je snelheid aan en je stopt als dat nodig is. Kijk waar de ander is, hoe snel hij rijdt en hoe ver hij nog is. Pas dan rijd je verder. Een stopbord is strenger. Je stopt, en daarna verleen je voorrang aan wie op de weg rijdt die je oprijdt. Ook als de rotonde in Brugge op een stille zondag leeg lijkt. De stopstreep, een doorlopende witte streep haaks op de rand van de rijbaan, toont waar je stopt. Een rond kruispunt zonder het blauwe bord, en zonder bord voorrang verlenen of stopbord aan de ingangen, is geen rotonde. Het is een gewoon kruispunt. Wie erop rijdt, verleent dan voorrang aan wie van rechts komt oprijden. Valkuil. Rotonde met borden: wie er al op rijdt, mag eerst. Een rond kruispunt zonder die borden is geen rotonde. Dan geldt weer de voorrang van rechts. Wie erop rijdt, laat de bestuurder van rechts voorgaan. Een rond kruispunt heeft geen borden aan de ingangen. Wat geldt daar? Moet ik mijn richtingaanwijzer gebruiken op een rotonde? Een rotonde oprijden is een bijzondere richtingsverandering. Je hoeft je richtingaanwijzer daarvoor niet te gebruiken. Bij het verlaten van de rotonde moet het wel. Je slaat rechts af, dus je gebruikt de rechter richtingaanwijzer. Op het examen. Rotonde: richtingaanwijzer verplicht om te verlaten, niet verplicht om op te rijden. Van rijstrook veranderen kondig je wel aan, en je verleent voorrang aan wie al op die rijstrook rijdt. Een goede gewoonte: zet je rechter richtingaanwijzer aan zodra je de uitgang vóór de jouwe voorbij bent. Wie in de wachtrij wil oprijden, ziet op tijd wat je doet. Jij vergeet zo niet om je uitgang aan te kondigen. Onthoud. Oprijden mag zonder richtingaanwijzer. Verlaten doe je met de rechter. Een vaste gewoonte: aanzetten zodra je de uitgang vóór de jouwe voorbij bent, zodat wie wacht je bedoeling op tijd ziet. Op de rotonde hoef je niet zo dicht mogelijk bij de rechterrand te rijden. Je volgt de rijstrook die het best bij je bestemming past, en je houdt je aan de strepen die de rijstroken afbakenen. Verander je van rijstrook, bijvoorbeeld van de binnenste naar de buitenste om eraf te gaan? Dan kondig je dat op tijd aan. Van rijstrook veranderen is een manoeuvre: je verleent voorrang aan wie al op de rijstrook rijdt die je oprijdt. Een onderbroken witte streep mag je overschrijden om van rijstrook te veranderen, om links af te slaan, om in te halen of om te keren. Een doorlopende streep mag je niet overschrijden. Zolang de streep onderbroken is, kan je nog wisselen, als je voorrang verleent aan wie er al rijdt. Moet je je richtingaanwijzer gebruiken om een rotonde op te rijden? Voorrang van rechts zonder borden, een groen licht dat geen bevel is, een rotonde die de reflex omdraait: dat zijn de drie sleutels. De herhaling hieronder geeft ze je nog eens als kaartjes. Daarna laat de quiz zien of je het kruispunt snapt. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), artikelen 2.9, 2.39, 4.1, 4.2, 4.3, 6.1, 6.2, 9.3.1, 12.2, 12.3.1, 12.4, 12.5, 13, 14.1, 14.2, 19.2, 72.2, 72.3 en 76.1 Verkeersborden B1 Voorrang verlenen, B5 Stoppen en voorrang verlenen, B17 Kruispunt waar de voorrang van rechts geldt, D5 Verplicht rondgaand verkeer Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord B17, bord D5, bord B1 en bord B5 ## Tunnels: afstand houden, pech en brand Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/rijden-in-tunnels/ Hoofdstuk 8: De openbare weg Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Voor de ingang: dimlichten aan zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter. Geen vast aantal meter: een voldoende veiligheidsafstand voor jouw snelheid. Op autosnelweg en autoweg: niet keren en niet achteruitrijden. Op de rijbaan in een tunnel: niet stilstaan. Bij pech: vluchthaven, of zo ver mogelijk van de as. Kan de auto niet weg of staat hij waar stilstaan verboden is: gevaarsdriehoek. Bij brand: de tunnel uit als de auto nog rijdt, anders de nooduitgang volgen. Vier momenten, in volgorde: voor je inrijdt, terwijl je rijdt, bij pech en bij brand. In een tunnel wordt het midden op de dag plots donker. Geen berm om even te blijven staan, geen plaats om te keren, en het einde van de tunnel kan nog ver weg zijn. Veiligheid in tunnels hoort bij de leerstof van het theorie-examen. Je moet de juiste volgorde zo goed kennen dat je ze zonder nadenken volgt. Het komt neer op vier momenten: voor de ingang, tijdens het rijden, bij pech en bij brand. We nemen ze een voor een door. Wat doe je voor je een tunnel inrijdt? Buiten kan de zon schijnen terwijl het binnen meteen donker is. Overdag hangen je lichten dus af van wat je nog ziet, niet van het uur. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en elke keer dat je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, gebruik je vooraan de dimlichten of de grootlichten. In een tunnel zijn dat bijna altijd de dimlichten. De grootlichten doof je en je schakelt over op dimlichten wanneer de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is, zodat je tot op ongeveer 100 meter duidelijk ziet. Hetzelfde doe je wanneer je een andere auto volgt op minder dan 50 meter, behalve tijdens het inhalen. Zet de dimlichten aan voor de ingang. Dan zoek je de schakelaar niet terwijl je ogen nog moeten wennen. Dit bord staat aan elke ingang van een tunnel langer dan 500 meter. Een onderbord toont de lengte, en soms ook de naam. Het blauwe bord met een witte tunnel erop kondigt een tunnel aan van meer dan 500 meter. Je ziet het aan elke ingang. Een onderbord geeft de lengte, en eventueel de naam. Is de tunnel langer dan 3 000 meter, dan zie je om de 1 000 meter hoeveel er nog rest. De snelheid verandert niet omdat je een tunnel inrijdt. In de bebouwde kom is dat 50 km/u, tenzij een bord een andere snelheid aanduidt. Buiten de bebouwde kom geldt in Vlaanderen 70 km/u. 90 km/u mag alleen waar een bord 90 toont. Op de autosnelweg is het maximum 120 km/u. Buiten de bebouwde kom geldt dat ook op een weg met minstens twee rijstroken in elke richting, als de richtingen anders dan met wegmarkeringen gescheiden zijn. Een rond bord met een getal kan een lagere snelheid opleggen. Dat geldt tot en met het volgende kruispunt, tot een ander snelheidsbord of tot het bord van het begin of het einde van een bebouwde kom, woonerf, erf of voetgangerszone. Op de autosnelweg rijd je niet trager dan 70 km/u, behalve als een bord een lagere snelheid oplegt. Je past je snelheid wel altijd aan het zicht, het verkeer en de staat van de weg aan. Een donkere ingang is zo'n moment. Soms staat er een bord dat een radio-omroep aanduidt waarop je verkeersinformatie hoort. Op dat bord staan de naam van de zender en de frequentie. Onthoud. Voor de ingang: dimlichten aan zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter. Grootlichten uit in een verlichte tunnel of dicht op je voorligger. De snelheid van de weg blijft gelden, tenzij een bord een ander getal toont. Middag, volle zon. In de tunnel zie je niet meer duidelijk tot op ongeveer 200 meter. Wat doe je met je lichten? Welke afstand houd je, en mag je keren? Definitie. Een voldoende veiligheidsafstand is de ruimte die je, gelet op je snelheid, houdt tot je voorligger. Je moet altijd kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Een tunnel voegt daar geen vast aantal meter aan toe. Er is dus geen vast getal dat in elke tunnel geldt. Hoe sneller je rijdt, hoe meer ruimte je nodig hebt om te stoppen. Een bord ter plaatse kan wel een andere snelheid opleggen. Dat bord volg je. Valkuil. Voor een personenauto staat er geen vast aantal meter in de regels, ook niet in een tunnel: je houdt een voldoende afstand voor jouw snelheid. Minstens 50 meter geldt alleen buiten de bebouwde kom, voor voertuigen zwaarder dan 7,5 ton of langer dan 7 meter en voor auto's in konvooi. Op een autosnelweg en op een autoweg is keren verboden. Achteruitrijden ook, net als rijden in de tegenovergestelde richting. Dat geldt ook in een tunnel op die wegen, bijvoorbeeld op de ring van Antwerpen. Op een andere weg zijn keren en achteruitrijden manoeuvres. Je verleent daarbij voorrang aan de andere weggebruikers. In een tunnel lukt dat niet veilig: op de rijbaan mag je er niet stilstaan en niet parkeren. Je afrit gemist? Je rijdt door tot je buiten bent, en je keert waar het mag. Op het examen. Ken de borden van een tunnel (tunnel, nooduitgang, vluchtroute, noodtelefoon, brandblusapparaat, vluchthaven) en de regels van de reddingsstrook. Stilstaan of parkeren op de rijbaan in een tunnel is een overtreding van de tweede graad. Keren en achteruitrijden zijn verboden op autosnelweg en autoweg. Je hebt je afrit in de tunnel gemist. Wat doe je? Wat doe je als er file staat in de tunnel? Bij file vormen de bestuurders een reddingsstrook. Dat is de vrije ruimte tussen de rijstroken, zodat hulp tot bij het incident raakt. In een tunnel is er geen andere plaats om uit te wijken. Bestaat de rijbaan uit twee rijstroken, dan ga je op de linkerrijstrook uiterst links en op de rechterrijstrook uiterst rechts. De opening ontstaat tussen de twee rijen. Zijn er meer dan twee rijstroken, dan blijft de linkerrijstrook uiterst links en schuift de rest naar rechts. De opening ligt dan naast de linkerrijstrook. Door die strook mogen prioritaire voertuigen als hun opdracht dat vraagt, de diensten die het openbaar ministerie of de politie oproept, en de takelwagens die naar het incident rijden. Jij blijft eraf. Pech: waar zet je de auto, en hoe verwittig je? De motor valt stil of een band loopt leeg. Als het nog kan, zet je de auto eerst zo dat het andere verkeer er veilig langs kan. Het bord vluchthaven, met het onderbord dat aanduidt dat er een noodtelefoon en een brandblusser zijn. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Is er een vluchthaven, dan zet je de auto daar: op de rijbaan van een tunnel mag je niet stilstaan. Het bord vluchthaven wijst die plaats aan. Een onderbord kan tonen dat er een noodtelefoon en een brandblusser zijn. Geen vluchthaven? Dan stel je het voertuig op zoals een geparkeerd voertuig: rechts ten opzichte van je rijrichting. Heeft de rijbaan eenrichtingsverkeer, dan mag het ook links. Staat het op de rijbaan, dan zo ver mogelijk van de as, evenwijdig met de rand, in één file. Verwar de vluchthaven niet met het bord noodstopstrook. Dat bord staat alleen waar een noodstopstrook is aangelegd. Kun je de auto niet verplaatsen, of kan hij alleen staan waar stilstaan en parkeren verboden zijn, zoals op de rijbaan in de tunnel, dan signaleer je hem op afstand met de gevaarsdriehoek. Op een gewone weg minstens 30 meter ervoor, op de autosnelweg minstens 100 meter, zodat naderend verkeer hem ziet van op ongeveer 50 meter. In de bebouwde kom, als die 30 meter niet kan, mag de driehoek dichterbij of op het voertuig. Alle richtingaanwijzers tegelijk mag je erbij aanzetten. Dat mag bij een defect voertuig, of om een dreigend gevaar voor een ongeval aan te geven. Die lichten vervangen de driehoek niet. Op een autosnelweg of autoweg trek je een retroreflecterend veiligheidsvest aan zodra je uitstapt, als je staat waar je niet mag stoppen of parkeren. In een tunnel op die wegen dus wel. Op een gewone weg geldt die vestplicht niet automatisch. In een hulppost kan een noodtelefoon hangen: het bord noodtelefoon toont dat. Je gsm kan ook bereik hebben, maar de noodtelefoon hoort bij de uitrusting van de tunnel. Je opent het portier pas wanneer je zeker bent dat je niemand in gevaar brengt, zeker geen voetganger of tweewieler. Onthoud. Pech: vluchthaven, of zo ver mogelijk van de as. Kan de auto niet weg, of staat hij waar stilstaan verboden is: gevaarsdriehoek op minstens 30 meter, op de autosnelweg op minstens 100 meter. Vest aan als je op autosnelweg of autoweg uitstapt waar je niet mag stoppen. Noodtelefoon in de hulppost. Je staat met pech in de tunnel en je wilt hulp roepen. Wat gebruik je in de hulppost? Wat doe je bij brand in een tunnel? Je auto vat vuur. Rijdt hij nog, dan blijf je niet op de rijbaan staan, want in een tunnel is stilstaan daar verboden. Je rijdt de tunnel uit zolang dat nog kan. Kan de auto niet meer rijden, dan stel je hem zo goed mogelijk op en signaleer je hem, zoals bij pech. Bij brand volg je de borden naar de nooduitgang. Een hulppost achter een deur is geen plaats om te blijven. Het bord brandblusapparaat toont dat de hulppost er een heeft. Zit die post achter een deur, dan staat erbij dat deze zone niet brandbestendig is. Je schuilt daar niet. Je volgt de aanwijzingen naar de nooduitgangen. Het bord nooduitgang duidt de uitgangen aan. Het bord vluchtroute toont de dichtstbijzijnde nooduitgang in de aangeduide richting, met de afstand in meter. Die borden hangen op de tunnelwand, maximaal 25 meter van elkaar en op 1 tot 1,5 meter boven de weg. Valkuil. De hulppost is geen schuilkelder. Achter een deur lees je dat de zone niet brandbestendig is. Jij volgt de vluchtroute naar de nooduitgang, ook als het blusapparaat daar hangt. Het brandt en de hulppost zit achter een deur. Waar ga je heen? Dimlichten als het zicht wegvalt, voldoende afstand, niet stilstaan op de rijbaan, bij pech de vluchthaven of anders de gevaarsdriehoek, bij brand de nooduitgang. Herhaal die volgorde, en toets ze daarna in de quiz. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), Vlaamse versie: artikelen 2.70, 9.8, 10.1, 11.1, 11.2, 12.4, 18.2, 18.3, 21.2, 21.4, 22.2, 23.1, 23.2, 24, 28, 30, 30.1, 32bis, 51.1, 51.2 en 51.4 Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad: artikel 2 (tweede graad, stilstaan op de rijbaan in een tunnel) Ministerieel besluit van 11 oktober 1976: plaatsing van het bord tunnel, nooduitgangen, vluchtroute, brandblusapparaat, noodtelefoon, radio-omroep en noodstopstrook Bijlage 4 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, en de brochure van GOCA Vlaanderen: veiligheid in tunnels hoort bij de leerstof van het theorie-examen Verkeersborden: tunnel, snelheidsbeperking, radio-omroep met verkeersinformatie, vluchthaven, noodstopstrook, noodtelefoon, brandblusapparaat, nooduitgang, vluchtroute Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 12.2bis, 12.20, 12.15bis, 12.13quater, 12.13quinquies en 12.14 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F8, bord C43, bord F93, bord F98, bord F95, bord F62, bord F52, bord F52bis en bord F56 GOCA Vlaanderen, DOC. 130: Het rijbewijsexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Tegenliggers kruisen: regels, uitzonderingen en tram Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/tegenliggers-kruisen/ Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Kruisen: twee voertuigen rijden elkaar in tegengestelde richting voorbij. Dat gebeurt rechts. Je laat genoeg zijdelingse afstand en je wijkt naar rechts uit als het moet. Hindernis aan jouw kant: je vertraagt en stopt als het nodig is, zodat de tegenligger door kan. Te smalle rijbaan: de gelijkgrondse berm of de zijdelingse strook mag, zonder iemand in gevaar te brengen. Een tram mag je links kruisen als rechts te smal of versperd is, zonder de tegenliggers te hinderen of in gevaar te brengen. De regel, de zes situaties waarin je voorrang verleent, de berm en de tram: alles staat hieronder. Een smalle straat in Gent, geparkeerde auto's, en recht voor je een tegenligger. Wie rijdt door? Wie wijkt uit? Kruisen lijkt vanzelfsprekend: je doet het tientallen keren per rit zonder erbij stil te staan. Toch moet je de regels goed kennen, ook met een tram in tegenrichting of een berm als uitweg. Wat is kruisen? Definitie. Bij kruisen rijden twee bestuurders in tegengestelde richting en gaan ze elkaar op de openbare weg voorbij. Ieder blijft aan zijn eigen kant. In Vlaanderen rijd je rechts. Op de rijbaan blijf je zo dicht mogelijk bij de rechterrand. Op een plein hoeft dat niet. De tegenligger rijdt dus links van jou. Het kruisen gebeurt rechts. Jij blijft aan jouw kant, de ander aan de zijne, en jullie rijden elkaar voorbij. Een bord voor een smalle doorgang verandert die kant niet: het zegt alleen wie eerst door mag. Ieder zijn kant, ieder rechts: zo ziet een gewoon kruisen eruit. Valkuil. Kruisen gaat over twee voertuigen in tegengestelde richting. Inhalen gaat over een bestuurder die een andere bewegende bestuurder voorbijrijdt in dezelfde richting. Haal ze niet door elkaar. Kijk eerst naar de rijrichting. Een straat met verkeer in twee richtingen. Er komt een auto recht op je af. Het kruisen gebeurt: Aan wie verleen je voorrang? Kruisen zonder elkaar te raken begint bij één vraag: wie laat wie voorgaan? Zes situaties moet je kunnen toepassen. Spoorvoertuigen. Elke weggebruiker verleent voorrang aan een tram of een ander voertuig op rails, en gaat zo snel mogelijk van de sporen af. Voorrang van rechts. Je verleent voorrang aan de bestuurder die van rechts komt. Niet als jij al op een rotonde rijdt. En niet als die bestuurder uit een verboden rijrichting komt. Bord voorrang verlenen of stopbord. Kom je van een weg met de omgekeerde driehoek of met een stopbord, dan verleen je voorrang aan elke bestuurder op de weg die je oprijdt. Aardeweg of pad. Kom je van een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan, dan verleen je voorrang aan elke bestuurder die daar rijdt. Een manoeuvre. Wie een manoeuvre wil uitvoeren, verleent voorrang aan de andere weggebruikers. Van rijstrook veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een aanpalend eigendom komen, keren of achteruitrijden: dat zijn manoeuvres. Vanop het einde van een fietspad de rijbaan oprijden om rechtdoor te rijden, is dat niet. Trottoir of fietspad. Steek je een trottoir of een fietspad over, dan verleen je voorrang aan de weggebruikers die er volgens de regels gebruik van maken. Een pad is een smalle openbare weg, alleen voor voetgangers en voor voertuigen die niet meer ruimte nodig hebben dan een voetganger. Een aardeweg is breder dan een pad, maar niet ingericht voor het voertuigenverkeer in het algemeen. Hij blijft een aardeweg, ook als alleen het stuk waar hij op een andere weg aansluit eruitziet als een rijbaan. Een voertuig komt van rechts, en er staat geen bord: jij verleent voorrang. Op het examen. Voorrang verlenen is niet even vertragen voor de vorm. Je mag pas verder rijden als je dat kunt zonder gevaar voor een ongeval. Kijk waar de anderen zijn en let op hun snelheid en hun afstand. Je komt van een aardeweg tussen de velden op de rijbaan naar Oudenaarde. Wie mag eerst? Wat doe je op het moment dat je kruist? De regel zegt rechts. Op de weg doe je drie dingen, elke keer opnieuw. Je laat een voldoende zijdelingse afstand: genoeg ruimte naast het voertuig dat je kruist. Als het nodig is, wijk je naar rechts uit. Belemmert een hindernis of een andere weggebruiker jouw doorgang, dan vertraag je. Als het nodig is, stop je, zodat de tegenliggers door kunnen. De hindernis beslist wie wacht. Ligt ze aan jouw kant, dan is jouw doorgang versperd en laat jij de tegenligger door. Ligt ze aan zijn kant, dan is zijn doorgang versperd en laat hij jou door. Wie er het eerst was, speelt geen rol. Is de rijbaan niet breed genoeg om vlot te kruisen? Dan mag je de gelijkgrondse berm volgen, of de zijdelingse strook. Alleen als je de weggebruikers die daar zijn niet in gevaar brengt. De gelijkgrondse berm ligt op dezelfde hoogte als de rijbaan, tussen de rijbaan en een sloot, een talud of de grens van een eigendom. Het is niet het trottoir en niet het fietspad. Meestal is ze niet verhard. De verhoogde berm, die hoger ligt, gebruik je hier niet. Het trottoir ook niet. De zijdelingse strook ligt langs de middenrijbaan: het middelste deel van de weg, aan elke kant afgebakend door een witte onderbroken streep. De strook hoort niet bij de rijbaan. Zie je zo'n strook, dan mag je die volgen om te kruisen, met dezelfde voorwaarde: niemand die daar loopt of rijdt in gevaar brengen. In een smalle straat kijk je best ver vooruit. Zoek al een plaats om uit te wijken terwijl de tegenligger nog ver weg is, niet pas als jullie neus aan neus staan. Onthoud. Kruisen: rechts, genoeg zijdelingse afstand, naar rechts uitwijken als het moet. Hindernis aan jouw kant: vertragen en stoppen als het nodig is. Te smalle rijbaan: gelijkgrondse berm of zijdelingse strook, zonder iemand in gevaar te brengen. De rijbaan is te smal om veilig te kruisen. Wat mag je doen? Wanneer mag je een tram links kruisen? Een tram die de rijbaan volgt, kan niet uitwijken. De rails bepalen zijn plaats. Daarom bestaat er één uitzondering op rechts kruisen. Een spoorvoertuig op de rijbaan mag je links kruisen, maar alleen als het rechts niet kan. Twee gevallen: de doorgang rechts is te smal; een stilstaand of geparkeerd voertuig, of een andere vaste hindernis, verspert de doorgang rechts. De voorwaarde valt niet weg: je hindert de tegenliggers niet en je brengt hen niet in gevaar. Is rechts nog vrij en breed genoeg, dan kruis je de tram gewoon rechts, zoals elke andere tegenligger. Links kruisen heft de voorrang van de tram niet op. Elke weggebruiker verleent voorrang aan het spoorvoertuig en gaat zo snel mogelijk van de sporen af. Sla je af en komt er een tram aan, dan laat je die voorgaan, of je nu links of rechts afslaat. Voorrang van rechts geldt niet tegenover een tram. Op het examen. De tram kruis je rechts zolang dat kan. Links alleen als de doorgang rechts te smal is of versperd door een stilstaand of geparkeerd voertuig of een andere vaste hindernis. Nooit als je de tegenliggers hindert of in gevaar brengt. Een tram komt op de rijbaan recht op je af. Rechts is het te smal. Mag je links kruisen? Welk bord beslist in een smalle doorgang? Soms is de doorgang zo smal dat twee auto's er niet naast elkaar door kunnen. Dan staat er een bord dat zegt wie wacht. Een verkeersbord gaat boven de gewone verkeersregel. Je hoeft niet meer met de tegenligger uit te maken wie eerst mag. De twee borden heten allebei smalle doorgang. Je leest ze op dezelfde manier: de pijl die naar boven wijst, is jouw richting. De pijl die naar beneden wijst, is de richting van de tegenligger. Het ronde bord heeft een rode rand en een witte achtergrond. Jouw pijl, rechts op het bord, is rood en wijst naar boven. De zwarte pijl van de tegenligger wijst naar beneden. Jij verleent voorrang aan de bestuurders uit de tegenovergestelde richting. Smalle doorgang: de rode pijl naar boven is jouw richting. Jij verleent voorrang aan de tegenligger. Het blauwe rechthoekige bord heeft een witte rand. Jouw pijl, rechts op het bord, is wit en wijst naar boven. De rode pijl van de tegenligger wijst naar beneden. Jij hebt voorrang op de bestuurders uit de tegenovergestelde richting. Smalle doorgang: de witte pijl naar boven is jouw richting. Jij hebt voorrang op de tegenligger. Valkuil. De twee borden van de smalle doorgang lijken op elkaar, maar ze zeggen het omgekeerde. Rond met een rode rand: jouw pijl is rood, jij wacht. Blauw en rechthoekig: jouw pijl is wit, jij rijdt eerst. Kijk naar de pijl die naar boven wijst. Bij een smalle doorgang zie je het ronde bord met de rode rand. Wat doe je? Je kruist rechts en je verleent voorrang wanneer de situatie dat vraagt. Is de rijbaan te smal, dan gebruik je de berm of de zijdelingse strook. Alleen een tram mag je soms links kruisen. In een smalle doorgang zegt het bord wie er eerst mag. Herhaal de kernpunten met de herhalingskaartjes en maak daarna de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 15.1, 9.3.1, 16.1, 67.3, 12.1, 12.3.1, 12.4, 12.4bis, 12.5, 2.5, 2.6, 15.2, 15.3, 2.41, 2.42, 2.71, 2.72, 75.3, 15.4 en 6.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord B19 en bord B21 ## Inhalen: wanneer mag het en wanneer niet? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/inhalen/ Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Inhalen doe je links: op tijd je richtingaanwijzer, genoeg afstand, en terug naar rechts zodra het kan. Geen inhalen: een stilstaand voertuig voorbijrijden (behalve een tram die reizigers laat in- of uitstappen), de pijlen boven de rijstroken volgen, of een motorrijder tussen de rijen tot 50 km/u. Rechts alleen als je voorligger aangeeft dat hij links afslaat of links gaat staan en al naar links is gegaan, of als het een tram op de rijbaan is. Verboden bij te weinig zicht, over een doorlopende streep, op een kruispunt met voorrang van rechts of waar jij voorrang verleent, en bij een ongeregelde oversteekplaats. Haalt iemand jou in? Zo ver mogelijk naar rechts, en niet versnellen. De uitzonderingen, de verboden en de valkuilen van het theorie-examen staan hieronder. Inhalen lijkt eenvoudig, maar de regels zitten vol uitzonderingen. Voor het theorie-examen houd je drie dingen uit elkaar: links inhalen, de gevallen waarin rechts mag, en de verboden. Wat is inhalen, en wat lijkt er alleen op? Definitie. Inhalen is een bestuurder voorbijrijden die in beweging is en in dezelfde richting rijdt. Een tegenligger kruis je. Een voertuig dat stilstaat, haal je niet in. Drie situaties lijken op inhalen, maar zijn het niet. een stilstaand voertuig voorbijrijden: het rijdt niet, dus het is geen inhalen, behalve een tram die stilstaat om reizigers te laten in- of uitstappen; sneller rijden dan de rij naast je, als je de pijlen boven de rijstroken volgt of in rijen naast elkaar mag rijden: geen inhalen, behalve bij een ongeregelde oversteekplaats (zonder bevoegd persoon en zonder lichten); een motorrijder tussen de rijen, binnen de grenzen hieronder. Pijlen boven de rijstroken: je volgt de pijl van jouw rijstrook. Sneller dan de rij ernaast is dan geen inhalen. In de bebouwde kom kies je de rijstrook die bij je bestemming past: op een eenrichtingsweg met rijstroken, en op een weg met vier of meer rijstroken waarvan er minstens twee per richting zijn. Is het druk, dan mag het verkeer in meerdere rijen naast elkaar rijden op die wegen, op een eenrichtingsweg, en waar lichten boven de rijstroken hangen. Bij twee richtingen blijf je op de rijstroken van jouw richting. Valkuil. Staat in de vraag dat het voertuig stilstaat, dan is het meestal geen inhalen. Twee uitzonderingen: een tram die stilstaat om reizigers te laten in- of uitstappen, en een bestuurder die stopt voor een ongeregelde oversteekplaats. Definitie. Een motorrijder tussen twee rijstroken of rijen haalt niet in als de voertuigen daar stilstaan of traag rijden. Hij rijdt hoogstens 50 km/u, en hoogstens 20 km/u sneller dan zij. Op een autosnelweg of autoweg blijft hij tussen de twee meest linkse rijstroken. Bij een ongeregelde oversteekplaats is dat wel inhalen, en dus verboden. Je rijdt in Leuven een rij stilstaande auto's voorbij. Is dat inhalen? Hoe haal je links in? De basis is één zin: inhalen doe je links. kijk eerst of het zonder gevaar kan: de weg is ver genoeg vrij, niemand achter je is al aan het inhalen, je kunt terug naar rechts zonder anderen te hinderen, en je kunt in heel korte tijd inhalen; kondig het aan, op tijd, met je linker richtingaanwijzer. Heeft je voertuig er geen, geef dan een teken met je arm, als dat kan. Zet je richtingaanwijzer uit zodra je zijdelings verplaatst bent; houd afstand: blijf zo ver als nodig van wie je inhaalt. Is de rijbaan te smal om vlot voorbij te komen, dan mag je de gelijkgrondse berm of de zijdelingse strook volgen, zonder iemand in gevaar te brengen; ga terug naar rechts zodra dat zonder hinder kan, en kondig dat ook aan. Zet je richtingaanwijzer weer uit zodra je terug bent. Richtingaanwijzer op tijd, genoeg afstand, en terug naar rechts zodra het kan. Je mag links blijven om meteen opnieuw in te halen: op een rijbaan met twee richtingen en vier of meer rijstroken, zolang je op de rijstroken van jouw richting blijft, en op een eenrichtingsweg. Een onderbroken witte streep mag je overschrijden om in te halen. Een doorlopende witte streep niet, en scheidt ze de rijrichtingen, dan mag je er ook niet links van rijden. Wanneer mag je rechts inhalen? Rechts inhalen mag alleen in deze drie gevallen. je voorligger heeft aangegeven dat hij links afslaat, en hij is al naar links gegaan; hij heeft aangegeven dat hij zijn voertuig links opstelt om er stil te staan of te parkeren, en hij is al naar links gegaan; het is een tram of een ander spoorvoertuig dat de rijbaan volgt, of het nu rijdt of stilstaat om reizigers te laten in- of uitstappen. Een tram haal je dus rechts in. Links mag pas als rechts niet kan: de doorgang is te smal, er staat een stilstaand of geparkeerd voertuig of er ligt een vaste hindernis. Tegenliggers mag je daarbij niet hinderen of in gevaar brengen. Op een rijbaan met eenrichtingsverkeer mag je een tram ook links inhalen, als het verkeer dat vraagt. Je voorligger slaat links af en is al naar links gegaan: rechts inhalen mag. Op het examen. Rechts inhalen mag als je voorligger aangeeft dat hij links afslaat of links gaat staan, en al naar links is gegaan. Ontbreekt een van beide, dan haal je gewoon links in. Een tram op de rijbaan haal je rechts in. De auto voor je slaat links af en is al naar links gegaan. Mag je rechts inhalen? Waar is links inhalen verboden? Je mag links niet inhalen zodra het zicht, een streep, een kruispunt of een kwetsbare weggebruiker de beweging gevaarlijk maakt. je ziet de tegenliggers niet ver genoeg om het zonder gevaar voor een ongeval te doen; je nadert de top van een helling of je rijdt in een bocht met te weinig zicht. Een auto of een gespan links inhalen is dan de vierde graad, tenzij je de doorlopende witte streep niet overschrijdt die het deel voor de tegenliggers aflijnt; je moet een doorlopende witte streep overschrijden. Dat is op zich een overtreding van de derde graad; je bent op een overweg met het Sint-Andrieskruis, voor één spoor of voor twee of meer sporen, tenzij er slagbomen zijn of lichten het verkeer regelen; het kruispunt heeft voorrang van rechts. Een fietser mag je wel links inhalen. Een gespan, een bromfiets, een motorfiets of een voertuig met meer dan twee wielen niet; jij moet er voorrang verlenen: je komt uit een weg met een bord voorrang verlenen of een stopbord, of je rijdt uit een aardeweg of een pad de rijbaan op; je voorligger haalt zelf een ander voertuig in dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets. Vanaf drie rijstroken in jouw richting mag het wel; je voorligger stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers en tweewielige bromfietsen, of nadert die, zonder bevoegd persoon en zonder lichten; je zou sneller rijden dan daar toegelaten is; je rijdt op een verhoogde inrichting. Die is aangekondigd door het waarschuwingsbord en het blauwe bord, op een kruispunt soms alleen door het waarschuwingsbord, of ze ligt in een zone 30. Een fietser mag je ook op een overweg of een verhoogde inrichting links inhalen, als je de tegenliggers ver genoeg ziet en geen doorlopende streep overschrijdt. In de bebouwde kom is de gewone grens 50 km/u, tenzij een bord een andere snelheid oplegt. Buiten de bebouwde kom is de gewone grens in Vlaanderen 70 km/u. Ook als je inhaalt, blijft die grens gelden. 90 km/u mag buiten de bebouwde kom alleen als een bord 90 toont. Op de autosnelweg, en op een weg met minstens twee rijstroken per richting die anders dan door wegmarkeringen gescheiden zijn, geldt 120 km/u. Een lagere grens van een bord blijft gelden. Twee extra verboden gelden voor zware voertuigen. bij neerslag mogen voertuigen en slepen voor goederenvervoer boven 7,5 ton maximale toegelaten massa niet links inhalen op autosnelwegen, autowegen en wegen met minstens vier rijstroken, met of zonder middenberm. Dat verbod geldt niet als ze een voertuig op een voorbehouden rijstrook voor traag verkeer of een landbouwvoertuig inhalen; een langere en zwaardere sleep, die alleen onder de voorwaarden van de bevoegde overheid rijdt, mag buiten de autosnelweg geen voertuig inhalen dat sneller rijdt dan 50 km/u. Een rond bord kan het links inhalen nog verder beperken. Vanaf dat bord tot en met het volgende kruispunt mag je een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen niet links inhalen. Het geldt voor elke bestuurder. Links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden, tot en met het volgende kruispunt. Het einde is hetzelfde bord, grijs en doorgestreept. Goederenvervoer boven 3 500 kg maximale toegelaten massa heeft een eigen bord, met hetzelfde einde. Een van beide negeren is een overtreding van de derde graad. Goederenvervoer boven 3 500 kg mag geen gespan of voertuig met meer dan twee wielen links inhalen, tot en met het volgende kruispunt. Overweg voor een enkel spoor. Zonder slagbomen en zonder verkeerslichten mag je hier links niet inhalen. Op het examen. Te weinig zicht op tegenliggers is de derde graad. Op een heuveltop of in een bocht met te weinig zicht is een auto links inhalen de vierde graad, tenzij je de doorlopende streep niet overschrijdt. Op het theorie-examen zijn dat zware overtredingen. Onthoud. Loop een inhaalvraag zo af. Heb ik te weinig zicht op de tegenliggers? Moet ik een doorlopende streep overschrijden? Komt er een kruispunt of een oversteekplaats? Drie keer nee en geen verbodsbord: dan mag je meestal links inhalen, met je richtingaanwijzer en genoeg afstand. Er komt een oversteekplaats voor voetgangers, zonder bevoegd persoon en zonder lichten. Mag je de auto voor je inhalen? Iemand haalt jou in. Wat doe je? Bij inhalen zijn altijd twee bestuurders betrokken. Gaat iemand je links inhalen, dan wijk je zo ver mogelijk naar rechts uit en je voert je snelheid niet op. Ook onder de limiet, ook op de ring van Antwerpen. Dat is een overtreding van de derde graad. Valkuil. Haalt iemand je links in, ga dan zo ver mogelijk naar rechts en geef geen gas bij. Versnellen mag dan niet, ook als je onder de maximale snelheid blijft. Iemand haalt je links in. Mag je versnellen als je onder de limiet blijft? Inhalen doe je links, rechts alleen in de drie uitzonderingen, en waar een verbod geldt, wacht je. De herhaling hieronder zet de kern op kaartjes, en de vragen daarna testen of het blijft hangen. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), Vlaamse versie, artikelen 9.4, 9.5, 11.1, 11.2, 12.3.1, 13, 16, 17, 22ter, 72.2 en 72.3 Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad, artikelen 3 en 4 Verkeersborden C35, C37, C39, C41, A41, A45, A47, B17, F13, F15, A14, F87 en F4a Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 16.1, 16.2, 16.2bis, 17.2, 16.3, 16.4, 16.5, 16.6, 16.9, 17.1, 17.3 en 16.7 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F13, bord F15, bord A45, bord A47, bord A41, bord C35, bord C37, bord C39, bord C41, bord A14, bord F87 en bord F4a ## Afslaan en voorsorteren: links, rechts en op de rotonde Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/afslaan-en-voorsorteren/ Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een richtingsverandering is rechts of links afslaan om de rijbaan te verlaten, je voertuig links opstellen op eenrichtingsverkeer, of een rotonde oprijden of verlaten. Voor je afslaat: laten de borden het toe, is het veilig voor wie achter je rijdt, richtingaanwijzer aan, juiste plaats, voorrang verlenen. Rechts = kort, dicht bij de rechterrand. Links = ruim, zonder de tegenliggers te hinderen, en zij mogen eerst. Op een rotonde is de richtingaanwijzer niet verplicht bij het oprijden en wel bij het verlaten. Tijdens het afslaan laat je voetgangers voorgaan die de rijbaan oversteken die je oprijdt, en wie op het fietspad of het trottoir rijdt of loopt. De juiste rijstrook, de formule rechts kort en links ruim, en de valkuil van de rotonde: dat staat hieronder. Afslaan is de beweging die je het vaakst maakt. Voor het theorie-examen moet je weten waar je je plaatst vóór je afslaat en wanneer je op de rotonde je richtingaanwijzer gebruikt. Bijna alles past in vier woorden: rechts kort, links ruim. Wat is een richtingsverandering? Definitie. Een richtingsverandering is naar rechts of naar links afslaan om de rijbaan te verlaten. Ook je voertuig links opstellen op een rijbaan met eenrichtingsverkeer hoort daarbij, en een rotonde oprijden of verlaten. Bij het oprijden hoef je de richtingaanwijzers niet te gebruiken. Voor je van richting verandert, doe je vier dingen: je kijkt of de borden de beweging toelaten; je kijkt of het veilig kan, vooral of wie achter je rijdt nog kan vertragen; je geeft aan wat je gaat doen en je neemt de juiste plaats in op de rijbaan; je verleent voorrang aan wie er recht op heeft. Je voertuig links opstellen op eenrichtingsverkeer is een zijdelingse verplaatsing. Die kondig je op tijd aan met je richtingaanwijzers. Heb je er geen, zoals op een fiets, dan zo mogelijk met je arm. Je stopt met aangeven zodra de beweging gedaan is. Je voertuig links opstellen op een rijbaan met eenrichtingsverkeer: is dat een richtingsverandering? Hoe sla je rechts af? In Gent sla je rechts een smalle zijstraat in. Je doet dat zo: je geeft je voornemen op tijd aan met de rechterrichtingaanwijzer (heb je er geen, dan zo mogelijk met je arm). Rijd je een rotonde op, dan hoeft dat niet. Je zet hem uit zodra de bocht gedaan is; je blijft zo dicht mogelijk bij de rechterrand. Alleen als de inrichting van de weg en de afmetingen van je voertuig of je lading dat beletten, mag je naar links; doe je dat, dan kijk je eerst of niemand achter je al begonnen is met inhalen. Je brengt de anderen op de weg die je verlaat niet in gevaar; je rijdt de bocht met een matige snelheid en zo kort mogelijk. Rechts afslaan: dicht bij de rechterrand, en de bocht zo kort mogelijk. Eén uitzondering op de korte bocht: mag je op de rijbaan die je oprijdt je rijstrook kiezen of naast elkaar rijden (verderop lees je wanneer), dan hoef je de bocht niet zo kort te nemen. Valkuil. Mag je je rijstrook kiezen of naast elkaar rijden, dan sla je rechts alleen af vanaf de rechterrijstrook en links alleen vanaf de linkerstrook. Een bocht vanaf de verkeerde rijstrook mag niet. Rechts afslaan doe je... Hoe sla je links af, en waarom is dat lastiger? Links afslaan is lastiger: je kruist het tegemoetkomende verkeer. In Leuven wil je links een zijstraat in, op een rijbaan met twee richtingen. Je doet dit: je geeft je voornemen op tijd aan met de linkerrichtingaanwijzer (heb je er geen, dan zo mogelijk met je arm). Je zet hem uit zodra de bocht gedaan is; bij twee richtingen ga je naar links, zonder de tegenliggers te hinderen; bij eenrichtingsverkeer blijf je zo dicht mogelijk bij de linkerrand; je verleent voorrang aan de tegenliggers op de rijbaan die je verlaat; je rijdt met een matige snelheid; op een kruispunt draai je zo ruim mogelijk, zodat je de nieuwe rijbaan rechts oprijdt. Links afslaan: je gaat naar links, en je hindert de tegenliggers niet. Mag je je rijstrook kiezen of naast elkaar rijden, dan sla je links alleen af vanaf de linkerstrook. Je rijdt de nieuwe rijbaan toch rechts op, behalve als je ook daar je rijstrook mag kiezen of naast elkaar mag rijden. Valkuil. Links afslaan geeft je geen voorrang. Je laat de tegenliggers voorgaan op de rijbaan die je verlaat, richtingaanwijzer of niet. Je slaat links af op een rijbaan met twee richtingen. Wie mag eerst? Onthoud. Vier woorden: rechts kort, links ruim. Rechts blijf je bij de rand en je neemt de bocht kort. Links neem je de bocht ruim, zodat je de nieuwe rijbaan rechts oprijdt. Welke rijstrook neem je, en welke borden volg je? Op een gewone weg met één rijstrook per richting blijf je zo dicht mogelijk bij de rechterrand. In de bebouwde kom mag je de rijstrook volgen die het best bij je bestemming past. Dat mag op eenrichtingsverkeer met rijstroken, en bij twee richtingen met vier of meer rijstroken, minstens twee per richting. In Hasselt, op eenrichtingsverkeer met drie rijstroken, wil je links afslaan: neem dan de linkerstrook. Is het druk genoeg, dan mag je ook op meerdere rijstroken naast elkaar rijden. Dat geldt op die brede rijbaan, op eenrichtingsverkeer, en waar verkeerslichten boven de rijstroken hangen. In die twee gevallen sla je rechts alleen af vanaf de rechterrijstrook, links vanaf de linkerstrook. Witte pijlen voor het kruispunt: op het kruispunt volg je de richting van jouw rijstrook. Bij het naderen van een kruispunt kunnen er witte voorsorteringspijlen op het wegdek staan. Ze tonen welke rijstrook je volgt om in de richting van de pijl te rijden. Op het kruispunt volg je de richting, of een van de richtingen, van de rijstrook waar je op rijdt. Een blauw bord kan die pijlen op de rijbaan aankondigen en je de keuze van de rijstrook opleggen. Het kan ook een strook voor fietsers en tweewielige bromfietsen tonen. Dit bord kondigt de pijlen op de rijbaan aan en schrijft voor welke rijstrook je neemt. Een ander blauw bord hangt boven de rijstroken en schrijft de richting voor. Pijlen recht naar beneden of naar boven zijn voor rechtdoor. Schuine pijlen zijn voor afslaan. Het aantal pijlen is het aantal rijstroken. Rechte pijl: op die rijstrook rijd je rechtdoor. Schuine pijl: op die rijstrook sla je af. Officiële modellen van de Belgische verkeersborden (KB van 1 december 1975) Heb je zo'n bord gevolgd, dan ga je weer naar rechts zodra dat kan. Het blauwe ronde bord met de witte pijl verplicht je de richting van de pijl te volgen. Staat het bord met een niet-gebogen pijl op een hindernis, dan rijd je er langs aan de kant die de pijl aanduidt. Je volgt de richting van de pijl. Hoe de pijl staat, hangt van de plaats af. Zuilen en verkeersgeleiders laat je aan je linkerhand: je rijdt er rechts langs, tenzij een plaatselijke regeling iets anders bepaalt. Ook een vluchtheuvel laat je aan je linkerhand. Er links langs rijden mag alleen als het verkeer dat rechtvaardigt. Het ronde bord met de rode rand en een pijl verbiedt om aan het volgende kruispunt af te slaan in de richting van die pijl. Aan het volgende kruispunt mag je niet afslaan in de richting van de pijl. De pijl kan de andere kant op wijzen. Verboden blijft: afslaan in de richting van de pijl. Er staan witte pijlen op jouw rijstrook, naar rechts. Wat doe je op het kruispunt? Rotonde: richtingaanwijzer of niet? Een rotonde is een weg waarop het verkeer in één richting rond een middeneiland rijdt. Je herkent ze aan het blauwe ronde bord met de witte pijlen: verplicht rondgaand verkeer. Aan elke toegang staat een bord voorrang verlenen of een stopbord. Verplicht rondgaand verkeer: samen met het bord aan elke toegang maakt dit de plaats tot een rotonde. Aan elke toegang van een rotonde staat dit bord, of een stopbord. Wie de rotonde oprijdt, verleent voorrang aan wie er al op rijdt. Wie al op de rotonde rijdt, hoeft geen voorrang van rechts te verlenen. Vier toegangen, elke keer voorrang verlenen: wie al rondrijdt, mag eerst. Valkuil. Een plein waar het verkeer rond een eiland rijdt, is niet automatisch een rotonde. Staat er aan de toegangen geen bord voorrang verlenen of stopbord, dan geldt de voorrang van rechts, ook als het bord verplicht rondgaand verkeer er staat. Staan die borden er wel, dan volg je ze. Oprijden en verlaten zijn allebei een richtingsverandering. Met de richtingaanwijzer ligt dat anders: bij het oprijden hoef je de richtingaanwijzers niet te gebruiken; bij het verlaten moet je ze wel gebruiken: je verlaat de rotonde naar rechts, dus met de rechterrichtingaanwijzer; verander je op de rotonde van rijstrook, dan is dat een manoeuvre. Je geeft het op tijd aan, en je verleent voorrang aan de andere weggebruikers. Op de rotonde zelf hoef je niet zo dicht mogelijk bij de rechterrand te rijden, behalve als een deel van de weg alleen voor jou bedoeld is. Je volgt de strepen tussen de rijstroken. Je mag de rijstrook nemen die het best bij je afrit past. De rotonde verlaten kondig je aan met de rechterrichtingaanwijzer. Handig: zet je rechterrichtingaanwijzer aan zodra je de afrit vóór de jouwe voorbij bent, en zet hem uit zodra je de rotonde af bent. Op het examen. Rotonde in één zin: geen verplichte richtingaanwijzer bij het oprijden, wel de rechterrichtingaanwijzer bij het verlaten, en als je op de rotonde van rijstrook verandert, de richtingaanwijzer van de kant waar je naartoe gaat. Wie oprijdt, laat wie al rondrijdt voorgaan. Je rijdt in Mechelen een rotonde op. Wat geldt voor de richtingaanwijzer? Onthoud. Oprijden mag zonder richtingaanwijzer. Verlaten doe je met de rechterrichtingaanwijzer. Van rijstrook veranderen op de rotonde geef je ook aan. Aan wie verleen je voorrang als je afslaat? Wie van richting verandert, verleent voorrang aan de bestuurders en de voetgangers die de andere delen van dezelfde openbare weg volgen. Bijvoorbeeld in Kortrijk: je slaat rechts af en een fietser rijdt rechtdoor op het fietspad. Hij mag eerst. Steek je bij de bocht het trottoir of het fietspad over, dan verleen je voorrang aan wie daar gebruik van maakt. Daarnaast verleen je voorrang aan de voetgangers die de rijbaan oversteken waarop jij gaat rijden. Je slaat een straat in en een voetganger steekt die over: hij mag eerst. Je richtingaanwijzer kondigt de bocht aan, maar de voetganger blijft voorrang hebben. Kom je uit een aanpalende eigendom, een terrein naast de weg, dan verleen je voorrang aan alle andere weggebruikers, ook aan voetgangers, zelfs zonder bord. Onthoud. Bij een richtingsverandering verleen je voorrang aan bestuurders en voetgangers op de andere delen van dezelfde openbare weg, zoals het fietspad en het trottoir, en aan voetgangers die de rijbaan oversteken waarop jij gaat rijden. Richtingaanwijzer aan, juiste plaats, rechts kort en links ruim, voorrang aan wie oversteekt: die reflexen horen erbij. Kijk hieronder of het blijft hangen, eerst de herhaling, daarna de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (Wegcode, Vlaamse versie), artikelen 2.39, 9.3.1, 9.4, 9.5, 9.6, 12.3.1, 12.4, 12.4bis, 13, 19 en 77.1 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 19.2, 19.6, 19.3, 19.4 en 19.5 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F13, bord F15, bord D1, bord C31, bord D5, bord B1 en bord B5 ## De dode hoek Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/dode-hoek/ Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een dode hoek is een zone rond je voertuig die je vanuit je zithouding niet rechtstreeks en ook niet in je spiegels ziet. Stel je spiegels goed af. Ga er daarna niet van uit dat je alles rond je auto kunt zien. Kijk vóór je opzij rijdt ook over je schouder, aan de kant waar je naartoe wilt. Bij een gewone rijstrookwissel verleen je voorrang. Je richtingaanwijzer verandert dat niet. Voor ritsen geldt een aparte regeling. Naast een vrachtwagen of bus neem je niet aan dat de chauffeur je gezien heeft. Vermijd de ruimte rechts naast een voertuig dat rechts wil afslaan. Hieronder oefen je waar je kijkt, wanneer je wacht en hoe je rekening houdt met het zicht van een andere bestuurder. Je wilt naar links en je spiegel lijkt leeg. Toch kan er naast je een motorfiets rijden. Alleen naar je spiegel kijken is dus geen goede basis om opzij te sturen. Ga dus eerst na of de ruimte echt vrij is voor je opzij stuurt. Wat is een dode hoek? Definitie. Een dode hoek is een zone rond een voertuig die de bestuurder vanuit zijn normale zithouding niet rechtstreeks en ook niet via de spiegels ziet. Een lege spiegel betekent dus niet dat de ruimte naast je vrij is. Denk aan een fietser die schuin naast je rijdt. Je kijkt vooruit en merkt hem niet op. In je buitenspiegel zie je hem evenmin. Als je dan opzij rijdt, kun je zijn plaats op de weg innemen. Dit gaat niet over mist of duisternis. Het gaat over wat je vanuit je bestuurdersstoel kunt zien. Daarom horen je spiegels en rechtstreeks rondkijken samen. Met één blik in één spiegel ben je niet klaar. Je hebt je spiegels goed afgesteld. Kun je nu opzij rijden zonder verder te kijken? Waar moet je rond je auto extra kijken? Leer de auto kennen waarmee je oefent. Ga eerst goed zitten en stel dan, vóór je vertrekt, je spiegels af. Je binnenspiegel staat goed als de bovenrand van de spiegel op dezelfde lijn staat als de bovenkant van de achterruit. In elke buitenspiegel zie je nog net de zijkant van je auto en een zo groot mogelijk deel van de weg. Als vuistregel zie je een derde lucht en twee derde grond. Gebruik daarna deze aandachtspunten om samen met je begeleider of instructeur je zicht te verkennen: Schuin achter je, links en rechts. Controleer waar een voertuig naast je uit het spiegelbeeld verdwijnt. Daar is rechtstreeks kijken nodig voordat je naar die kant opschuift. Vlak achter de auto. Controleer ook het gebied laag achter je voertuig. Vertrouw voor dat gebied niet alleen op wat je door de achterruit ziet. Vooraan bij de stijlen van de voorruit. Aan een kruispunt kan een voetganger of fietser achter zo'n stijl verdwijnen. Beweeg je hoofd om eromheen te kijken. Zie dit als een kijkoefening: elke auto heeft andere dode hoeken. Je moet weten wat jij in jouw auto wel en niet ziet. Laat je begeleider of instructeur het je tonen terwijl de auto stilstaat op een veilige plek. Onthoud. Spiegels afstellen is je voorbereiding. Rondkijken blijft nodig tijdens het rijden. Een blik over je schouder helpt je de zijkant te controleren, maar is geen bewijs dat elke zone rond je auto vrij is. Hoe controleer je vóór je van rijstrook verandert? Controleer de kant waar je naartoe wilt, voordat je opzij stuurt. Je rijdt op de autosnelweg bij Gent en wilt naar links. Begin met vooruitkijken: wat doet het verkeer voor je? Controleer daarna het verkeer achter en naast je. Deze volgorde helpt je om niets over te slaan: Kijk in de binnenspiegel naar het verkeer achter je. Kijk in de buitenspiegel aan de kant waar je naartoe wilt. Zet je richtingaanwijzer tijdig aan, zodat anderen je bedoeling begrijpen. Kijk kort over je schouder aan diezelfde kant en houd ook de weg voor je in het oog. Rijd pas opzij als dat veilig kan en je de voorrang respecteert. Dit is een praktische kijkroutine. Je voert geen rijstrookwissel uit omdat je alle stappen hebt afgewerkt. Zie je iemand naast je, dan wacht je. Heb je moeten wachten? Kijk dan opnieuw voor je opzij rijdt. Op het examen. Gewoon van rijstrook veranderen of een parkeerplaats verlaten is een manoeuvre. Je verleent voorrang aan de andere weggebruikers. Een richtingaanwijzer kondigt je bedoeling aan, meer niet. Je rijdt pas verder als dat zonder gevaar kan, gelet op de plaats, de snelheid en de afstand van de anderen. Let op de uitzondering: ritsen. Bij sterk vertraagd verkeer houdt een rijstrook soms op of is ze versperd. Wie op die rijstrook rijdt, mag pas vlak voor de versmalling invoegen. De bestuurders op de vrije rijstrook moeten daar om beurten voorrang verlenen aan één invoegende bestuurder. Ook daarbij kijk je goed of de ruimte vrij is. Pas dezelfde aandacht toe bij invoegen op de autosnelweg, wegrijden uit een parkeerplaats en inhalen. Vóór je links inhaalt, controleer je ook of niemand achter je al begonnen is in te halen. Terug naar rechts ga je pas zodra dat veilig kan. Als geheugensteun onthoud je drie woorden: spiegels, richtingaanwijzer, schouder. Zodra je opzij bent gereden, zet je de richtingaanwijzer uit. Het kijken blijft doorlopen: verkeer dat je daarnet zag, kan intussen ergens anders rijden. Je wilt op de autosnelweg van rijstrook veranderen. Je hebt in je spiegels gekeken en je richtingaanwijzer staat aan. Wat doe je nog vóór je opzij rijdt? Wat doe je naast een vrachtwagen of bus? Deze fietser rijdt rechts langs een vrachtwagen die aan het kruispunt rechts wil afslaan. Misschien ziet de chauffeur hem niet. Dit is een gevaarlijke plaats. Bij een vrachtwagen of bus bekijk je de situatie ook vanuit de chauffeur. Je weet niet precies wat die vanuit de cabine ziet. Blijf daarom alert vlak voor het voertuig, langs de zijkanten en achteraan. Kun je de chauffeur niet zien in zijn spiegel? Neem dan niet aan dat hij jou heeft opgemerkt. Kun je hem wel zien, dan weet je nog niet of hij naar je kijkt. Wil je met de auto een vrachtwagen inhalen, controleer dan vooraf of je dat veilig en in korte tijd kunt doen. Begin niet als je daarna naast hem vast komt te zitten. Je moet ook zonder hinder weer naar rechts kunnen. Valkuil. Een vrachtwagen die rechts afslaat, mag eerst naar links gaan als hij door de situatie ter plaatse én de afmetingen van zijn voertuig of lading niet bij de rechterrand kan blijven. Hij moet wel eerst nagaan dat niemand achter hem al aan het inhalen is. De ruimte die rechts vrijkomt, is geen uitnodiging om ertussen te rijden. Fiets je achter een vrachtwagen die rechts wil afslaan? Wacht dan op afstand achter het voertuig tot hij afgeslagen is. Dat is geen verkeersregel, wel een verstandige voorzorg. Ga niet rechts naast het voertuig staan, ook niet terwijl het voor rood wacht. Wachten achter het voertuig betekent niet automatisch dat de chauffeur je ziet. Het voorkomt vooral dat je je naast hem in de gevaarlijke ruimte plaatst. De chauffeur moet zelf blijven controleren dat hij zonder gevaar kan afslaan. Je fietst achter een vrachtwagen die voor rood staat met de rechterrichtingaanwijzer aan. Wat is de veilige keuze? Hoe houd je rekening met fietsers, motorfietsers en steps? Zoek bij het rondkijken ook naar fietsers, bromfietsers, motorfietsers en elektrische steps. Kijk niet alleen naar de plaats waar je een auto verwacht. Controleer de ruimte naast je en blijf volgen wat de andere weggebruikers doen. Je slaat in Leuven rechts af en kruist daarbij een fietspad. Kijk rechts naast en achter je. Bij het oversteken van het fietspad verleen je voorrang aan de weggebruikers die het volgens de regels gebruiken. Ook zonder fietspad kan een fietser naast je verder rijden. Bij het afslaan verleen je voorrang aan bestuurders en voetgangers die andere delen van dezelfde openbare weg volgen. Je verleent ook voorrang aan voetgangers die de rijbaan oversteken die je oprijdt. Onthoud. Bij rechts afslaan horen kijken en voorrang verlenen samen. Je richtingaanwijzer waarschuwt de fietser, maar verplicht hem niet om jou voor te laten. Wacht als je anders zijn weg zou afsnijden. Zit je zelf op de fiets of op een elektrische step, wees dan ook voorzichtig rond een bus. Wacht in zo'n situatie liever op afstand achter het voertuig dan je in de ruimte rechts ernaast te wringen. Waar kijk je vóór je het portier opent? Je bent geparkeerd. Een fietser komt langs de auto's gereden en jij wilt uitstappen. Ook nu moet je eerst kijken. Een geopend portier kan de fietser hinderen of in gevaar brengen. Een portier openen of openlaten, instappen of uitstappen: dat mag pas als je hebt nagegaan dat je daarmee niemand kunt hinderen of in gevaar brengen. Denk vooral aan voetgangers en aan bestuurders van tweewielers, zoals fietsers. Dit geldt voor de bestuurder én de passagiers. Kijk eerst in de spiegel aan de kant waar je uitstapt en controleer de omgeving rechtstreeks. Komt er iemand aan die je zou hinderen, wacht dan. Kijk bij het voorzichtig openen opnieuw door de opening voordat je het portier verder opent. Onthoud. Een veilige controle eindigt niet zodra je auto stilstaat. Spiegel, rechtstreeks kijken, dan pas het portier. Open het alleen als dat zonder gevaar of hinder kan en houd het naderende verkeer in het oog. Je weet nu waarom een lege spiegel niet genoeg is. Stel je spiegels af, controleer rechtstreeks en geef anderen de ruimte waarop ze recht hebben. Herhaal de kernpunten met de herhalingskaarten en oefen daarna de situaties in de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975, Wegcode, Vlaamse versie: artikelen 12.4, 12.4bis, 12.5, 12bis, 13, 16.4, 16.6, 19.1, 19.2, 19.4, 19.5 en 28. Nederlandse teksten van Codex Vlaanderen en Justel, geraadpleegde corpusversies van 21 oktober 2026. Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, bijlage 4, A.I.A, punten 4, 9, 10 en 14: oplettendheid, kwetsbare weggebruikers, verschillend gezichtsveld en voorzorgen bij het verlaten van het voertuig. Nederlandse teksten van Codex Vlaanderen en Justel, corpusversies van 21 oktober 2026. GOCA Vlaanderen, Het rijbewijsexamen, Doc. 130, 18 augustus 2026, pagina 5: algemene leerstof voor het theorie-examen, gezichtsveld en defensief rijgedrag (goca:doc130). GOCA Vlaanderen, Op weg naar het rijbewijs B: het praktijkexamen in Vlaanderen toegelicht, 16 september 2026, pagina's 1-2 en rubrieken 4 en 5: spiegelafstelling, kijktechniek bij inhalen en richtingsverandering (goca:op-weg-naar-het-rijbewijs-b-praktijkexamen-toegelicht). GOCA Vlaanderen, Het praktijkexamen, categorie B, Doc. 133, onderdeel Voorafgaande controles, Voorzorgen: spiegelcontrole en voorzichtig openen van het portier (goca:doc133). ## Voorrangsregels: wie mag er eerst? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voorrangsregels/ Hoofdstuk 10: Voorrang Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Geen bord en geen verkeerslicht? Voorrang van rechts: je verleent voorrang aan wie van rechts komt. Zonder verkeerslicht en zonder bevoegd persoon gaat de tram voor: je verleent voorrang aan een spoorvoertuig. Een stopbord betekent altijd volledig stoppen en daarna voorrang verlenen, ook als de weg leeg is. Voer je een manoeuvre uit, kom je van een aardeweg of steek je een trottoir of fietspad over? Dan verleen jij voorrang. Op een rotonde met de juiste borden verleent wie oprijdt voorrang aan wie al rondrijdt. Voorrang van rechts geldt daar niet. De basisregel, de twee uitzonderingen en de borden die beslissen: alles staat hieronder. Vier auto's, één kruispunt, geen enkel bord. Geen verkeerslicht, geen streep, alleen jij en de andere bestuurders. Op het theorie-examen moet je weten wie eerst mag. Hier leer je hoe dat zit. Wie mag eerst als er geen bord staat? Definitie. Een kruispunt is de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen. Zonder verkeersteken geldt de voorrang van rechts: je verleent voorrang aan de bestuurder die van rechts komt. In Vlaanderen rijd je rechts en blijf je zo dicht mogelijk bij de rechterrand. Wie je tegemoet komt, rijdt links van jou, en jullie kruisen elkaar rechts. Kijk altijd vanuit jouw plaats achter het stuur. Op een kruispunt moet je extra voorzichtig zijn. Stel dat jij en een bestelwagen tegelijk aan een kruispunt in Gent komen, zonder bord. De bestelwagen komt van rechts: jij verleent voorrang. Komt hij van links, dan wacht hij. Geen enkel bord: de voorrang van rechts geldt. De vrachtwagen laat de auto van rechts voorgaan. Op de voorrang van rechts bestaan twee uitzonderingen. Die moet je allebei kennen, want ze keren de gewone regel om. Valkuil. Wie van rechts uit een verboden rijrichting komt, heeft geen voorrang. Op een rotonde geldt de voorrang van rechts niet. Stopt die bestuurder even, omdat een voetganger oversteekt of omdat het verkeer stilstaat, en rijdt hij daarna weer verder? Dan houdt hij zijn voorrang. Alleen in die twee gevallen vervalt de voorrang van rechts. Even stoppen hoort daar niet bij. Een auto komt van rechts, uit een verboden rijrichting. Laat je hem voorgaan? Aan wie verleen je altijd voorrang? In deze situaties verleen jij voorrang. Leer de lijst en overloop ze bij elk kruispunt. aan spoorvoertuigen: elke weggebruiker verleent voorrang aan de tram en verlaat de sporen zo snel mogelijk; aan wie van rechts komt, behalve op een rotonde of als hij uit een verboden rijrichting komt; aan de bestuurders op de weg die je oprijdt, als jij van een weg komt met een bord voorrang verlenen of een stopbord; aan iedere bestuurder op de weg met een rijbaan die je oprijdt, als je van een aardeweg of een pad komt; aan de andere weggebruikers als je een manoeuvre uitvoert; aan de weggebruikers op het trottoir of het fietspad dat je oversteekt. Je komt van een aardeweg, ergens buiten Leuven, en je wil de dorpsstraat op. Ook als er niemand van rechts komt, verleen je voorrang aan iedereen die al op die straat rijdt. Hier telt de voorrang van rechts niet. Voorrang verlenen betekent niet dat je er zo snel mogelijk tussendoor glipt. Je rijdt pas verder als er geen gevaar voor een ongeval is. Kijk waar de anderen zijn, hoe snel ze rijden en hoe ver ze nog van je af zijn. Lees elk kruispunt in een vaste volgorde. Eerst de bevelen van een bevoegd persoon: die gaan boven borden en boven de gewone regels. Dan de verkeerstekens: lichten, borden en markeringen. Werken de verkeerslichten, dan tellen de voorrangsborden op dezelfde weg niet. Die regel geldt niet voor een oranjegeel knipperlicht: het bord blijft dan gelden. Vallen de lichten uit, dan geldt het voorrangsbord weer. Daarna komen de gewone regels. Elke weggebruiker verleent voorrang aan een spoorvoertuig. Beslist er daarna nog niets, dan geldt de voorrang van rechts. Onthoud. Je verleent voorrang aan de tram en aan wie van rechts komt (niet op een rotonde en niet uit een verboden rijrichting). Ook bij een stopbord of een bord voorrang verlenen, als je van een aardeweg of een pad komt, bij een manoeuvre en als je een trottoir of fietspad oversteekt. Een tram komt in Antwerpen van links. Voor de tram kom jij van rechts. Wie mag eerst? Je slaat af of je voert een manoeuvre uit: wie mag eerst? Wie van richting verandert, verleent voorrang aan de bestuurders en de voetgangers die op de andere delen van dezelfde weg rijden of lopen. Dat geldt ook voor voetgangers die de rijbaan oversteken waar hij naartoe wil. Voor een manoeuvre geldt hetzelfde. Wie een manoeuvre wil uitvoeren, verleent voorrang aan de andere weggebruikers. In- of uitparkeren, achteruitrijden, keren, uit een eigendom langs de weg komen, van rijstrook veranderen of de rijbaan oversteken: dat zijn manoeuvres. Niet elke beweging is een manoeuvre. Op het einde van een fietspad de rijbaan oprijden om rechtdoor te gaan, is geen manoeuvre. Van rijstrook veranderen bij het ritsen evenmin. Nader je een oversteekplaats voor voetgangers zonder bevoegd persoon en zonder verkeerslichten, dan doe je dat met matige snelheid. Je verleent voorrang aan wie al op de oversteekplaats is of op het punt staat erop te stappen. Wordt het verkeer geregeld door een bevoegd persoon of door verkeerslichten, dan laat je voetgangers die volgens de regels zijn begonnen met oversteken in een normaal tempo hun oversteek afmaken. Ook als het licht voor jou op groen staat. Stond je al op een kruispunt met verkeerslichten of een bevoegd persoon, dan mag je dat kruispunt vrijmaken. Je wacht niet tot het licht in je nieuwe richting op groen springt, behalve als rechts van je een rood licht voor die weg staat. Je slaat af: je verleent ook voorrang aan de voetgangers die de rijbaan oversteken waar jij naartoe wil. Onthoud. Doe jij iets afwijkends, dan verleen jij voorrang. Achteruitrijden, een parkeerplaats verlaten, van een aardeweg komen of een trottoir oversteken: de andere weggebruiker mag eerst. Je rijdt achteruit om te parkeren. Er komt een fietser aan op de rijbaan. Wie mag eerst? Is een rotonde hetzelfde als een gewoon kruispunt? In Vlaanderen hoor je ook vaak rondpunt. Officieel heet dat een rotonde: het verkeer rijdt in één richting rond een middeneiland. Je herkent de rotonde aan het bord verplicht rondgaand verkeer, en op elke toegangsweg staat een bord voorrang verlenen of een stopbord. In Brugge geldt dus dit: wie wil oprijden, verleent voorrang aan wie al op de rotonde rijdt, ook al komen die van links. Dat regelen de borden aan de ingang. Voor wie al rondrijdt, geldt de voorrang van rechts niet. Heeft de rotonde meerdere rijstroken naast elkaar, dan kies je de rijstrook die het best bij je bestemming past. Je hoeft niet per se helemaal rechts te rijden. Verander je van rijstrook, dan is dat een manoeuvre: je verleent voorrang aan wie op die rijstrook rijdt. Valkuil. Een cirkel zonder bord rondgaand verkeer en zonder bord voorrang verlenen of stopbord is geen rotonde. Dan geldt de voorrang van rechts. Met die borden verleen je voorrang aan wie al op de rotonde rijdt. Welke borden bepalen wie eerst mag? De voorrang van rechts geldt alleen als geen enkel verkeersteken iets anders zegt. Regelt een bord, een licht of een markering de voorrang, dan beslist dat teken. Boven alles staat een bevoegd persoon: zijn bevel weegt zwaarder dan het licht en het bord. Bord | Wat het betekent | | Voorrang verlenen. Pas je snelheid aan en wees klaar om te stoppen. | | Stoppen en voorrang verlenen (het stopbord). Je stopt altijd volledig en verleent voorrang. | | Kruispunt waar de voorrang van rechts geldt: je verleent voorrang aan wie van rechts komt. | | Voorrangsweg. Je hebt voorrang op de kruisende wegen. | | Einde van de voorrangsweg. Aan het volgende kruispunt heb je geen voorrang meer. | | Voorrang aan het volgende kruispunt. De horizontale streep in het symbool mag aangepast worden aan de plaatselijke situatie. | | Smalle doorgang. Je verleent voorrang aan wie je tegemoet komt. | | Smalle doorgang. Jij hebt voorrang op wie je tegemoet komt. | Een voorrangsweg loopt door. Het bord staat bij het begin en komt na elk kruispunt terug. Het bord voorrang aan het volgende kruispunt geldt alleen daar. Einde van de voorrangsweg betekent dat je voorrang daar ophoudt. Aan dat kruispunt staat altijd een nieuw bord: voorrang verlenen, een stopbord, of de driehoek met het zwarte kruis. Drie van die borden bestaan ook als aankondiging, met een blauw bord eronder dat de afstand ongeveer aangeeft: voorrang verlenen, het stopbord en het einde van de voorrangsweg. Bij verkeerslichten mogen fietsers en bestuurders van speed pedelecs het rode of oranjegele licht voorbijrijden om rechts af te slaan of om rechtdoor te rijden, als een klein bord dat toelaat. Voorwaarde: ze verlenen voorrang aan de andere weggebruikers. Ook de wegmarkeringen beslissen mee. Een rij witte driehoeken dwars op de rijbaan, de haaientanden, toont waar je zo nodig stopt om voorrang te verlenen. Een doorlopende witte streep dwars op de rijbaan, de stopstreep, hoort bij een stopbord of bij verkeerslichten. Je stopt aan die streep. Zondagavond, een rustige straat in Hasselt, niemand te zien. Aan het stopbord sta je toch volledig stil. Daarna kijk je, en je rijdt pas verder als het veilig is. In een smalle doorgang in Kortrijk passen geen twee auto's naast elkaar. Het bord zegt wie wacht: jij, of de bestuurder die je tegemoet komt. Kijk naar het bord, niet naar wie het grootste voertuig heeft. Onthoud. Voorrang verlenen betekent de ander laten gaan, niet altijd stilstaan. Een stopbord betekent wel altijd volledig stoppen en voorrang verlenen, ook op een lege weg. Op het examen. Je moet bij elk kruispunt kunnen zeggen wie voorrang verleent, en weten dat je elkaar rechts kruist. Lees eerst de bevoegde persoon en de verkeerslichten, dan de andere tekens, dan de tram. Beslist niets daarvan, dan geldt de voorrang van rechts. Er staat een stopbord en de weg is helemaal vrij. Wat doe je? Bevoegd persoon en verkeerslichten, andere verkeerstekens, de tram, en anders de voorrang van rechts: zo lees je elk kruispunt. Overloop de kaders hierboven en start daarna de quiz, tot je meteen weet wie voorrang heeft. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikelen 2.9, 2.39, 6.1 tot 6.3, 9.3.1, 12.1 tot 12.5, 12bis, 14.1, 15.1, 19.4, 19.5, 40.4, 67 en 76 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, artikel 8 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 12.2, 12.3.1, 12.4, 12.4bis, 6.2, 40.4.1, 40.4.2, 67.3, 76.1 en 76.2 Ministerieel besluit (Federaal) waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald (11 oktober 1976): artikelen 8.1, 8.2, 8.4, 8.5, 8.6, 8.7, 8.8 en 8.12 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord D5, bord B1, bord B5, bord B9, bord B11, bord B15, bord B17, bord B19, bord B21, bord B22 en bord B23 ## Weer en milieu: aquaplaning, ijzel, claxon en LEZ Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/weer-en-milieu/ Hoofdstuk 11: Milieu en zuinig rijden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Claxon: zo kort mogelijk, alleen om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom ook om een inhaalmanoeuvre aan te kondigen. Tussen avond en ochtend wissel je grootlichten en dimlichten af, behalve bij dreigend gevaar. Motor in vrijloopstand: niet herhaaldelijk gas geven. Laten draaien mag alleen als het nodig is. Mistlichten: vooraan alleen bij mist, sneeuwval of felle regen, en nooit verplicht. Achteraan wel verplicht, als je auto ze heeft, onder ongeveer 100 meter zicht bij mist of sneeuw, en bij felle regen. Slecht weer: eerst je snelheid aanpassen en meer afstand houden. Zicht onder ongeveer 200 meter: dimlichten of grootlichten. Slippen: zacht sturen naar waar je heen wilt. Geen bruuske beweging. Elke regel hieronder, met beelden en vragen om te oefenen. Regen, sneeuw, mist of ijzel: je eerste zet is trager rijden. Voor het theorie-examen moet je ook weten wat mag met de claxon bij nacht, de mistlichten en een motor die draait terwijl je stilstaat. Eerst het milieu, daarna het weer. Wanneer mag je claxonneren? Het geluidstoestel, je claxon, is geen manier om je frustratie te uiten. Andere toestellen om geluid te maken mag je niet gebruiken. Een geluidssignaal blijft zo kort mogelijk. In de bebouwde kom mag je alleen claxonneren om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom mag het ook om een bestuurder te waarschuwen die je wilt inhalen. Tussen avond en ochtend vervang je de claxon door het kort afwisselen van grootlichten en dimlichten, behalve bij dreigend gevaar. De claxon is geen commentaar op het verkeer: kort, en alleen om een ongeval te vermijden. Onthoud. Overdag: een zo kort mogelijk signaal, alleen om een ongeval te voorkomen, en buiten de bebouwde kom ook om een inhaalmanoeuvre aan te kondigen. Tussen avond en ochtend: grootlichten en dimlichten kort afwisselen, behalve bij dreigend gevaar. Het is nacht in Gent. Je wilt een andere bestuurder waarschuwen. Er is geen dreigend gevaar. Wat doe je? Mag je motor blijven draaien als je stilstaat? Twee verboden, allebei over de motor in vrijloopstand (hij draait, maar er zit geen versnelling in): je mag de motor niet herhaaldelijk versnellen, ook niet als je denkt dat je niemand hindert; je mag de motor niet laten draaien, behalve als het nodig is. Draait je motor in vrijloopstand zonder dat het nodig is, dan zet je hem af. Ook als je stilstaat, verbruikt hij brandstof en stoot hij uitlaatgassen uit. Lawaai dat mensen stoort of dieren doet schrikken is verboden. Rook en vervuilende gassen boven de toegelaten grens ook. Een kort rookwolkje bij het starten mag. Een motor die voor niets draait, geeft lawaai en rook voor iedereen in de buurt. Valkuil. De regels over de motor in vrijloopstand gelden overal, in een lage-emissiezone en erbuiten. Laten draaien mag alleen als het nodig is. Herhaaldelijk gas geven is altijd verboden, ook als je denkt dat je niemand hindert. Je staat met je auto stil in Mechelen, buiten elke lage-emissiezone. Gelden de regels voor de motor in vrijloopstand hier ook? Wat is een lage-emissiezone? Definitie. Een lage-emissiezone houdt de meest vervuilende motorvoertuigen buiten, zodat de lucht gezonder blijft. Niet elk voertuig mag er zomaar in. Het begin en het einde staan aangegeven met een bord. Begin en einde van een lage-emissiezone: twee borden om te herkennen voor je de zone inrijdt. Een gemeente kan zo'n zone invoeren op de gemeentewegen en de gewestwegen op haar grondgebied. Op de autosnelweg kan ze dat niet. Rijd je de zone in, dan beslist de Euronorm van je motor, de Europese norm voor zijn uitstoot, of je er mag zijn. Voor auto's en bestelwagens geldt sinds 1 januari 2020 dit: een diesel moet minstens aan Euronorm 5 voldoen; een benzine- of aardgasmotor moet minstens aan Euronorm 2 voldoen; lpg, aardgas en bio-ethanol tellen als benzine; bij een hybride telt de verbrandingsmotor. Voldoet je auto niet aan de norm, dan kan de gemeente de toegang verbieden of voorwaarden stellen. Elektrische voertuigen, voertuigen op waterstof en prioritaire voertuigen mogen altijd in. Valkuil. Een lage-emissiezone verbiedt niet elke auto. Diesel: minstens Euronorm 5. Benzine of aardgas: minstens Euronorm 2. Ook lpg telt als benzine. Elektrisch, waterstof en een prioritair voertuig mogen altijd binnen. Een zone 30 is iets anders: daar is de snelheid beperkt tot 30 km/u. Trager rijden geeft ook minder lawaai en minder uitlaatgassen. Twee dingen die jij zelf doet, maken nog meer verschil: soepel rijden, zonder bruusk optrekken of remmen: je stoot minder uit en je verbruikt minder brandstof; een start-stopsysteem: de motor valt vanzelf stil als je stilstaat. Hoe je verbruik echt daalt, staat in de les zuinig rijden. Slecht weer: wat verander je eerst? Je snelheid. Die stem je af op het weer, het zicht, de staat van de weg en de staat van je auto. Regen, sneeuw, ijzel, mist en harde wind verhogen het risico. Trager rijden is het eerste juiste antwoord. Regen, sneeuw, minder licht: pas eerst je snelheid aan, de rest komt daarna. Het zicht telt mee. Wordt het donker, of rijd je 's nachts, dan rijd je trager. Minder grip, door de banden, het wegdek of het weer, maakt de remweg langer. Tussen avond en ochtend, en zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, gebruik je vooraan dimlichten of grootlichten. De rest van de lichten staat in de les verlichting en zichtbaarheid. Op het examen. Voormistlichten zijn nooit verplicht. Ze mogen alleen bij mist, sneeuwval of felle regen. Achtermistlichten moet je gebruiken als je auto ze heeft: bij mist of sneeuwval onder ongeveer 100 meter zicht, en bij felle regen. In elk ander geval blijven ze uit. Die plicht geldt terwijl je rijdt. De voormistlichten mogen dan de dimlichten of de grootlichten vervangen, of samen met hen branden. Sta je stil of geparkeerd, bijvoorbeeld om iemand te laten uitstappen? Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, of als je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, mag je dan bij mist, sneeuwval of felle regen je dimlichten of je mistlichten gebruiken. Het moet niet. Slecht weer: je doet je lichten aan om te zien, en vooral om gezien te worden. Felle regen, overdag, op de ring van Antwerpen. Wat geldt voor je achtermistlicht? Dit bord laat hier 90 km/u toe. Bij felle regen rij je trager dan dat. Zie je een bord met 90 km/u, dan is dat het maximum op die weg. Slecht weer schrapt dat bord niet: je rijdt nooit sneller dan dat, en je rijdt trager zodra de regen, de sneeuw of de mist dat vraagt. Zonder bord geldt buiten de bebouwde kom in Vlaanderen 70 km/u. Op de autosnelweg is het 120 km/u. Dat geldt ook op een weg met minstens twee rijstroken per richting, als de richtingen gescheiden zijn door iets anders dan wegmarkeringen, zoals een middenberm. Een bord kan een andere snelheid opleggen of toelaten. Wat is aquaplaning en hoe vermijd je het? Definitie. Aquaplaning kan ontstaan als je te snel rijdt op een natte weg. Water komt tussen de rijbaan en de banden. Die verliezen het contact met het wegdek. De auto reageert niet meer op het stuur en kan wegslippen. Regen heeft twee gevolgen: je ziet minder, en je grip daalt. Dit doe je dan: je verlaagt je snelheid, zeker in de bocht; je vergroot je veiligheidsafstand: je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien, en je remweg wordt duidelijk langer; je mijdt plassen: ze verbergen putten, en rijd je er te snel door, dan riskeer je aquaplaning; je remt zacht, zodat de wielen niet blokkeren; je houdt ruitenwissers en ontwaseming in orde; je doet je dimlichten aan om gezien te worden, ook overdag als het zicht daalt tot ongeveer 200 meter. Onthoud. Nat wegdek: meer afstand. Je houdt een voldoende veiligheidsafstand tot je voorligger, en je snelheid mag geen ongeval veroorzaken. Plots remmen zonder veiligheidsreden is verboden. Valkuil. De eerste regen na een lange droge periode is het gladst. In de eerste minuten vermengt water zich met olie en vuil op de rijbaan. Het wegdek wordt dan spekglad. Na een uur buien is het vaak minder verraderlijk dan in die eerste minuten. De rijbaan is nat. Hoeveel afstand houd je tot je voorligger? Ijzel en sneeuw: hoe houd je de auto in de hand? Ijzel maakt de rijbaan extreem glad. Eén bruuske beweging en je verliest de controle. Zo pak je het aan: je rijdt trager, aan een gematigde snelheid; je vergroot de afstand tot je voorligger, want stoppen duurt langer; met ABS rem je stevig door; zonder ABS pomp je zacht op het pedaal; je doet je lichten aan zodat anderen je zien; je kijkt uit voor zwarte ijzel: die is nauwelijks te zien; bij een slip stuur je zacht naar waar je heen wilt; is het te gevaarlijk, dan stel je de rit uit. Onthoud. Bij slecht weer is de goede reflex bijna altijd de zachtste: zacht versnellen, zacht remmen, zacht sturen. Eén uitzondering op ijzel: met ABS rem je stevig door. Zonder ABS pomp je zacht. Op sneeuw doe je alles even zacht. Je vertrekt zacht, zodat de wielen niet doordraaien, en een bocht neem je traag. Voor je rijdt, veeg je de sneeuw van dak, motorkap en ruiten, en ontdooi je de ramen. Op sneeuw kost een bruuske beweging je de grip: gas, rem en stuur blijven zacht. Banden met de aanduiding M+S grijpen beter op sneeuw. Ligt hun snelheidscategorie lager dan die van de originele banden én lager dan de topsnelheid van je auto, dan mag je ze alleen monteren van 1 oktober tot 30 april. Je rijdt dan niet sneller dan die lagere limiet, en in de auto hangt een plaatje met die snelheid, op een plaats die jij ziet. Het profiel van de hoofdgroeven is minstens 1,6 mm diep. Het linnen onder het rubber mag nergens zichtbaar zijn. Sneeuwkettingen mogen alleen bij sneeuw of ijzel. Spijkerbanden zijn verboden. Je auto slipt op ijzel, ergens buiten Brugge. Wat is je eerste reflex? Korte claxon, motor uit als het niet nodig is, ongeveer 100 meter, meer afstand, zachte bewegingen. Daarmee ken je de reflexen van deze les. Oefen ze met de herhaling, en doe daarna de quiz hieronder. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), artikelen 2.63, 8.3, 8.6, 10.1, 10.2, 11.2, 30.1, 31.1, 33, 72.5, 81.3 en 81.4, en de borden begin en einde van een lage-emissiezone en begin van een zone 30 Decreet van 27 november 2015 betreffende lage-emissiezones, artikelen 3 en 4 Besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2016 betreffende lage-emissiezones, artikel 2 Koninklijk besluit van 15 maart 1968 (technisch reglement), artikel 34 (banden M+S) GOCA Vlaanderen, brochure over het theorie-examen (Doc. 130): rijrisico's bij verschillende wegomstandigheden en milieuvriendelijk gebruik van het voertuig Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 33.1, 33.2, 81.3.1, 81.4.1 en 81.4.4 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord F117, bord F118 en bord F4a ## Zuinig en ecologisch rijden: tips om minder te verbruiken Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/zuinig-rijden/ Hoofdstuk 11: Milieu en zuinig rijden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Anticiperen spaart brandstof: laat het gas los en laat de motor meeremmen, in plaats van pas op het laatste moment te remmen. Schakel vroeg op. Hoge toeren verbranden brandstof zonder dat je evenredig sneller vooruitgaat. Het start-stopsysteem zet de motor uit als je stilstaat en start hem vanzelf weer. Zonder dat systeem verbruik je aan een lang rood licht voor niets. Te zachte banden, nutteloos gewicht en airco uit gewoonte: drie verbruikers die je niet voelt. Zuinig rijden is ook defensief rijden: je kijkt vooruit, je houdt afstand en je blijft voorspelbaar. Toeteren doe je alleen als het moet. De reflexen een voor een, het toeteren en de vragen die op het examen kunnen komen: alles staat hieronder. Dezelfde rit, dezelfde wagen, en toch een ander verbruik. Het verschil zit niet in de motor. Het zit in je rechtervoet. Op het theorie-examen hoort zuinig rijden bij de leerstof, en op het praktijkexamen kijkt de examinator of je veilig, zuinig en energie-efficiënt rijdt. Vooruitkijken scheelt brandstof. Op tijd schakelen ook. Een motor die blijft draaien terwijl jij stilstaat, verbruikt voor niets. Dezelfde reflexen maken de rit ook veiliger. Wat vraagt het examen over milieuvriendelijk rijden? Definitie. Milieuvriendelijk gebruik van de wagen betekent drie dingen: je toetert alleen als het nodig is, je verbruikt matig brandstof, en je beperkt de uitlaatgassen. Dat is leerstof van het theorie-examen. Die drie horen samen. Een vraag kan over de brandstof gaan, een andere over het toeteren. Ken je er maar één, dan mis je de andere. Een geluidssignaal is zo kort mogelijk. Je geeft het met het geluidstoestel van de wagen, niet met een ander toestel. Het is alleen toegelaten om een noodzakelijke waarschuwing te geven, zodat je een ongeval voorkomt. Buiten de bebouwde kom mag je er ook een bestuurder mee waarschuwen die je wilt inhalen. Binnen de bebouwde kom is die tweede reden er niet: daar toeter je alleen om een ongeval te vermijden. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag vervang je het geluidssignaal door kort het grootlicht en het dimlicht te wisselen. Alleen bij dreigend gevaar mag het geluidssignaal dan toch. Valkuil. In de file aan de Kennedytunnel toeteren omdat de auto voor je niet opschuift, is geen waarschuwing om een ongeval te voorkomen. Een geluidssignaal is kort en alleen daarvoor toegelaten, of buiten de bebouwde kom om een bestuurder te waarschuwen die je wilt inhalen. Je staat in de file aan de Kennedytunnel. De auto voor je schuift niet op. Mag je toeteren? Waarom laat je de motor meeremmen in plaats van op het laatste moment te remmen? Elke rembeurt zet energie om in warmte. Die energie heeft je motor net verbrand om op te trekken. De oplossing is simpel: ver kijken en anticiperen. Zie je in Gent in de verte een rood licht, vertraagt de file op de Antwerpse ring of komt er in Brugge een rotonde aan? Laat dan het gaspedaal vroeg los. Rem op de motor: je blijft in versnelling en je houdt het koppelingspedaal niet ingedrukt. Het rempedaal gebruik je pas als het echt moet. Wil je je snelheid aanzienlijk verminderen, dan moet je dat kenbaar maken met de stoplichten: tik even op het rempedaal. Drie gewoonten houden het verbruik laag: vlot optrekken: beslist, maar zonder het pedaal plat te duwen; een stabiele snelheid: voortdurend versnellen en vertragen kost brandstof; een voldoende veiligheidsafstand, rekening houdend met je snelheid: die afstand geeft je net de tijd om te anticiperen in plaats van te remmen. Je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Wie ver kijkt, ziet die hindernis op tijd en hoeft niet plots te remmen. Plots remmen terwijl de veiligheid het niet vraagt, is niet toegelaten. Het verrast wie achter je rijdt, en het gooit brandstof weg. Onthoud. De drie reflexen van zuinig rijden: ik kijk ver vooruit, ik houd mijn snelheid stabiel, en ik laat de motor meeremmen. Het rempedaal is de laatste stap, niet de eerste. Je ziet in Gent een rood licht ver voor je. Wat is het zuinigst? Wanneer schakel je om minder te verbruiken? Op het praktijkexamen voor rijbewijs B let de examinator op het toerental, op schakelen, remmen en versnellen. Je verbruikt minder brandstof en je stoot minder uit door zelf te schakelen als dat nodig is: bij het optrekken, bij het afremmen, en op een helling op of af. Een motor die hoog in de toeren gaat, verbruikt veel voor weinig extra snelheid. Bij een handgeschakelde wagen schakel je daarom vroeg op naar een hogere versnelling, zodra de snelheid stabiel is en de motor nog vlot trekt. Daarna rijd je in de hoogste versnelling waarin de motor vlot blijft trekken. Blijf niet in een lage versnelling hangen om de motor te horen. Laat je hem hoog in de toeren gaan, dan verbrand je brandstof zonder sneller vooruit te gaan. De naald laag houden: zodra je snelheid stabiel is, schakel je op naar een hogere versnelling. Het omgekeerde bestaat ook. Rij je een brug op, in Hasselt of elders, en zwoegt de motor in een te hoge versnelling, dan schakel je terug tot hij vlot trekt. Een te hoge versnelling is niet zuiniger als de motor moet zwoegen. Een helling af kies je een versnelling waarin de motor de wagen houdt. Zo hoef je niet de hele afdaling op de rem te hangen, en je geeft ook geen gas om daarna weer te remmen. Bij een automaat schakelt de bak zelf. Jouw voet beslist nog altijd: vlot optrekken, niet onnodig doorduwen, en op tijd gas lossen. Het toerental blijft de graadmeter. Je rijdt met een handgeschakelde wagen en je snelheid is stabiel. Wat verbruikt minder? Wat doet het start-stopsysteem als je stilstaat? Steeds meer wagens zetten de motor vanzelf uit zodra je stilstaat. Zo helpt het systeem je om matig brandstof te verbruiken en de uitlaatgassen te beperken. Het werkt zo: aan een rood licht, in een file of aan een overweg valt de motor vanzelf stil; zodra je de koppeling induwt of de rem loslaat, start hij vanzelf weer; zolang je stilstaat, verbruik je niets en stoot je niets uit, en het is stiller voor iedereen. Valkuil. Valt de motor aan een rood licht in Brugge vanzelf stil, dan is dat geen panne. Start de wagen niet opnieuw. Duw de koppeling in of laat de rem los: de motor slaat vanzelf weer aan, sneller dan jij hem kunt starten. Voor een motor die draait terwijl je stilstaat, bestaat er wel een verkeersregel: je mag de motor niet laten draaien in vrijloopstand, behalve als het nodig is. En herhaaldelijk gas geven in vrijloopstand mag nooit. Het examen vraagt bovendien dat je brandstof matig gebruikt en de uitlaatgassen beperkt. Heeft je wagen geen start-stopsysteem, dan doet een motor die minutenlang draait terwijl jij stilstaat het omgekeerde. Zet hem dan zelf af. Zodra je weer vertrekt, start je hem. Wat verbruikt brandstof zonder dat je het ziet? Drie dingen merken de meeste bestuurders niet op. Je voelt ze niet aan het stuur, en alle drie kosten ze brandstof. Te zachte banden moeten harder rollen. Je verbruikt meer, de banden slijten sneller en de wegligging wordt slechter. De bandenspanning kijk je regelmatig na. Hoe je een band verder controleert, staat in de les over banden. Nutteloos gewicht in de koffer betaal je telkens als je optrekt. Haal eruit wat er niet hoort. En haal de dakkoffer eraf zodra je hem niet meer gebruikt: hij vangt ook wind. De airco vraagt energie van de motor. Gebruik ze wanneer het nodig is, niet de hele rit uit gewoonte. De spanning nakijken: minder verbruik, minder slijtage, betere wegligging. Op het praktijkexamen kiest de computer vóór de rit één controle voor jou, bijvoorbeeld de slijtage van je banden of de bandenspanning. Je toont dan aan de examinator waar en hoe je dat nakijkt. Een slappe band is dus niet alleen een kwestie van verbruik. Onthoud. Drie stille verbruikers: te zachte banden, nutteloos gewicht in de koffer of op het dak, en airco die uit gewoonte aanstaat. Elk van de drie kost brandstof zonder dat de rit beter wordt. Je banden zijn te zacht. Wat klopt er dan? Waarom is zuinig rijden ook veiliger rijden? Kijk nog eens naar de goede reflexen: vooruitkijken, afstand houden, je snelheid stabiel houden, soepel rijden. Dat zijn precies de reflexen van defensief rijden. Een zuinige bestuurder is een voorspelbare bestuurder. Je verrast de anderen minder, en je wordt zelf minder vaak verrast. Op het praktijkexamen is defensief rijden een aparte rubriek. Zuinig en energie-efficiënt rijden komt er ook aan bod. Zuinig betekent niet dat je altijd trager rijdt dan de limiet toelaat. Je houdt je aan de snelheid die daar geldt, en je vermijdt onnodig optrekken en afremmen. Op het examen. Het theorie-examen stelt vragen over milieuvriendelijk gebruik en defensief rijgedrag. Op het praktijkexamen kijkt men of je zuinig rijdt en of je defensief rijdt. Soepel rijden verlaagt het verbruik en het risico. Die twee horen samen. Vooruitkijken, vroeg schakelen, een motor die zwijgt als je stilstaat, banden op spanning en niets te veel in de koffer: zo verbruik je minder en rijd je voorspelbaarder. Herhaal de kaders hierboven, en doe daarna de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, Vlaamse versie: artikel 31 en bijlage 4, punt 17 (theorie-examen: milieuvriendelijk gebruik van het voertuig, alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen) en artikel 33 en bijlage 5, categorie B (praktijkexamen: veilig, zuinig en energie-efficiënt rijden, toerental, manueel schakelen, anticipatie, defensief rijden, controle van de banden). GOCA Vlaanderen, Doc. 130, brochure van 18 augustus 2026: algemene leerstof van het theorie-examen, onder meer defensief rijgedrag en regels voor het milieuvriendelijk gebruik van het voertuig. Wegcode, koninklijk besluit van 1 december 1975, Vlaamse versie: artikel 8.6 (de motor niet laten draaien in vrijloopstand, behalve ingeval van noodzaak, en niet herhaaldelijk versnellen in vrijloopstand), artikel 10.1 en 10.2 (snelheid, veiligheidsafstand, kunnen stoppen, verbod om plots te remmen zonder veiligheidsreden, een aanzienlijke snelheidsvermindering kenbaar maken met de stoplichten) en artikel 33 (geluidssignalen). GOCA Vlaanderen, Op weg naar het rijbewijs B: het praktijkexamen in Vlaanderen toegelicht (16 september 2026): voorafgaande controles (slijtage van de banden, bandenspanning) en rem- en vertragingstechniek (gekoppeld blijven, het koppelingspedaal niet ingedrukt houden tijdens het vertragen). Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 33.1, 33.2 en 33.3 ## Soorten voertuigen: bromfiets, aanhangwagen, vierwieler Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/soorten-voertuigen/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Bromfiets klasse A: 25 km/u, geen rijbewijs. Klasse B: hoogstens 45 km/u. Speed pedelec: trapondersteuning tot 45 km/u. Voor die laatste twee heb je rijbewijs AM nodig. De lichte vierwieler haalt hoogstens 45 km/u: minstens rijbewijs AM. De vierwieler met motor vraagt rijbewijs B. Aanhangwagen: de grens ligt op 750 kg maximaal toegelaten massa. Tot en met 750 kg is hij licht, daarboven zwaar. Met het gewone rijbewijs B mag een lichte aanhangwagen altijd. Een zware alleen als het samenstel niet boven 3 500 kg gaat. Daarboven: code 96 tot 4 250 kg, daarna rijbewijs B+E. Een sleep: voertuigen die aan elkaar vastzitten en door één kracht rijden. Jouw auto met aanhangwagen is er al een. Elk soort voertuig apart, de grens van 750 kg in gewone woorden, en de massa's die je moet kunnen vergelijken: alles staat hieronder. Een lichte vierwieler zonder rijbewijs: bestaat dat? En mag je met rijbewijs B die caravan vanuit Gent naar de kust trekken? Bijna iedereen denkt het antwoord al te kennen. Hier komt elk voertuig in het juiste vak, eens en voor altijd. Eerst de bromfietsen in het kort, dan de vierwielers, dan de aanhangwagens met de grens van 750 kg. Daarna twee namen die je moet kennen: sleep en oplegger. Wat is het verschil tussen klasse A, klasse B en een speed pedelec? Kort, want de plek op de weg, de helm en de leeftijd staan in de les fietsers en bromfietsen. Hier gaat het om de drie snelheden, en om het rijbewijs. klasse A: twee of drie wielen, door de constructie 25 km/u; klasse B: twee, drie of vier wielen, door de constructie hoogstens 45 km/u; speed pedelec: een tweewieler met pedalen. De trapondersteuning stopt bij 45 km/u. Definitie. Een bromfiets heeft twee, drie of vier wielen. Klasse A haalt door de constructie 25 km/u, klasse B hoogstens 45 km/u. Een speed pedelec is een tweewieler met pedalen: de hulp van de motor stopt bij 45 km/u. Die indeling bepaalt waar je rijdt en welk rijbewijs je nodig hebt. Een bromfiets klasse A mag je besturen zonder rijbewijs. Voor klasse B en voor een speed pedelec heb je rijbewijs AM nodig. Van deze drie is klasse A dus de enige zonder rijbewijs. Onthoud hier vooral die drie snelheden. De rest van de regels voor bromfietsers oefen je in de andere les, zodat je ze niet twee keer uit het hoofd leert. Is een lichte vierwieler echt een auto zonder rijbewijs? De lichte vierwieler is het wagentje dat je in een woonwijk in Mechelen geparkeerd ziet. Vier wielen, hoogstens twee zitplaatsen, en door de constructie niet sneller dan 45 km/u. In de verkeersregels valt zo'n wagentje onder de vierwielige bromfietsen klasse B. Voor het rijbewijs heet het een lichte vierwieler. Mensen zeggen “auto zonder rijbewijs”. Voor jou klopt die bijnaam niet. Je hebt minstens rijbewijs AM, en dat haal je vanaf 16 jaar. Rijbewijs B geldt ook voor categorie AM, maar B is niet verplicht. Er is één echte vrijstelling. Wie vóór 15 februari 1961 geboren is, hoeft voor voertuigen van categorie AM geen rijbewijs te hebben. Jij valt daar niet onder. De vierwieler met motor is een ander voertuig: geen lichte vierwieler, en ook geen bromfiets. Hij hoort bij categorie B, dus je hebt rijbewijs B nodig. In de regel gelden voor hem dezelfde verkeersregels als voor een auto. De lichte vierwieler: hoogstens 45 km/u, en voor jou minstens rijbewijs AM, ondanks de bijnaam. Valkuil. Zonder rijbewijs mag je geen lichte vierwieler besturen. Hij vraagt minstens rijbewijs AM, net als een bromfiets klasse B of een speed pedelec. Alleen wie vóór 15 februari 1961 geboren is, blijft van dat rijbewijs vrijgesteld. Je wil in Mechelen een lichte vierwieler besturen. Wat heb je minstens nodig? Wanneer is mijn aanhangwagen licht, en wanneer zwaar? Een aanhangwagen is een voertuig dat gemaakt is om door een ander voertuig te worden voortbewogen. De wet kijkt naar de maximaal toegelaten massa, afgekort MTM: het hoogste gewicht dat voertuig en lading samen mogen wegen. Alles draait om 750 kg: lichte aanhangwagen: MTM van hoogstens 750 kg; zware aanhangwagen: MTM van meer dan 750 kg. In de wet staan de woorden “licht” en “zwaar” niet. Daar lees je: een aanhangwagen met een MTM van ten hoogste 750 kg, of met een MTM van meer dan 750 kg. Precies 750 kg is nog licht. Eén kilo erboven, en hij is zwaar. Dat ene getal bepaalt welk rijbewijs je nodig hebt. Met het gewone rijbewijs B werkt het zo: een lichte aanhangwagen mag altijd, ook als auto en aanhangwagen samen boven 3 500 kg uitkomen; een zware aanhangwagen mag nog, als de MTM van het samenstel niet meer dan 3 500 kg is; zit je daarboven, tot en met 4 250 kg, dan heb je code 96 nodig, na een opleiding en een praktisch examen; kom je boven 4 250 kg uit, dan heb je rijbewijs B+E nodig. Dat dekt een aanhangwagen of oplegger met een MTM van hoogstens 3 500 kg. Is de aanhangwagen zelf zwaarder dan 3 500 kg, dan volstaat B+E niet meer. Voorbeeld in Leuven. Je auto heeft een MTM van 1 650 kg, de aanhangwagen van 680 kg. 680 kg blijft onder 750 kg: de aanhangwagen is licht. Rijbewijs B volstaat. Je telt de twee getallen niet op. Voorbeeld in Brugge. Auto 1 800 kg, aanhangwagen 1 400 kg. Meer dan 750 kg, dus zwaar. Samen 3 200 kg. Dat blijft onder 3 500 kg. Rijbewijs B volstaat nog, zonder code 96. Vanuit Gent naar de kust. Auto 2 000 kg, aanhangwagen 1 900 kg. Samen 3 900 kg. Boven 3 500 kg en onder 4 250 kg: hier heb je code 96 nodig. Een grote caravan in Hasselt. Auto 2 200 kg, aanhangwagen 2 300 kg. Samen 4 500 kg. Code 96 stopt op 4 250 kg, dus die volstaat niet. De aanhangwagen zelf heeft een MTM van 2 300 kg, minder dan 3 500 kg: rijbewijs B+E dekt dit samenstel. Valkuil. Met je voorlopig rijbewijs B mag je geen aanhangwagen trekken, ook geen lichte, en ook niet met je begeleider naast je. De grenzen van 750 kg en 3 500 kg gelden pas voor het gewone rijbewijs B. Een gewone bagageaanhangwagen onder 750 kg blijft licht en mag met rijbewijs B. Op het examen. Twee getallen zijn genoeg: 750 kg scheidt licht van zwaar, 3 500 kg is het plafond van auto plus aanhangwagen met rijbewijs B, zodra de aanhangwagen zwaar is. Krijg je twee massa's, vergelijk ze met die twee grenzen. Onthoud. Denk bij 750 kg aan dit beeld: een koelkast in een kleine aanhangwagen op de rommelmarkt in Gent. Zie je een caravan of een paardentrailer, controleer dan de MTM van auto en aanhangwagen samen. Vanaf welke maximaal toegelaten massa noem je een aanhangwagen zwaar? Je auto heeft een MTM van 1 800 kg, de aanhangwagen van 1 400 kg. Mag dit met alleen rijbewijs B? Je rijdt met je voorlopig rijbewijs B. Mag je een aanhangwagen van 500 kg trekken? Wat is een sleep, en wat is een oplegger? Definitie. Een sleep is een groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn en door één en dezelfde kracht worden voortbewogen. Jouw auto met een aanhangwagen is al een sleep. Ze rijden als één geheel. Definitie. Een oplegger is een getrokken voertuig dat je koppelt aan een opleggertrekker. Hij brengt een groot deel van zijn gewicht over op die trekker, want de voorkant rust erop. Zo herken je hem op de autosnelweg. Met rijbewijs B trek je een aanhangwagen achter je auto, binnen de massa's die je net zag. Je moet weten hoe de voertuigen om je heen heten. Deze twee definities volstaan daarvoor. Een oplegger herken je doordat de voorkant op de trekker rust. De grens van 750 kg gebruik je voor de aanhangwagen achter je auto. Je koppelt in Hasselt een aanhangwagen aan je auto en je rijdt weg. Hoe heet dat geheel? Welk rijbewijs hoort bij welk voertuig? Elk soort voertuig hoort bij een rijbewijscategorie, met een minimumleeftijd. Het volledige overzicht staat in de les minimumleeftijd om te rijden. Je leert die tabel niet twee keer. Voor deze voertuigen geldt dit: AM, vanaf 16 jaar: bromfiets klasse B, speed pedelec en lichte vierwieler. Klasse A: geen rijbewijs; B: de auto tot 3 500 kg MTM, en de vierwieler met motor. B geldt ook voor categorie AM; B met code 96: een zware aanhangwagen, als het samenstel boven 3 500 kg gaat en niet boven 4 250 kg; B+E: een aanhangwagen of oplegger tot 3 500 kg MTM, als je boven de grens van code 96 uitkomt. Bromfiets, lichte vierwieler, lichte en zware aanhangwagen, sleep en oplegger: je weet nu wat wat is. De herhaling hieronder zet de grenzen op kaartjes. De vragen daarna testen of 750 kg en 3 500 kg blijven hangen. In de les voertuigcontroles lees je wat je nakijkt voor je met zo'n voertuig vertrekt. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikelen 2.17, 2.20, 2.24, 2.25 en 2.28 Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 18, 20 en 38 Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikel 1 Vlaanderen.be: Oefenperiode voorlopig rijbewijs B, geraadpleegd op 21 oktober 2026 Vlaanderen.be: Welke voertuigen mag ik besturen met rijbewijs B code 96 en be, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Voertuigcontroles: banden, verplichte uitrusting en pech Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/voertuigcontroles/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Banden: hoofdgroeven minstens 1,6 mm, nergens zichtbaar linnen, spanning aan het ventiel of op het dashboard. Aan boord: veiligheidsvest, gevaarsdriehoek, brandblustoestel en verbandetui. Een ademtesttoestel hoort er niet bij. Pech op de autosnelweg: driehoek op minstens 100 meter, vest aan zodra je uitstapt waar je niet mag stoppen. Olie of brandstof op abnormale wijze op de weg laten vallen mag niet. Op het praktijkexamen wijs je soms het reservoir van de ruitensproeiers aan, en dan sluit je de motorkap goed. Voor je uitstapt: parkeerrem aan, ook op vlak terrein, portier pas open na een blik, spiegel inklappen als hij hindert. Afstanden, het brandblustoestel en de controles van het praktijkexamen: hieronder, in de volgorde van een echt vertrek. Een gladde band, of een vest dat onder de bagage ligt: het probleem begint voor je de sleutel omdraait. Je komt die controles tegen op het theorie-examen, en een deel ervan ook op het praktijkexamen. Je overloopt ze één voor één, zoals bij een echt vertrek, of dat nu in Gent, Leuven of Hasselt is. Zijn je banden in orde? Je auto en haar uitrusting moeten altijd goed werken en goed onderhouden zijn. Bij de banden begin je met drie dingen die je zelf kunt zien. het profiel: de hoofdgroeven, de brede groeven in het midden van het loopvlak, zijn minstens 1,6 mm diep. Over drie vierden van het loopvlak blijft de tekening dieper dan 1,6 mm. Het linnen, het weefsel onder het rubber, mag op geen enkele plaats van de band zichtbaar zijn; de bandenspanning: op het praktijkexamen toon je hoe je ze controleert, aan het ventiel of op de meter van het dashboard als je auto alleen zo'n meter heeft, en waar je de juiste bandendruk voor jouw auto terugvindt. Zoek dat vooraf op in je eigen auto. Hoeveel de band mag dragen en hoe snel hij mag, moet kloppen met het instructieboekje; de staat: een band met scheuren of barsten vervang je. Op één as hebben de banden dezelfde technische kenmerken, en een directionele of asymmetrische band ligt in de juiste draairichting. De spanning controleer je aan het ventiel, of op de meter van het dashboard. Onthoud. Voor je vertrekt: hoofdgroeven minstens 1,6 mm, nergens zichtbaar linnen, spanning aan het ventiel of via het dashboard. Sneeuwkettingen alleen bij sneeuw of ijzel. Spijkerbanden zijn verboden. De slijtage-indicatoren in de brede groeven tonen wanneer een groef nog maar 1,6 mm diep is. Op het praktijkexamen stap je uit en toon je de groeven die je nakijkt. Indien nodig mag je de wielen draaien, en de slijtage-indicatoren mag je gebruiken, maar het hoeft niet. De controle beperkt zich tot één voorwiel. Een reservewiel mag tijdelijk afwijken van de bandenregels. Je rijdt dan trager. Op een personenauto leg je nooit een band waarvan de groeven opnieuw zijn ingesneden. Radiaalbanden vooraan alleen als er achteraan ook radiaalbanden liggen. Sneeuwkettingen mag je alleen monteren bij sneeuw of ijzel. Spijkerbanden zijn verboden op de openbare weg. Een winterband is niet verplicht, en de codes op de zijkant leer je in de les over banden. Valkuil. M+S-banden die minder snel mogen dan de originele banden, mag je alleen van 1 oktober tot 30 april. Rij niet sneller dan die limiet, en hang binnenin een plaatje met die snelheid. Mogen ze even snel als de auto maximaal mag, dan geldt die periode niet. Je wil met spijkerbanden door Oostende rijden als het vriest. Mag dat? Wat moet er verplicht in je auto liggen? Deze vier dingen moeten in elke auto liggen, in orde en bruikbaar. Een ademtesttoestel staat niet op die lijst. een retroreflecterend veiligheidsvest, het fluohesje: het ligt aan boord; een gevaarsdriehoek, om een stilstaande auto of een gevallen lading aan te kondigen; een brandblustoestel, of twee als de technische regels dat vragen; een verbandetui. Een bus of een auto voor betaald personenvervoer heeft een verbandkist. In een gewone auto, met een hoogste toegelaten massa van niet meer dan 3500 kg, bevat het blustoestel minstens 1 kg poeder. Het staat op een steun die aan de auto vastzit. Je haalt het er in hoogstens 10 seconden af. Minstens één blustoestel ligt binnen jouw bereik als bestuurder. De verzegeling is heel. Op het etiket op de romp staat: geldig tot 1 januari van een bepaald jaar. Vanaf die datum, of zodra de verzegeling stuk is, telt het toestel niet meer. Trek je een aanhangwagen met een hoogste toegelaten massa van meer dan 2500 kg, dan hoort er een tweede blustoestel bij, in de auto of in de aanhangwagen. Een auto voor personenvervoer zwaarder dan 5000 kg heeft ook een tweede toestel. Op het examen. Verplicht aan boord: gevaarsdriehoek, brandblustoestel, verbandetui of verbandkist, en een veiligheidsvest. Een ademtesttoestel hoort er niet bij. Een alcoholslot kan de rechter opleggen na een veroordeling voor rijden onder invloed van alcohol of in staat van dronkenschap. Dat hoort niet bij die uitrusting. Wat hoort niet bij de verplichte uitrusting in je auto? Je staat stil met pech. Waar komen driehoek en vest? Kun je de auto, of de aanhangwagen erachter, niet verplaatsen, of alleen neerzetten waar stilstaan en parkeren verboden zijn, dan kondig je hem van ver aan met de gevaarsdriehoek. Hetzelfde doe je als de lichten of de richtingaanwijzers stuk zijn en de auto niet duidelijk opvalt van op ongeveer 100 meter. Valt er lading op de weg en kun je die niet meteen wegruimen, dan signaliseer je die hindernis op dezelfde manier. Je zet de driehoek rechtop tussen je auto en het verkeer dat aankomt, zodat naderende bestuurders hem al van op ongeveer 50 meter zien. De afstand tot je auto is minstens 30 meter op een gewone weg en minstens 100 meter op de autosnelweg. In de bebouwde kom, waar die 30 meter niet past, mag de driehoek dichterbij en zelfs op de auto. Je mag er bovendien alle richtingaanwijzers tegelijk laten knipperen (je alarmlichten) of een draagbaar oranjegeel knipperlicht plaatsen. Dat komt bovenop de driehoek en vervangt hem niet. Op de autosnelweg: vest aan zodra je uitstapt, driehoek minstens 100 meter van je auto, aan de kant van het aankomende verkeer. Valkuil. Het vest draag je niet bij elke pech in een straat in Mechelen. De draagplicht geldt op autosnelwegen en autowegen, als je met pech staat waar je niet mag stoppen of parkeren, en wel zodra je uitstapt. Aan boord ligt het altijd. Je auto staat vast op de autosnelweg en je kunt hem niet verplaatsen. Hoe ver zet je de gevaarsdriehoek? Een vlek onder je auto, en wat toon je onder de motorkap? Drupt er olie of brandstof uit je auto, dan laat je die op abnormale wijze op de openbare weg vallen, en dat is verboden. Je lost dat op voor je verder rijdt, niet pas aan de volgende lichten in Antwerpen. Olie die op de weg drupt: dat mag niet, je laat de auto nakijken. Op het praktijkexamen kiest de computer één controle voor jou. Het kan om je banden gaan: de slijtage van een voorwiel of de bandenspanning. Het kan ook om het product voor de ruitensproeiers gaan. Dan open je de motorkap en wijs je het reservoir aan. Daarna sluit je de kap, en voor je weer instapt, kijk je of ze goed dicht is. De controles van het oliepeil, de remvloeistof en de koelvloeistof verdwijnen vanaf 1 december 2026 uit het praktijkexamen; leg je het examen vóór die datum af, dan doe je daar hetzelfde: motorkap open, de oliepeilstok of het peil aanwijzen, kap goed dicht. Het reservoir van de ruitensproeiers wijs je aan. Daarna gaat de motorkap goed dicht. Rijbewijs B Theorie Onthoud. Op het praktijkexamen kiest de computer één controle, bijvoorbeeld de slijtage van een voorwiel, de bandenspanning of het product voor de ruitensproeiers. Moet je iets onder de motorkap tonen, dan sluit je de kap daarna goed voor je weer instapt. Op het praktijkexamen heb je het reservoir van de ruitensproeiers aangewezen. Wat doe je nu? Voor je uitstapt: parkeerrem, portier, spiegels Definitie. De parkeerrem houdt de auto stil op een stijgende of dalende helling, ook als jij weg bent. Je zet hem aan vanaf je stoel. Een geladen auto moet hij stilhouden op een helling van 18 procent, omhoog en omlaag. Daarom zet je de parkeerrem aan telkens je uitstapt, ook op een vlakke parking in Leuven. De parkeerrem gaat aan vanaf je stoel, ook als de straat vlak lijkt. Het portier open je niet, en je laat het niet open, zonder te controleren dat je niemand in gevaar brengt of hindert. Extra opletten voor voetgangers en voor bestuurders van tweewielers. Eerst kijken, vooral naar fietsers, dan pas het portier openen. Je parkeert zo dat je niemand in gevaar brengt of onnodig hindert. Je auto staat rechts ten opzichte van je rijrichting; op een rijbaan met eenrichtingsverkeer mag dat aan beide kanten. Is er een gelijkgrondse berm, dan zet je de auto daarop, buiten de rijbaan. Buiten de bebouwde kom mag dat op eender welke berm. Is de berm niet breed genoeg, dan parkeer je deels op de berm en deels op de rijbaan. Op het trottoir en, in de bebouwde kom, op een verhoogde berm mag je niet stilstaan of parkeren, behalve als een plaatselijke regeling het toelaat. Een buitenspiegel die in de weg steekt, klap je in. Hindert hij niemand, dan hoeft dat niet. Je stelt je achteruitkijkspiegels zo af dat je vanaf je stoel het verkeer achter je en links ziet, ook een auto die links begint in te halen. Dat doe je voor je vertrekt, niet pas op de rotonde. Op het examen. Voor je uitstapt: motor stil en parkeerrem op, ook op vlak terrein. Op het praktijkexamen ben je niet geslaagd als je uitstapt zonder parkeerrem of versnelling (stand P bij een automaat). Kijk in je linkerbuitenspiegel en door de opening van het portier voor je het helemaal opent, en laat het niet openstaan. Je parkeert op een perfect vlakke parking. De parkeerrem? Banden, wat aan boord ligt, een lek, de motorkap en de parkeerrem: daar let je op voor je vertrekt en voor je uitstapt. Oefen ze hieronder, en doe daarna de quiz. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), artikelen 23, 24, 28, 34, 51 en 81 Technische eisen voor auto's (koninklijk besluit van 15 maart 1968), artikelen 34, 45, 46, 70, 70bis en 71 Wegverkeerswet (wet van 16 maart 1968), artikel 37/1 (alcoholslot) GOCA Vlaanderen, brochure praktijkexamen categorie B, Doc. 133 (18 augustus 2026) GOCA Vlaanderen, Op weg naar het rijbewijs B: het praktijkexamen in Vlaanderen toegelicht (16 september 2026) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 81.4.1, 81.4.2, 81.4.4, 81.1.3, 81.2, 51.1, 51.2, 51.3, 51.4, 81.3.1 en 23.1 ## Veiligheid in de auto: gordel en kinderzitje Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/veiligheid-in-de-auto/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden De gordel is verplicht voor de bestuurder en elke passagier, voorin en achterin, op elke plaats die er een heeft. Zonder gordel: tweede graad, 128 euro. Een kind fout vervoeren: derde graad, 191 euro, op het examen een zware overtreding. Jonger dan 18 jaar én kleiner dan 1,35 m: een geschikt kinderzitje. Vanaf 1,35 m, of vanaf 18 jaar, volstaat de gordel. Een zitje tegen de rijrichting in mag niet voor een voorairbag, tenzij die airbag uitstaat. De claxon alleen om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom ook om te waarschuwen dat je wilt inhalen. De uitzonderingen, je zithouding en de valkuilen staan hieronder. Je haalt een kind van tien op in Gent. Het is 1,30 m en klikt zelf de gordel vast. Mag het zo meerijden? Twijfel je? Dan loont het om dit goed te kennen: gordel, kinderzitje, zithouding en claxon horen bij de leerstof van het theorie-examen. Wie moet de gordel om? De veiligheidsgordel houdt je tegen bij een noodstop. In een auto die aan het verkeer deelneemt, dragen de bestuurder en alle passagiers de gordel, voorin en achterin, op elke plaats die ermee is uitgerust. Er mogen niet meer mensen in de auto dan er plaatsen zijn met een gordel of een goedgekeurd kinderzitje, plus de plaatsen die geen gordel hoeven. De plaatsen met een gordel of een zitje neem je bij voorrang in, en de plaatsen met een kinderzitje zijn bij voorrang voor kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 m. Gebruik gordel en zitje zo dat ze blijven beschermen: niet onder je arm, niet achter je rug, niet te los of gedraaid. Op het examen. Zonder gordel rijden is een overtreding van de tweede graad: een onmiddellijke inning van 128 euro. Op het theorie-examen is dat een lichte fout, één punt. Het geldt voor iedereen, voorin en achterin. “Alleen voorin” is fout. Deze mensen zijn vrijgesteld van de gordel en van het kinderzitje: jij, terwijl je achteruit rijdt; de taxibestuurder terwijl hij een klant vervoert. Zijn passagiers niet; bestuurder en passagiers van een prioritair voertuig dat een persoon vervoert die een potentiële bedreiging vormt of vlak bij de plaats van een interventie is, en passagiers die de vervoerde persoon verzorgen; wie een medische vrijstelling heeft, en ze toont als een bevoegd persoon erom vraagt; de postbode die tijdens de ronde op korte afstand post uitreikt of ophaalt. Je rijdt in Brugge achteruit een oprit af. Moet je gordel dan om? Wanneer heeft een kind een zitje nodig? Twee voorwaarden samen: het kind is jonger dan 18 jaar én kleiner dan 1,35 m. Dan rijdt het in een kinderbeveiligingssysteem dat voor dat kind geschikt is, voorin of achterin. Een zitje of een zitverhoger, als het past en goed vastzit. Vanaf 1,35 m volstaat de gordel, ook als het kind nog geen 18 is. Vanaf 18 jaar volstaat de gordel ook, zelfs als iemand kleiner is dan 1,35 m. De leeftijd alleen of de lengte alleen is niet bepalend: let op het woordje “en”. Kleiner dan 1,35 m en jonger dan 18 jaar: het kind zit in een geschikt zitje, goed vastgemaakt. Op een plaats zonder gordel mag geen kind jonger dan 3 jaar. Voorin zonder gordel mag ook geen kind jonger dan 18 dat kleiner is dan 1,35 m. In een taxi zonder zitje mag een kind jonger dan 18 en kleiner dan 1,35 m meerijden, maar niet voorin. In een bus of autocar met meer dan acht zitplaatsen naast de bestuurder geldt die zitjesplicht niet. De gordelplicht blijft wel gelden en wordt aangegeven door de bestuurder, de reisleider of een pictogram op de zitplaats. Twee uitzonderingen, alleen in een gewone auto (hoogstens acht zitplaatsen naast de bestuurder) of een bestelwagen tot 3,5 ton, en alleen achterin: er zijn al twee zitjes in gebruik en een derde past niet. Een derde kind van 3 jaar of ouder en kleiner dan 1,35 m mag dan met de gordel; af en toe, over een korte afstand, en er zijn niet genoeg zitjes. Kinderen van 3 jaar of ouder en kleiner dan 1,35 m mogen dan met de gordel. Niet als een ouder van dat kind rijdt. Rijdt een grootouder of iemand anders, dan kan het wel. Het zitje moet bij dit kind passen en voldoen aan de normen die sinds 1 september 2006 gelden. Anders mag je het niet gebruiken. Op het examen. Een kind jonger dan 18 en kleiner dan 1,35 m zonder geschikt zitje is een overtreding van de derde graad: 191 euro. Een fout antwoord op zo’n vraag is een zware overtreding: vijf punten eraf. Twee zware overtredingen en je bent uitgesteld. Valkuil. Drie kinderen en maar twee zitjes: het derde kind, van 3 jaar of ouder, mag achterin met de gordel. De korte rit zonder zitje geldt niet als een ouder rijdt. Geen van beide uitzonderingen geldt voorin, en geen van beide voor een kind onder de 3 jaar. In Gent is een kind van 10 jaar 1,40 m groot. Wat heeft het nodig? Mag een kinderzitje voor een voorairbag? Een kind jonger dan 18 jaar mag niet in een naar achteren gericht zitje op een passagiersplaats met een voorairbag, tenzij die airbag uitgeschakeld is of zichzelf voldoende uitschakelt. Staat het zitje in de rijrichting, dan mag het daar blijven, met de voorairbag aan. “Nooit een kind voorin” is te streng. De richting van het zitje is bepalend. Valkuil. Tegen de rijrichting in en de voorairbag staat aan: verboden. Dat is een overtreding van de derde graad. Zet de airbag uit, of draai het zitje in de rijrichting. Kijk na of de airbag echt uit is voor je vertrekt. Je neefje van 2 jaar zit tegen de rijrichting in, voorin, en de voorairbag staat aan. Mag dat? Hoe stel je stoel, gordel en hoofdsteun af? Het theorie-examen rekent gordel, zitplaats en hoofdsteun tot de leerstof. Op het praktijkexamen laat je zien hoe je ze afstelt, voor je vertrekt. Doe het opnieuw als iemand anders de auto heeft gebruikt. zet je stoel zo dat je, met de koppeling ingedrukt, je been lichtjes gebogen houdt; controleer de helling van je rugleuning: houd je armen boven het stuur, je polsen komen dan ter hoogte van het stuur. Je armen blijven licht gebogen; zet de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte met de bovenkant van je hoofd, of enkele centimeter hoger. Buig je hoofd lichtjes naar achteren: de hoofdsteun moet het dan steunen; is de gordel verstelbaar, dan zit hij niet te hoog in je hals en niet zo laag dat je je armen niet vrij beweegt. Onthoud. Koppeling in, been licht gebogen. Polsen op stuurhoogte, armen licht gebogen. Hoofdsteun gelijk met de bovenkant van je hoofd. Gordel niet in de hals en niet zo laag dat je armen blokkeren. Wanneer mag je claxonneren? Het geluidstoestel, de claxon, dient niet voor je humeur. Elk signaal blijft zo kort mogelijk. Een signaal mag alleen als nodige waarschuwing, om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom mag je er ook de bestuurder mee waarschuwen die je wilt inhalen. Groeten of je ongeduld laten horen mag niet, ook niet met een kort signaal. Kort claxonneren, en alleen om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom ook om een inhaalmanoeuvre aan te kondigen. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag vervang je de claxon door het kort wisselen tussen grootlichten en dimlichten. Behalve bij dreigend gevaar: dan mag het geluidstoestel wel. Dat geldt in de bebouwde kom en erbuiten. Onthoud. In de bebouwde kom: alleen om een ongeval te voorkomen. Erbuiten: ook om te waarschuwen dat je wilt inhalen. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, zonder dreigend gevaar: grootlichten en dimlichten kort afwisselen, niet de claxon. Misbruik is een overtreding van de eerste graad: 64 euro. In Leuven, in de bebouwde kom, wil je claxonneren omdat de auto voor je traag optrekt. Mag dat? Wat draag je op een motorfiets? Bestuurder en passagier van een motorfiets dragen een valhelm. Woon je in België, dan moet je helm een homologatieteken (een keurmerk) dragen, voor de maten waarvoor dat vereist is. Daarnaast: handschoenen, een jas met lange mouwen, een lange broek of overall, en laarzen of bottines die de enkels beschermen. Op een bromfiets is de valhelm ook verplicht. Kinderen onder de 3 jaar mogen niet op een tweewielige bromfiets of een motorfiets. Van 3 tot jonger dan 8 jaar horen ze in een geschikt zitje, en alleen tot 125 cm³. In een zijspanwagen mag een kind onder de 8 jaar wel, in een geschikt zitje. Onthoud. Motorfiets: valhelm, handschoenen, jas met lange mouwen, lange broek of overall, en laarzen of bottines die de enkels beschermen. Bestuurder en passagier. Een kind onder de 3 jaar mag niet mee op de motorfiets of de tweewielige bromfiets. Wat moet je zien, en wat controleer je voor het vertrek? Een auto met een voorruit heeft ruitenwissers die vanaf je stoel een voldoende zicht geven. Ze moeten zelf werken: jij duwt ze niet heen en weer. Een ontdooier en een ruitensproeier horen er ook bij, zodat je door de voorruit blijft zien. Die twee zijn niet verplicht op een voertuig voor traag vervoer met een maximumsnelheid tot 30 km/u. Remmen horen bij de onderdelen waarvan het theorie-examen verwacht dat je de meest voorkomende defecten herkent. Op het praktijkexamen bedien je altijd de ontwaseming vooraan, de ontvriezing achteraan, de lichten, het geluidstoestel en de richtingaanwijzers. Daarnaast trekt de computer één steekproef: de slijtage of de spanning van een band, of het product voor de ruitensproeiers. Bij dat product open je de motorkap, wijs je het reservoir aan en sluit je de kap goed. Tot 1 december 2026 kunnen ook het oliepeil, de remvloeistof en de koelvloeistof getrokken worden. Gordel voor iedereen, een zitje onder 1,35 m en 18 jaar, hoofdsteun en claxon alleen als het moet. Herhaal de kaders en doe daarna de quiz hieronder. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), Vlaamse versie: artikelen 33, 35, 36 en 44 Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad: artikelen 2 en 3 Koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie: artikel 2 (128, 191 en 64 euro) Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968: artikel 29 (eerste graad) Koninklijk besluit van 15 maart 1968 op de technische eisen: artikel 44 (ruitenwisser, ontdooier, ruitensproeier) Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs: artikel 31 en bijlage 4 (veiligheidsgordels, hoofdsteunen, kinderbeveiliging) GOCA Vlaanderen, brochure van het theorie-examen (zware overtreding: vijf punten), brochure van het praktijkexamen categorie B en de toelichting “Op weg naar het rijbewijs B” van 16 september 2026 (zithouding, hoofdsteun, controles voor het vertrek) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 35.1.1, 35.1.3, 35.2.1, 35.2.2, 44.1, 35.1.2, 33.2 en 33.3 GOCA Vlaanderen, DOC. 130: Het rijbewijsexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen, DOC. 133: Cat. B, Praktijkexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen: Op weg naar het rijbewijs B praktijkexamen toegelicht, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Onderhoud, technische keuring en lading Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/onderhoud-keuring-lading/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Kijk motorolie, koelvloeistof, remvloeistof en ruitensproeiervloeistof na. De hoofdgroeven van je banden moeten minstens 1,6 mm diep zijn. Een gewone personenauto gaat naar de technische keuring als ze vier jaar oud is, en daarna om de twee jaar. De maximale toegelaten massa is de bovengrens. Met rijbewijs B: hoogstens 3 500 kg. De massa in beladen toestand is wat de auto nu weegt. Lading: niets vooraan, hoogstens 1 m achteraan, 2,55 m breed, 4 m hoog. Meer dan 1 m achteraan uitsteken: een rood-wit bord. Een rood licht komt erbij zodra de auto verlicht moet zijn. De cijfers, de borden en de valkuilen van het examen: alles staat hieronder. 3 500 kilogram. Dat is de bovengrens van je rijbewijs B. Bij dat getal horen drie andere cijfers waar het theorie-examen graag naar vraagt: 1 meter, 2,55 meter en 4 meter. Ken je ze, dan zijn dit punten die je niet laat liggen. Waarom kijk je je auto na voor je vertrekt? Voor een lange rit, van Gent naar de kust bijvoorbeeld, kijk je of de auto nog in orde is. Op het examen moet je de meest voorkomende defecten kunnen herkennen. Het gaat dan vooral om het stuur, de ophanging, de remmen, de banden, de lichten en de richtingaanwijzers, de reflectoren, de spiegels, de voorruit en de ruitenwissers, de uitlaat, de gordels en het geluidstoestel. Bij de banden onthoud je één cijfer. De hoofdgroeven, de brede groeven midden op het loopvlak, moeten minstens 1,6 mm diep zijn. Bij een bromfiets is dat 1 mm. Is het linnen, het weefsel onder het rubber, ergens zichtbaar, dan mag die band niet meer. Een verkeerde bandenspanning is gevaarlijk. Reageren je remmen anders dan je gewend bent, laat ze nakijken. Het stappenplan van de controles staat in de les over voertuigcontroles. De banden hebben een eigen les. Voor een lange rit: banden, peilen en remmen. Een versleten hoofdgroef of een vreemd reagerende rem: daar wacht je niet mee. Welke vloeistoffen houd je op peil? Vier vloeistoffen kom je tegen als je de auto nakijkt, en ook bij de controles op het praktijkexamen: motorolie houdt de motor gesmeerd; koelvloeistof houdt de motor koel. Bij te weinig kan de motor oververhitten; remvloeistof heb je nodig om te kunnen remmen; ruitensproeiervloeistof maakt de voorruit schoon, zodat je zicht houdt. Je koelvloeistof staat bijna op nul. Wat is het directe risico? Op het praktijkexamen kan de examinator je vragen waar je het peil van de motorolie, de remvloeistof of de koelvloeistof controleert. Die drie controles verdwijnen vanaf 1 december 2026. Het peil zelf blijf je wel nakijken voor je vertrekt. Wanneer moet je auto naar de technische keuring? De technische keuring geldt voor auto's. Een volledige keuring controleert de identificatie, onder meer het chassisnummer, en of de auto nog voldoet aan de normen voor veiligheid en milieu. Een gewone personenauto gaat naar de keuring de dag dat ze vier jaar oud is, gerekend vanaf de eerste keer in het verkeer, en daarna om de twee jaar. Je biedt haar aan in de twee maanden vóór die datum. Een taxi of een andere auto voor betaald personenvervoer, een ziekenwagen, een autobus of een autocar gaat al vóór de eerste rit, en daarna elk jaar. Op het examen. Een gewone personenauto: eerste keuring op de dag dat ze vier jaar oud is, daarna om de twee jaar, in de twee maanden ervoor. Een taxi, een ziekenwagen of een autocar: al vóór de eerste rit, en daarna elk jaar. De keuring kijkt naar het chassisnummer, de veiligheid en het milieu. Het keuringsstation geeft een keuringsbewijs af met het resultaat. Welke papieren je bij je moet hebben, lees je in de les over de documenten aan boord. De technische keuring: identificatie, en of de auto nog veilig is en aan de milieunormen voldoet. Wat is het verschil tussen de twee massa's? Definitie. De maximale toegelaten massa is de bovengrens van je auto, bepaald volgens de weerstand van het chassis. De massa in beladen toestand is wat ze nu weegt: de eigen massa, plus lading, bestuurder en passagiers. Die massa mag de bovengrens niet overschrijden. Een derde begrip helpt je ze uit elkaar te houden. De eigen massa is het gewicht van de rijklare auto, met brandstof, water en olie, maar zonder personen en zonder lading. De bovengrens blijft altijd dezelfde. De massa in beladen toestand verandert bij elke rit: lege koffer of vier vrienden met tassen naar Leuven, dat weegt niet hetzelfde. De maximale toegelaten massa staat op het inschrijvingsbewijs of op het keuringsbewijs. Met een rijbewijs B bestuur je auto's waarvan de maximale toegelaten massa hoogstens 3 500 kg is. Zo'n auto is gebouwd voor hoogstens acht passagiers, jou als bestuurder niet meegerekend. Is de auto zwaarder, dan heb je een ander rijbewijs nodig. De maximale toegelaten massa van een auto, dat is... Dit bord slaat op de massa in beladen toestand. Staat er 3,5 ton op, dan telt wat de auto nu weegt, lading inbegrepen. Valkuil. Het ronde bord met de massa slaat op de massa in beladen toestand, dus op wat je auto op dat moment weegt. Niet op de maximale toegelaten massa op papier. Het cijfer op het bord kan 3,5 ton zijn, maar ook een ander getal. Wat mag je lading niet doen? Wat je ook meeneemt, een volle koffer of een kast op het dak: bij normale wegomstandigheden mag de lading zes dingen niet. Ze mag je zicht niet hinderen. Ze mag geen gevaar zijn voor jou, voor wie meerijdt, of voor de andere weggebruikers. Ze mag de openbare weg en wat erbij hoort niet beschadigen, ook geen bruggen of andere kunstwerken, en geen openbaar of privé-eigendom. Ze mag niet slepen of vallen op de openbare weg. Ze mag de stabiliteit van de auto niet in het gedrang brengen. Ze mag de lichten, de reflectoren en de nummerplaat niet onzichtbaar maken. Lange stukken, zoals buizen of planken, maak je aan elkaar en aan de auto vast. Bij het schommelen mogen ze niet buiten de zijkant van de auto zwaaien. Zorg dat tassen vastliggen in de koffer, niet los naast je. Losse bagage kan je zicht wegnemen of iemand raken. Hoeveel personen mag je meenemen, en hoe zit een kind vast? Je mag niet meer inzittenden vervoeren dan er plaatsen zijn met een veiligheidsgordel of een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem, plus de plaatsen die geen gordel moeten hebben. Plaatsen met een gordel of een kinderbeveiligingssysteem neem je eerst in. Personen vervoeren op de buitenkant van de carrosserie is verboden. Een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm moet in een kinderbeveiligingssysteem zitten dat voor dat kind geschikt is, zoals een kinderzitje. Op een plaats zonder gordel vervoer je geen kind jonger dan 3 jaar. Vooraan, op een plaats zonder gordel, ook geen kind jonger dan 18 dat kleiner is dan 135 cm. Onthoud. Niet meer inzittenden dan er plaatsen zijn, en de plaatsen met een gordel eerst. Een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm zit in een geschikt kinderbeveiligingssysteem. Tot welke leeftijd zit een kind kleiner dan 135 cm in een kinderbeveiligingssysteem? Twee beperkte uitzonderingen, niet vooraan. Past er geen derde zitje bij terwijl er al twee in gebruik zijn, dan mag een derde kind van 3 jaar of ouder en kleiner dan 135 cm achteraan de gordel dragen. Bij incidenteel vervoer over een korte afstand zonder genoeg zitjes mag dat ook, behalve als een ouder van het kind zelf rijdt. Een zitje dat naar achteren gericht is, zet je niet op een voorstoel met een voorairbag, tenzij die uit staat. Hoe ver mag je lading uitsteken? Bij lading draait het om cijfers: de maten. Dit zijn de grenzen voor een gewone auto: vooraan: de lading mag niet buiten de voorkant van de auto uitsteken; achteraan: hoogstens 1 meter. Lange ondeelbare stukken mogen tot 3 meter. Dat zijn stukken die je niet kunt opdelen zonder grote kosten of risico op schade, en die door hun lengte niet vervoerd kunnen worden met een voertuig dat aan de lengte-eisen voldoet; breedte: hoogstens 2,55 m, alle uitstekende delen inbegrepen. Is de auto zelf al 2,6 m breed, dan is de grens 2,6 m; hoogte: hoogstens 4 meter, lading inbegrepen. Bestaat de lading uit geperste balen vlas, dan mag het geladen voertuig 4,30 m hoog zijn. Onthoud. Vier cijfers: niets vooraan, 1 meter achteraan, 3 meter alleen voor lange ondeelbare stukken, 2,55 m breed (2,6 m als de auto zelf al zo breed is), 4 meter hoog. Geperste balen vlas mogen tot 4,30 m. Een drager voor fietsen of rolstoelen mag achteraan, met lading hoogstens 1 meter, en alleen daarvoor. Drie andere ronde borden met een rode rand slaan op de lengte, de breedte en de hoogte, lading inbegrepen. Het cijfer op het bord is de grens. Hoe signaleer je een lading die achteraan uitsteekt? Steekt de lading meer dan 1 meter buiten de achterkant, dan komt er een vierkant bord op het verste punt, rechtop. Zijde 0,50 m, rode en witte strepen van ongeveer 75 mm, een rode diagonaal. De rode strepen weerkaatsen het licht. Wanneer de auto niet verlicht moet zijn, volstaat dat bord. Moet de auto verlicht zijn, dan blijft dat bord, en komt er een rood licht bij dat naar achteren schijnt, plus een oranje reflector aan elke zijkant. Het hoogste punt van het bord, het rode licht en de oranje reflectoren zit niet hoger dan 1,60 m boven de grond. Het laagste punt niet lager dan 0,40 m. Valkuil. Meer dan 1 meter achteraan uitsteken: altijd het vierkante rood-witte bord, ook overdag. Het rode licht naar achteren en een oranje reflector aan elke zijkant komen erbij zodra de auto verlicht moet zijn. Het licht vervangt het bord niet. Je lading steekt meer dan een meter uit achteraan, op een heldere dag. Waarmee signaleer je ze? Vloeistoffen op peil, een keuring op het juiste moment, twee massa's en vier cijfers voor je lading. Daarmee heb je dit stuk van het examen bij elkaar. Herhaal de kaders hierboven, en test jezelf daarna met de oefenvragen. Bronnen van de cursus Wegcode, artikels 2.28 tot 2.31 (massa's), 35.1 (kinderbeveiliging), 44 (inzittenden), 45 tot 47 (lading) en 81.4 (banden) Koninklijk besluit van 15 maart 1968, artikels 18, 23bis, 23ter en 23quater (gewicht in beladen toestand en technische keuring) Koninklijk besluit van 23 maart 1998, artikel 2 (rijbewijs B, hoogstens 3 500 kg) GOCA Vlaanderen, brochure theorie-examen, brochure praktijkexamen en Op weg naar het rijbewijs B, versie van 16 september 2026 (defecten, vloeistoffen, bandenspanning) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 81.4.1, 2.29, 45.1, 45.3, 44.1, 44.3, 35.1.1, 35.1.2, 46.1, 46.2.1, 46.2.3, 46.3, 47.1 en 47.2 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord C21, bord C25, bord C27 en bord C29 GOCA Vlaanderen, DOC. 130: Het rijbewijsexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen, DOC. 133: Cat. B, Praktijkexamen (Vlaams Gewest), geraadpleegd op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen: Op weg naar het rijbewijs B praktijkexamen toegelicht, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Banden: profieldiepte, spanning en markeringen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/banden/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden 1,6 mm: zo diep moeten de hoofdgroeven minstens zijn. Komen de slijtage-indicatoren gelijk met het loopvlak, dan vervang je de band. Bandenspanning: op het praktijkexamen toon je het ventiel, of de meter op het dashboard. De juiste waarde is die van jouw auto. M+S met een lagere snelheidscategorie: alleen van 1 oktober tot 30 april, met een plaatje binnenin en een lagere snelheid. Spijkerbanden zijn verboden, tenzij de minister ze bij uitzondering toelaat. Sneeuwkettingen alleen bij sneeuw of ijzel. 205/55 R 16 91 T: breedte, hoogte, radiaal, velg, belasting, snelheid. T is 190 km/u. Elk cijfer op de zijkant, en de montage die je moet kennen: hieronder, punt per punt. 1,6 millimeter. Zo diep moeten de hoofdgroeven van je banden minstens blijven. Dat is een van de dingen die je aan je banden moet kunnen nakijken. Hieronder loop je ze één voor één na: de diepte van de groeven, de spanning, de M+S-banden en de gegevens op de zijkant. Hoe diep moeten de groeven van je banden zijn? Definitie. De hoofdgroeven van een luchtband moeten minstens 1,6 mm diep zijn. Dat zijn de brede groeven in het midden van het loopvlak, over ongeveer driekwart van de breedte. Slijtage-indicatoren, blokjes rubber in die groeven, komen gelijk met het loopvlak als je op die grens zit. Je hoeft niets te meten. Bij een personenauto zitten er minstens zes rijen slijtage-indicatoren, ongeveer gelijk verdeeld over het loopvlak. Ze liggen in die brede groeven in het midden. Op een velg van hoogstens 12 duim volstaan vier rijen. Verwar de indicatoren niet met de dunne rubberbruggetjes tussen de ribben. Alleen de echte indicatoren tonen de slijtagegrens. Ze mogen die grens tot 0,6 mm te vroeg tonen, maar nooit te laat. Zie je ze gelijk komen met het rubber errond, dan vervang je de band: je zit op 1,6 mm, of er net boven. Over driekwart van het loopvlak moet de tekening zelfs dieper dan 1,6 mm blijven. Voor het examen is 1,6 mm het cijfer dat je moet kennen. Die diepte geldt niet voor banden van voertuigen voor traag vervoer. Twee dingen die je met het blote oog ziet, los van de millimeter. Het linnen mag op geen enkele plaats zichtbaar zijn. Een band met scheuren of barsten vervang je. Valkuil. Voor je auto is de grens 1,6 mm in de hoofdgroeven. Voor een bromfiets is dat 1 mm. Gaat de vraag over een personenauto, dan is 1 mm fout. Op het examen. Banden horen bij de onderdelen die je moet kunnen nakijken. 1,6 mm is de diepte van de hoofdgroeven. De slijtage-indicator zegt dat je daar bent: de band gaat eraf. Wacht niet tot het linnen blootligt. De hoofdgroeven van je autoband moeten minstens hoe diep zijn? Welke banden passen bij je auto, en hoe controleer je de bandenspanning? De belastingsindex en de snelheidscategorie van je banden moeten verenigbaar zijn met het laadvermogen per as en met de maximale snelheid van je auto. Die gegevens van de auto staan in de goedkeuring, in het certificaat van overeenstemming of in het instructieboekje van de constructeur. Een band die daar niet bij past, monteer je niet. Op het praktijkexamen kan de examinator vragen hoe je de bandenspanning controleert, en waar de juiste spanning voor jouw auto staat. Je stapt uit en toont het ventiel. Heeft je auto alleen een elektronische meter, dan toon je op het dashboard waar die meter zit. Op het examen. Twee dingen toon je: het ventiel, of de spanningsmeter op het dashboard als je auto alleen die heeft, en waar de juiste spanning voor jouw auto te vinden is. De examinator vraagt hoe je de bandenspanning controleert. Wat toon je? Een reservewiel mag tijdelijk van die bandenregels afwijken. Je past je rijden dan aan, vooral door trager te rijden. In Brugge rijd je daarmee niet alsof er vier gewone banden onder zitten. Zodra het kan, leg je weer een band die wel past. Welke band gebruik je in de winter, en welke combinatie is verboden? Op de zijkant van een band van het type M+S staat die aanduiding. Je mag zo’n band monteren met een lagere snelheidscategorie dan de banden die origineel op de auto zaten. Dan gelden drie grenzen tegelijk. Je rijdt niet sneller dan die lagere limiet. Binnen in de auto, goed zichtbaar voor jou, hangt een plaatje met die limiet. Die banden zijn alleen toegelaten van 1 oktober tot 30 april. Dat plaatje mag blijven hangen als je later banden met een hogere snelheidsindex monteert. Je moet het bij die wissel niet weghalen. Er is één uitweg uit die kalender. Is de snelheid van de M+S-band minstens zo hoog als de maximale snelheid van je auto, dan gelden die extra grenzen niet: geen periode, geen lagere limiet, geen plaatje. Twee loopvlakken voor twee seizoenen. Een M+S-band herken je aan de letters M+S op de zijkant. Stel: de originele banden zijn categorie H, 210 km/u, en de maximale snelheid die voor je auto bepaald is, ligt boven 190 km/u. In november leg je in Hasselt M+S-banden met de letter T. Die band mag hoogstens 190 km/u. Jij blijft onder die limiet, het plaatje hangt binnenin, en na 30 april horen die T-banden eraf. 190 km/u is de limiet van de band. Op de weg volg je gewoon de snelheidsborden. Onthoud. M+S met een lagere snelheidscategorie dan de originele banden: alleen van 1 oktober tot 30 april, niet sneller dan die limiet, met een plaatje binnenin dat jij kunt zien. Is hun snelheid minstens die van de auto, dan vallen die grenzen weg. Spijkerbanden zijn verboden. Alleen als het weer het rechtvaardigt, kan de minister van Verkeerswezen ze bij uitzondering toelaten, onder voorwaarden die hij dan vastlegt. Op het praktijkexamen in Vlaanderen gaat de proef op de openbare weg niet door met spijkerbanden. Kom je daarmee aan in het examencentrum, dan rijd je die rit niet. Sneeuwkettingen zijn iets anders. Die mag je alleen bij sneeuw of ijzel. Op een droge oktoberochtend in Mechelen blijven ze in de kofferbak, ook als het koud aanvoelt. Het loopvlak zelf mag geen holten of uitsteeksels hebben die het wegdek beschadigen. Onthoud. Op dezelfde as hebben de banden dezelfde technische karakteristieken. Een directionele of asymmetrische band monteer je in de juiste draairichting. Valkuil. Twee verboden die je moet kennen. De groeven van een versleten band opnieuw insnijden of de tekening hertekenen mag niet. Radiaalbanden vooraan alleen als achteraan hetzelfde type zit, dus geen diagonaalbanden achteraan. Een band die in de fabriek heropgegoten is en een goedkeuring draagt, is niet hetzelfde als een band waarvan iemand de groeven opnieuw heeft ingesneden. De eerste mag, onder die goedkeuring. De tweede nooit. Mag je met spijkerbanden op de openbare weg rijden? Je legt vooraan radiaalbanden. Wat moet er dan achteraan zitten? Hoe lees je de aanduiding 205/55 R 16 91 T? 205/55 R 16 91 T op de zijkant: breedte, hoogte, radiaal, velg, belasting en snelheid, altijd in die volgorde. Op de zijkant staat een reeks zoals 205/55 R 16 91 T. Je leest ze altijd van links naar rechts. Elk stuk is een eigenschap van die band, geen versiering. Deel | Wat het betekent | 205 | De breedte van de band, in millimeter. | 55 | De bandenserie: de hoogte is 55 procent van de breedte. | R | Radiaalband. | 16 | De inwendige diameter van de velg, in duim. | 91 | De belastingsindex. 91 komt overeen met 615 kg. | T | De snelheidscategorie: hoogstens 190 km/u. | De letters volgen niet het alfabet: T is 190 km/u, H is 210 km/u, V is 240 km/u en W is 270 km/u. Die indexen zijn een voorwaarde, geen sticker voor de sier. Wat je monteert, moet het laadvermogen en de maximale snelheid van je auto aankunnen, zoals die voor de auto bepaald zijn. Definitie. 205/55 R 16 91 T lees je altijd in dezelfde volgorde: breedte in mm, hoogte in procent van de breedte, radiaal, velg in duim, belastingsindex, snelheidscategorie. T is hoogstens 190 km/u, 91 is 615 kg. Ga in je straat in Leuven eens bij een geparkeerde auto staan en lees de zijkant hardop: breedte, hoogte, radiaal, velg, belasting, snelheid. Eén echte band blijft beter hangen dan drie keer dezelfde fiche. Op de aanduiding 205/55 R 16 91 T: wat betekent de 16? Hoofdgroeven van minstens 1,6 mm, de spanning die bij jouw auto hoort, M+S-banden met een lagere snelheidscategorie alleen van 1 oktober tot 30 april, en een zijkant die je kunt lezen. Herhaal de cijfers hieronder, en doe daarna de quiz van deze les. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, Vlaamse versie: artikel 81.1.3 en artikel 81.4, banden. Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen: artikel 34, lucht- en cushionbanden. GOCA Vlaanderen, Doc. 130, Het rijbewijsexamen, Vlaams Gewest, 18 augustus 2026: banden bij de mechanische onderdelen van de leerstof voor het theorie-examen. GOCA Vlaanderen, Doc. 133, Praktijkexamen categorie B, Vlaams Gewest, 18 augustus 2026: controle van de slijtage en van de bandenspanning, geen spijkerbanden op de proef. GOCA Vlaanderen, Op weg naar het rijbewijs B, Vlaams Gewest, 16 september 2026: slijtage-indicatoren, bandenspanning en geen spijkerbanden. Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 81.4.1, 81.4.2 en 81.4.4 ## Documenten aan boord: wat moet je bij je hebben? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/documenten-aan-boord/ Hoofdstuk 12: Het voertuig Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Vijf documenten bij een controle, plus je identiteitskaart: rijbewijs, inschrijvingsbewijs, verzekeringsbewijs, keuringsbewijs (als de auto gekeurd moet zijn) en gelijkvormigheidsattest. Ben je ouder dan vijftien, dan toon je je identiteitskaart als een bevoegd persoon dat vraagt na een overtreding of een ongeval. Het verzekeringsbewijs mag groen of wit zijn. Op het praktijkexamen mag het ook elektronisch. Een gewone personenauto gaat naar de technische keuring zodra ze vier jaar oud is, en daarna om de twee jaar. In de auto horen ook een gevarendriehoek, een blustoestel, een retro-reflecterend veiligheidsvest en een verbandetui. Elk document apart, en wat er nog in de auto moet liggen: dat staat hieronder. De politie houdt je tegen in Gent. Raam open, en meteen: de documenten aan boord. Dan telt elke seconde. Of je geeft de papieren rustig af, of je zit nerveus in je auto te graaien. Die lijst hoort bij de leerstof van het theorie-examen. Welke documenten moet je kunnen tonen? Definitie. De documenten aan boord zijn de papieren die je bij je hebt als je met de auto rijdt: je rijbewijs, het inschrijvingsbewijs, het verzekeringsbewijs, het keuringsbewijs als de auto gekeurd moet zijn, en het gelijkvormigheidsattest. Je identiteitskaart heb je erbij. Onthoud de lijst als één plus vier, met je identiteitskaart erbij. Eén document gaat over jou als bestuurder. Vier documenten gaan over de auto. het rijbewijs: jij mag deze categorie besturen. Voor een gewone auto is dat categorie B; het inschrijvingsbewijs: de auto is ingeschreven, met haar nummerplaat; het verzekeringsbewijs: de burgerlijke aansprakelijkheid is verzekerd; het keuringsbewijs: de auto is gekeurd, als ze naar de keuring moet; het gelijkvormigheidsattest: de auto voldoet aan de technische regels. Onthoud. Documenten aan boord zijn één plus vier. Eén voor jou: het rijbewijs. Vier voor de auto: inschrijving, verzekering, keuring en gelijkvormigheid. Je identiteitskaart heb je erbij zodra je rijdt. In Brugge controleert een agent je. Welk document hoort niet bij de documenten aan boord? Het rijbewijs, en je identiteitskaart erbij Het eerste document is van jou. Je rijbewijs toont dat je dit voertuig mag besturen, en dat het geldig is voor de juiste categorie. Voor een gewone auto is dat categorie B. Tijdens je opleiding rij je met een voorlopig rijbewijs. Ook dat toon je als een bevoegd persoon erom vraagt. Zonder geldig rijbewijs voor die categorie rijd je niet. Rijden terwijl je geen houder bent van het rijbewijs voor die auto, is zwaarder strafbaar dan je rijbewijs gewoon vergeten. Vergeten mag ook niet. Je hebt het bij je, en je toont het zodra een bevoegd persoon erom vraagt. Naast het rijbewijs hoort je identiteitskaart. Ook die heb je bij je als je rijdt. Ben je ouder dan vijftien jaar, dan toon je ze als een bevoegd persoon dat vraagt na een overtreding of een verkeersongeval. Bij een ongeval toon je die kaart ook aan de andere betrokkenen, als zij erom vragen. Dat geldt zodra je ouder bent dan vijftien, of er nu alleen stoffelijke schade is of ook gewonden. Het inschrijvingsbewijs: de auto, de plaat, de naam Het inschrijvingsbewijs komt van de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen. Het koppelt de auto, de nummerplaat en de naam waarop ze ingeschreven is. Je hebt het bij je als je rijdt. Op het praktijkexamen vraagt het examencentrum het originele inschrijvingsbewijs. Een foto op je telefoon is dat origineel niet. Neem het echte document mee, niet een afbeelding ervan. Op het praktijkexamen in Mechelen toon je een foto van het inschrijvingsbewijs op je telefoon. Geldig? Het verzekeringsbewijs: moet de groene kaart groen zijn? Een auto mag de openbare weg alleen op als de burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd is, en als die verzekering niet geschorst is. Het bewijs dat je toont, is het verzekeringsbewijs. Veel mensen zeggen nog groene kaart. Die kaart hoeft niet groen te zijn. Ze mag groen of wit zijn. Op het praktijkexamen aanvaardt het centrum een origineel geldig verzekeringsbewijs: witte of groene papieren, een kaart, of een elektronische versie. Op dat examen mag je ze dus op je telefoon tonen. De nummerplaat vervangt het verzekeringsbewijs niet. Dat blijft een van de documenten die je verplicht bij je hebt. Valkuil. “De groene kaart moet groen zijn” klopt niet. Het verzekeringsbewijs mag groen of wit zijn, en op het praktijkexamen ook elektronisch. De officiële naam is verzekeringsbewijs. Je verzekeraar bezorgde je het verzekeringsbewijs elektronisch. Op je praktijkexamen toon je het op je telefoon. Geldig? Technische keuring en gelijkvormigheid: de twee laatste papieren Het keuringsbewijs toont dat de auto op de technische keuring is geweest. Je hebt het alleen nodig als de auto gekeurd moet zijn. Een gewone personenauto moet voor het eerst naar de keuring op de dag dat ze vier jaar oud is, gerekend vanaf de eerste keer dat ze in het verkeer kwam, en daarna om de twee jaar. Stel: je rijdt in Leuven met de gezinsauto van twee jaar. Die auto hoeft nog niet gekeurd te zijn. Een keuringsbewijs vragen heeft dan geen zin. Sommige voertuigen gaan vroeger. Een auto voor rijonderricht gaat naar de keuring vóór ze voor het eerst in België de weg op mag, en daarna elk jaar. Hetzelfde geldt voor een auto voor individueel bezoldigd personenvervoer, zoals een taxi, en voor een ziekenauto. Een aanhangwagen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 750 kg en hoogstens 3 500 kg moet ook gekeurd worden vóór ze voor het eerst in het verkeer komt, en daarna om de twee jaar. Het is de aanhangwagen die gekeurd wordt, niet automatisch de auto die ze trekt. Een auto die gekeurd moet zijn, mag niet op de openbare weg zonder geldig keuringsbewijs. Het bewijs ligt in de auto. Je toont het als een bevoegd persoon erom vraagt. Is de keuring in orde, of zijn er alleen kleine gebreken, dan is het bewijs groen tot de volgende keuring. Bij grote gebreken is het rood en nog twee maanden geldig. Bij gevaarlijke gebreken is het rood, zonder geldigheid, en mag de auto het verkeer niet in. Het gelijkvormigheidsattest hoort bij de auto vanaf de ingebruikname. De constructeur levert het af. Het moet de auto altijd vergezellen, ook als ze van eigenaar verandert. Het bewijst dat ze aan de technische regels voldoet. Sommigen denken dat dit attest alleen voor de keuring dient. Het hoort wel bij de documenten die je bij je hebt als je rijdt. Op de keuring toon je het ook, als het personeel erom vraagt. Een uitzondering: voer je een auto in die al in een andere lidstaat van de Europese Unie ingeschreven was, dan hoef je dit attest niet voor te leggen. Is het inschrijvingsbewijs uit die lidstaat onleesbaar of onvolledig, dan mag men het attest wel vragen. Ontbreekt het attest, dan volgt daar geen sanctie uit. Op het examen. De lijst is rijbewijs, identiteitskaart, inschrijvingsbewijs, verzekeringsbewijs, keuringsbewijs als de auto gekeurd moet zijn, en gelijkvormigheidsattest. Een gewone personenauto van twee jaar heeft nog geen keuringsbewijs nodig. Valkuil. Een keuringsbewijs is niet voor elke auto verplicht vanaf dag één. Een gewone personenauto pas vanaf vier jaar, daarna om de twee jaar. Rood en zonder geldigheid betekent: niet rijden. Je gewone personenauto is twee jaar oud en nooit gekeurd. Ontbreekt er een document aan boord? Origineel of kopie: wat het examen en de controle aanvaarden Op het theorie-examen neem je je identiteitskaart mee. Een kopie wordt niet aanvaard. Ben je ze kwijt, dan neem je het officiële bewijs van aangifte van verlies of diefstal mee. Zonder Belgische identiteitskaart neem je je vreemdelingenkaart mee. Op het praktijkexamen volstaat een paspoort niet als identiteitsdocument. Voor de auto wil het centrum drie dingen: het originele inschrijvingsbewijs, een origineel geldig verzekeringsbewijs, en een geldig keuringsbewijs als de auto gekeurd moet zijn. Het elektronische verzekeringsbewijs telt als origineel: dat is het echte bewijs, digitaal. Een foto van het papieren inschrijvingsbewijs is geen origineel. Die twee mag je niet door elkaar halen. Bij een politiecontrole toon je je rijbewijs zodra een bevoegd persoon erom vraagt. Een fotokopie volstaat niet: je moet het rijbewijs zelf bij je hebben. Ook het keuringsbewijs toon je zodra een bevoegd persoon erom vraagt, als de auto er een moet hebben. De documenten van de keuring horen in de auto te liggen wanneer je ermee rijdt. Onthoud. Leg de papieren van de auto samen in één mapje, op een vaste plek in de auto. Je rijbewijs en je identiteitskaart houd je zelf bij je. Bij diefstal van de auto gaan je persoonlijke documenten niet mee. Wat ligt er nog in de auto, naast de papieren? Naast de papieren horen er vier zaken in een gewone auto te liggen. Ze staan op dezelfde lijst als de documenten. een gevarendriehoek, om een auto die niet meer verder kan of een lading die op de weg gevallen is, te signaleren; een blustoestel met minstens 1 kg poeder als de maximaal toegelaten massa van de auto hoogstens 3 500 kg bedraagt. Minstens één toestel ligt binnen handbereik van de bestuurder; een retro-reflecterend veiligheidsvest. In de volksmond: een fluovestje; een verbandetui (ook verbanddoos genoemd) in een gewone auto. Een verbandkist is voor autobussen, autocars en auto's voor bezoldigd personenvervoer. Het blustoestel staat op een steun die aan de auto vastzit. Je haalt het er in hoogstens tien seconden af. Is de verzegeling stuk, of is de datum op de romp voorbij, dan telt het toestel niet meer. Heb je pech op een autosnelweg of een autoweg en sta je op een plaats waar je niet mag stoppen of parkeren, dan trek je het vest aan zodra je de auto verlaat. Het vest ligt dus in de auto, niet thuis in de kast. Rijbewijs, identiteitskaart, inschrijving, verzekering, keuring en gelijkvormigheid: dat is de lijst, met de driehoek, het blustoestel, het vest en het verbandetui erbij. De herhaling hieronder zet de kern op kaartjes. Daarna test de quiz of je bij elk document meteen weet wat het bewijst. Bronnen van de cursus Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer: artikelen 21, 22, 30 en 31. Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 51.4, 52.2, 52.3 en 59.1. Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen: artikel 2. Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen: artikelen 10, 23ter, 23decies, 24, 70, 70bis en 71. Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs: artikel 31 en bijlage 4, administratieve bescheiden bij het gebruik van het voertuig. Vlaanderen.be, Wat moet u verplicht bij hebben als u met een voertuig rijdt, corpuskopie van 21 oktober 2026. Vlaanderen.be, Praktijkexamen rijbewijs B, corpuskopie van 21 oktober 2026: origineel inschrijvingsbewijs, origineel verzekeringsbewijs (wit, groen, kaart of elektronisch) en geldig keuringsbewijs. Vlaanderen.be, Theorie-examen voor rijbewijs B, corpuskopie van 21 oktober 2026: een kopie van de identiteitskaart wordt niet aanvaard. ## Verlichting en zichtbaarheid: dimlicht en mist Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verlichting-en-zichtbaarheid/ Hoofdstuk 13: Zien en gezien worden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Vooraan wit of geel, achteraan rood. Achteruitrijlicht en nummerplaat: wit of geel. Richtingaanwijzers: oranje. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en zodra je niet duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter: dimlichten of grootlichten. Grootlichten uit als je iemand verblindt, een voertuig op minder dan 50 meter volgt (behalve tijdens het inhalen), of de rijbaan doorlopend verlicht is en je duidelijk tot op ongeveer 100 meter ziet. Heb je een achtermistlicht, dan moet het aan bij mist of sneeuw met minder dan ongeveer 100 meter zicht, en bij felle regen. Anders blijft het uit. Slecht zicht: pas je snelheid aan. Je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt verwachten. Licht per licht, met de afstanden die op het examen terugkomen: alles staat hieronder. Zie je de weg nog, en zien de anderen jou? Welk licht je wanneer aanzet en hoe snel je rijdt als je weinig ziet: dat moet je voor het theorie-examen precies kennen. Elk licht komt aan bod, van een nacht naar Brugge tot mist rond Hasselt. Welke kleur heeft welk licht? De kleuren zijn je houvast voor de rest. Vooraan zijn de lichten wit of geel, nooit rood. Achteraan zijn de achterlichten, de stoplichten en het achtermistlicht rood. Twee lichten achteraan mogen wel wit of geel zijn: het achteruitrijlicht en de verlichting van je nummerplaat. Richtingaanwijzers knipperen oranje. Vooraan mag dat knipperlicht ook wit zijn, achteraan ook rood. Onthoud. Vooraan wit of geel, achteraan rood, richtingaanwijzers oranje. Uitzonderingen achteraan: het achteruitrijlicht en de nummerplaat, wit of geel. Vooraan nooit rood. Achteraan nooit wit of geel, behalve die twee. Vooraan wit of geel. Achteraan rood, behalve achteruitrijlicht en nummerplaat. Wanneer gebruik je dimlicht, en wanneer grootlicht? De standlichten tonen je auto en hoe breed ze is. Ze verlichten de weg niet ver. Vanaf het vallen van de avond rijd je niet met alleen standlichten aan, ook niet in een helder verlichte straat in Leuven. Dan horen dimlichten of grootlichten aan. Sta je stil of geparkeerd, en is het donker of zie je niet duidelijk tot op ongeveer 200 meter, dan signaleren de standlichten vooraan en de rode achterlichten je auto. Is je auto door de straatverlichting al van op ongeveer 100 meter duidelijk te zien, dan hoeven die lichten niet. In de bebouwde kom mag een parkeerlicht die lichten vervangen, als je auto evenwijdig met de rijbaan staat en je geen aanhangwagen trekt. Alleen het parkeerlicht aan de kant van de rijbaan brandt. Het dimlicht verlicht de weg zonder tegenliggers te verblinden. Dimlicht of grootlicht moet aan tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en overdag zodra je niet duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, door mist, regen, sneeuw of een donkere tunnel. Het grootlicht verlicht de weg over een grote afstand, zolang je niemand hindert. Dimlicht en grootlicht mogen samen branden. In vier gevallen doof je het grootlicht en rijd je op dimlicht: iemand komt je tegemoet. Schakel op tijd over, en in ieder geval meteen als hij snel met zijn grootlichten knippert, want dan wordt hij verblind; je nadert een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman verblind kan worden; je volgt een voertuig op minder dan 50 meter, behalve terwijl je inhaalt; de rijbaan is zonder onderbreking verlicht en je ziet duidelijk tot op ongeveer 100 meter. Je rijdt 's nachts op 40 meter achter een auto en je haalt niet in. Wat doe je met je grootlichten? De dagrijlichten zitten vooraan, zijn wit en gaan vanzelf aan. Ze maken je overdag zichtbaar en verlichten de weg niet. Ze doven als de koplichten of de voormistlichten aangaan. Op nieuwere auto's zijn ze verplicht. Een uitzondering kan gelden voor een personenauto of lichte bestelwagen die vóór 7 februari 2011 is goedgekeurd, en voor andere voertuigen die vóór 7 augustus 2012 zijn goedgekeurd. Stoplichten zijn rood en branden zodra je het rempedaal indrukt. Een personenauto met Europese typegoedkeuring die na 1 mei 2003 voor het eerst in gebruik is genomen, heeft er drie. Voor personenauto's en lichte bestelwagens van na 1 november 2014 geldt dat ook, behalve bij een chassiscabine of een voertuig met open laadruimte. Op andere voertuigen zijn twee verplicht, een derde mag. Het achteruitrijlicht is wit of geel en brandt alleen in de achteruitversnelling. Het verlicht de weg achter je en waarschuwt andere weggebruikers dat je achteruitrijdt of gaat rijden. Andere bestuurders mag het niet hinderen. De nummerplaat licht mee op met de standlichten. Is het voertuig breder dan 2,50 meter, dan horen er omtreklichten bij: wit naar voren, rood naar achteren. Blauwe knipperlichten zijn alleen voor bepaalde diensten, zoals politie, brandweer en ziekenwagens. Achteraan rood. Wit of geel alleen voor het achteruitrijlicht en de nummerplaat. Richtingaanwijzers oranje. Op het examen. Vier grenzen moet je kennen. Ongeveer 200 meter: dimlichten of grootlichten, ook overdag. Ongeveer 100 meter op een doorlopend verlichte rijbaan: grootlichten uit. Minder dan 50 meter achter een voertuig: grootlichten uit, behalve tijdens het inhalen. Mist of sneeuw onder ongeveer 100 meter, en elke felle regen: achtermistlicht aan. Wanneer mag het mistlicht aan? Het achtermistlicht eerst, want het gebruik ervan is streng geregeld. Valkuil. Heb je een achtermistlicht, dan zijn er drie gevallen en geen meer. Mist of sneeuw die het zicht tot minder dan ongeveer 100 meter beperkt, en felle regen altijd, ook als je verder ziet. Daarbuiten blijft het uit: je verblindt wie achter je rijdt. Felle regen overdag in Brugge. Wat doe je met het achtermistlicht? Voormistlichten mag je alleen gebruiken bij mist, sneeuwval of felle regen. Dan mogen ze de dimlichten of de grootlichten vervangen, of samen met die lichten branden. Op het examen. Bij mist, sneeuw of felle regen mogen de voormistlichten het dimlicht of het grootlicht vervangen, of samen branden. Voor het achtermistlicht geldt een aparte regel: het vervangt het licht vooraan nooit. Sta je stil in mist, sneeuw of felle regen, dan mag je dimlichten of voormistlichten gebruiken, en ook het achtermistlicht. De plicht om het achtermistlicht aan te zetten geldt als je rijdt. Wit of geel naar voren, rood naar achteren. Zo lees je de lichten van een auto. Rijbewijs B Theorie Waarvoor dienen de richtingaanwijzers en het noodsignaal? De richtingaanwijzers tonen welke kant je uit wil: vooraan, achteraan en opzij. Ze knipperen tussen 60 en 120 keer per minuut. Definitie. Het noodsignaal is het gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers. Je gebruikt het om een gevaar aan te geven: een defect voertuig, een lading op de weg, een dreigend ongeval, of kinderen die in of uit een voertuig voor schoolvervoer stappen. Pech op de rijbaan: gevaarsdriehoek, en als het kan het noodsignaal erbij. Kan je een defecte auto of aanhangwagen niet wegzetten zoals een geparkeerde auto, of staat hij waar stilstaan verboden is, dan plaats je de gevaarsdriehoek. Minstens 30 meter ervoor op een gewone weg, minstens 100 meter op de autosnelweg, zichtbaar van op ongeveer 50 meter. In de bebouwde kom mag hij dichter, desnoods op het voertuig. Het noodsignaal mag erbij, net als een draagbaar oranjegeel knipperlicht. Een lading op de weg die je niet meteen opruimt, signaleer je op dezelfde manier. Dat geldt ook als je lichten defect zijn en je auto niet duidelijk te zien is van op ongeveer 100 meter. Op een autosnelweg of autoweg trek je een retro-reflecterend veiligheidsvest aan zodra je uitstapt waar je niet mag stoppen. Welke lichten controleer je voor je vertrekt? Loop even rond je auto voor je de sleutel omdraait. vooraan: standlichten, dimlichten, grootlichten, en de voormistlichten als je ze hebt; richtingaanwijzers: vooraan, achteraan, links en rechts; achteraan: rode achterlichten, stoplichten, achtermistlicht. De controle voor je vertrekt: vooraan, richtingaanwijzers, achteraan. Rijbewijs B Theorie Het is nacht. De rijbaan is doorlopend verlicht en je ziet duidelijk tot op ongeveer 100 meter. Wat brandt er vooraan? Hoe snel mag je rijden als je weinig ziet? Je snelheid moet passen bij het weer, de plaats, het verkeer, het zicht en de lading. Die snelheid mag geen ongeval veroorzaken en het verkeer niet hinderen. Je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt verwachten, en je houdt genoeg afstand. Valkuil. Voor mist of regen staat er geen vaste snelheid in de wet. Ook 120 km/u op de autosnelweg kan bij slecht zicht te snel zijn. Pas je snelheid aan je zicht aan: je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt verwachten. Op de autosnelweg is 120 km/u de gewone limiet, en trager dan 70 km/u mag normaal niet. Bij slecht zicht telt toch eerst wat je ziet. Is 70 km/u te snel om veilig te stoppen, dan rijd je trager: je snelheid mag geen ongeval veroorzaken. Felle regen: dimlicht vooraan en het achtermistlicht aan. Rij niet sneller dan je zicht toelaat. Dichte mist op de autosnelweg. Je ziet alleen een kort stuk weg. Wat doe je? Wat mag niet bij een helling, een bocht of een volle koffer? Links inhalen mag niet als je de tegenliggers niet vroeg genoeg ziet om het zonder gevaar te doen. Bij het naderen van de top van een helling en in een bocht met onvoldoende zicht mag je een auto, een motor of een gespan links niet inhalen. Het mag alleen als je de doorlopende witte streep niet overschrijdt die het deel voor de tegenliggers afbakent. Op die plaatsen mag je ook niet stilstaan of parkeren op de rijbaan. De lading mag je zicht niet belemmeren. Ze mag je lichten, je reflectoren en je nummerplaat niet bedekken, en ze mag niet vallen of de auto onstabiel maken. Definitie. Een reflector kaatst licht terug van een lamp die niet op jouw auto staat. Hij brandt niet zelf. Zo blijf je zichtbaar zonder eigen licht. Op een auto is hij achteraan niet driehoekig. Op een aanhangwagen wel: een driehoek met de punt omhoog. Laat een handkar of de lading ervan je onvoldoende zicht naar voren, dan duw je de kar niet. Je gaat ervoor staan en je trekt ze, zodat je ziet wat er op de weg komt. Je kent nu de kleuren, de vier afstanden en de drie gevallen van het achtermistlicht. De herhaling hieronder zet die kern op kaartjes, en de oefenvragen daarna tonen of je bij elk licht meteen weet wat je doet. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikelen 10, 11, 17, 21, 24, 30, 31, 32, 32bis, 39bis, 45, 51 en 54 Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikel 28 Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 30.1, 31.1, 30.4, 31.2, 32.1, 10.1, 11.2, 21.2, 17.1, 17.2 en 45.1 ## Alcohol, drugs en vermoeidheid: mag je nog rijden? Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/alcohol-drugs-vermoeidheid/ Hoofdstuk 14: Ongevallen vermijden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Rijbewijs B: vanaf 0,5 gram per liter bloed, of 0,22 mg per liter lucht. Vrachtwagen, bus, taxi, ambulance en bezoldigd leerlingenvervoer: vanaf 0,2 gram, of 0,09 mg. Sinds 1 juli 2026: vanaf jouw grens een rijverbod van twaalf uur. Je rijbewijs kan meteen ingetrokken worden. Na vijftien dagen krijg je het terug, tenzij de politierechtbank verlengt. Bij alcohol bepaalt de wet hoeveel je mag hebben, bij drugs niet: vanaf de analysegrens ben je in overtreding, ook met een voorschrift. Vermoeidheid, een geneesmiddel of stress: je moet op elk moment kunnen sturen en je auto in de hand hebben. Herhaling binnen drie jaar van een overtreding uit een wettelijke lijst, zoals alcohol vanaf 0,35 mg of drugs: verval van minstens 3, dan 6, dan 9 maanden. De grenzen per stof en de valkuilen staan hieronder. 0,22 milligram per liter uitgeademde lucht: vanaf daar ben je in overtreding. Wanneer ben je in staat om te rijden? Definitie. In staat zijn om te rijden betekent dat je op elk moment kunt sturen, de vereiste lichaamsgeschiktheid hebt, en je voertuig voortdurend goed in de hand hebt. Voor een rijbewijs B of een voorlopig rijbewijs verklaar je op erewoord dat je geen aandoening hebt uit de lijst voor groep 1 (lichaam, geest en zicht). Heb je er wel een, dan teken je niet en ga je naar een geneesheer naar keuze, voor je zicht naar een oogarts. Zware vermoeidheid ontneemt je de controle over je auto. Gaap je aan één stuk door op weg naar Brugge en zie je het asfalt niet meer? Stop dan op de eerste veilige plaats. Vermoeidheid neemt je aandacht weg. Dan heb je de auto niet meer goed in de hand. Een schok of zware stress werkt hetzelfde: laat de auto staan. Laat je onderweg ook niet afleiden door je passagiers. Zolang je rijdt, mag je geen mobiel apparaat met een scherm gebruiken, vasthouden of manipuleren. Gsm, sms of gps los in de hand: verboden. Het mag wel als het vastzit in een houder die daarvoor dient en aan de auto bevestigd is. Het verbod geldt niet als je auto geparkeerd is of stilstaat, dat wil zeggen: niet langer stilstaat dan nodig om iemand te laten in- of uitstappen, of om te laden of te lossen. Gsm in de hand: verboden zolang je rijdt. Vast in een houder aan de auto mag het. Rijden met een gsm los in de hand is een overtreding van de derde graad, net als rijden terwijl je niet meer in staat bent om te sturen. Vanaf welk alcoholgehalte ben je in overtreding? De gewone grens is 0,5 gram alcohol per liter bloed, of 0,22 milligram per liter uitgeademde lucht. Vanaf dat cijfer ben je in overtreding, ook als je je nuchter voelt. De lagere grens is 0,2 gram per liter bloed, of 0,09 milligram per liter lucht. Die geldt voor een vrachtwagen of bus (categorie C1, categorie D1 of zwaarder, met of zonder aanhangwagen) en voor wie personen vervoert met een voertuig waarvoor dezelfde medische eisen gelden: taxi, verhuur van voertuigen met chauffeur, ambulance of bezoldigd leerlingenvervoer. Op het examen. Leer deze twee grenzen van buiten. Gewoon rijbewijs B: 0,5 gram per liter bloed, of 0,22 milligram per liter lucht. Vrachtwagen, bus, taxi, ambulance en bezoldigd leerlingenvervoer: 0,2 gram, of 0,09 milligram. De zware schijf begint voor iedereen bij 0,35 milligram per liter lucht, of 0,8 gram per liter bloed. Daar horen veel zwaardere straffen bij dan tussen jouw grens en die schijf. Sinds 1 juli 2026, zodra de ademanalyse jouw grens haalt: een rijverbod van twaalf uur, vanaf de vaststelling; je geeft je rijbewijs af. Kan dat niet meteen, dan kan de auto ingehouden worden; het rijbewijs kan onmiddellijk ingetrokken worden. Terug na vijftien dagen, tenzij de politierechtbank de termijn verlengt; de ademtest of de ademanalyse weigeren is zelf strafbaar; voor je weer rijdt, volgt een nieuwe test. Zit je nog op of boven je grens, of weiger je: opnieuw twaalf uur. Onthoud. Vanaf 1 juli 2026: ademanalyse op of boven jouw grens, twaalf uur rijverbod. Intrekking kan meteen. Terug na vijftien dagen, tenzij de politierechtbank verlengt. De ademtest meet de alcohol in je uitgeademde lucht. Met een rijbewijs B ben je vanaf 0,22 mg per liter in overtreding. Reken niet uit hoeveel glazen je nog mag. Wie rijdt, drinkt niet, ook niet na een feestje in Leuven. Controle in Antwerpen, rijbewijs B. Vanaf welk gehalte in de uitgeademde lucht ben je in overtreding? Geldt voor drugs dezelfde marge als voor alcohol? Nee. Bij alcohol bepaalt de wet hoeveel je mag hebben. Bij drugs niet: de wet noemt alleen een analysegrens, de waarde vanaf waar de uitslag meetelt. De politie overloopt eerst een checklist met tekens van recent gebruik. Wijst die daarop, dan volgt een speekseltest. Na een ongeval kan die test meteen, zonder checklist. Die test langs de weg telt pas vanaf deze waarden, in nanogram per milliliter. Vanaf zo'n waarde volgt een rijverbod van twaalf uur: cannabis (THC): 25; amfetamine: 50; MDMA, de stof in ecstasy: 50; morfine of heroïne: 10; cocaïne: 20. De speekselanalyse telt vanaf een lagere grens: cannabis 10, amfetamine 25, MDMA 25, morfine of heroïne 5, cocaïne 10. Op of boven die grens ben je in overtreding, ook als je je goed voelt. Een doktersvoorschrift verandert niets aan de grens. Lukt speeksel niet, dan kan een bloedanalyse volgen, met eigen grenzen. De rechter kan een verval van het recht tot sturen uitspreken van acht dagen tot vijf jaar, in zware gevallen langer. Valkuil. Verwar drugs niet met alcohol. Voor alcohol ben je met een rijbewijs B pas in overtreding vanaf 0,22 mg per liter lucht. Voor drugs bepaalt de wet geen gehalte dat je mag hebben: vanaf de analysegrens ben je in overtreding, ook met een voorschrift. Ook hier kan je rijbewijs meteen ingetrokken worden, en voor je weer rijdt, volgt een nieuwe speekseltest. Haalt die de grens nog, of weiger je zonder wettige reden: opnieuw twaalf uur. Weigeren is zelf strafbaar. Iemand aanzetten om te rijden terwijl hij duidelijk onder invloed is van zo'n stof of van alcohol, of hem een voertuig geven, is ook strafbaar. Cannabis, ecstasy, cocaïne, amfetamine, morfine en heroïne: vanaf de analysegrens ben je in overtreding. Op het examen. Koppel het cijfer aan de maatregel. Vanaf jouw alcoholgrens: twaalf uur rijverbod, en je rijbewijs kan vijftien dagen weg. Vanaf 0,35 mg per liter lucht: de zware schijf. Haalt de speekseltest langs de weg haar grens: ook twaalf uur rijverbod. Je speekselanalyse op cannabis zit op de wettelijke grens. Wat geldt er? Geneesmiddelen, vermoeidheid, emoties: wat onderschat je snel? Sommige geneesmiddelen maken je slaperig of trager. Lees de bijsluiter. Staat er dat je niet mag rijden, dan rijd je niet. Een voorschrift is geen toestemming om suf de baan op te gaan. Slaperigheid en tragere reacties: lees de bijsluiter voor je vertrekt. Rijd je in een toestand die op dronkenschap lijkt door drugs of door een geneesmiddel, dan is dat een aparte overtreding. De rechter moet een verval uitspreken van minstens een maand, tot vijf jaar of voorgoed. Krijg je slecht nieuws op je werk in Hasselt en trillen je handen? Dan vertrek je niet: je moet je auto in de hand hebben. Wat verandert er bij herhaling binnen drie jaar? Definitie. Er is herhaling als je binnen drie jaar na een definitieve veroordeling opnieuw een overtreding uit dezelfde wettelijke lijst pleegt. Het hoeft niet dezelfde overtreding te zijn. De rechter moet dan een verval uitspreken: minstens drie maanden de eerste keer, zes maanden de tweede, negen maanden de derde. Om je rijbewijs terug te krijgen, moet je slagen voor vier examens en onderzoeken: het theorie-examen, het praktijkexamen, een geneeskundig onderzoek en een psychologisch onderzoek. Sinds 1 januari 2026 kan de rechter een opleiding opleggen die theorie en praktijk vervangt of aanvult. Op die lijst staan onder meer: alcohol vanaf 0,35 mg per liter lucht, dronkenschap, of een toestand die daarop lijkt; de ademtest of de speekseltest weigeren; drugs vanaf de analysegrens; iemand die duidelijk onder invloed is aanzetten om te rijden, of hem een voertuig geven; vluchtmisdrijf: wegrijden na een ongeval om de vaststellingen te ontlopen; rijden zonder het vereiste rijbewijs, zonder de verplichte verzekering, of terwijl je al vervallen bent; overtredingen van de vierde graad; meer dan 40 km/u te snel, of meer dan 30 km/u te snel in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een erf of een woonerf; opzettelijk een toestel bij je hebben dat flitspalen opspoort of de vaststelling van een overtreding hindert. Zit je onder 0,35 mg per liter, dan geldt dit minimum niet. Onthoud. Herhaling binnen drie jaar: verval van minstens drie, zes en negen maanden. Terugkrijgen: theorie, praktijk, een geneeskundig en een psychologisch onderzoek. Een opleiding kan theorie en praktijk vervangen. Herhaling: minstens drie, dan zes, dan negen maanden verval, en vier examens en onderzoeken. Eerste herhaling binnen drie jaar. Welk verval moet de rechter minstens uitspreken? Wat verandert er met een voorlopig rijbewijs? Sinds 1 september 2026 geldt voor een voorlopig rijbewijs dezelfde strenge regel als voor wie zijn rijbewijs B nog geen twee jaar heeft. Eén veroordeling volstaat, ook zonder herhaling. Pleeg je met een motorvoertuig een overtreding waarvoor een verval kan volgen, dan moet de rechter een verval uitspreken. Het minimum van drie maanden van een herhaling geldt hier niet. Om weer te rijden, moet je minstens slagen voor het theorie- of het praktijkexamen; een opleiding kan die examens aanvullen of vervangen. Alleen overtredingen van de tweede graad vallen erbuiten. Een gsm in de hand is een overtreding van de derde graad en valt er dus wel onder. Onthoud. Voorlopig rijbewijs, sinds 1 september 2026: de rechter moet een verval uitspreken, behalve bij de tweede graad. Kan jouw rijbewijs meteen ingetrokken worden wegens alcohol of drugs, dan kan ook het rijbewijs van je begeleider meteen ingetrokken worden. Herhaal de kaders hierboven, en toets jezelf daarna met de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, Vlaamse versie, artikelen 2.22, 8.3 en 8.4 Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, artikelen 29, 30, 33, 34, 35, 37, 37bis, 38, 48, 55, 56, 60, 61, 61bis, 61ter, 62bis, 62ter en 63 Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, artikelen 41, 42 en 43 Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad, artikel 3 Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, artikel 22 Vlaanderen.be: Strengere straffen voor beginnende chauffeurs, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Defensief rijden: afstand houden en handelen na een ongeval Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/defensief-rijden/ Hoofdstuk 14: Ongevallen vermijden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Defensief rijden is anticiperen en je aanpassen: ver kijken, afstand houden, de anderen inschatten. Tot je stilstaat zijn er twee stukken: de reactie (de auto rolt nog) en het remmen. Regen verlengt het remmen, niet je reactietijd. Je houdt een voldoende veiligheidsafstand, rekening houdend met je snelheid. Op een natte weg wordt die afstand groter. Bij ongeval of pech: de gevaarsdriehoek minstens 30 meter op een gewone weg, minstens 100 meter op de autosnelweg. Bij gewonden: hulp verlenen, de auto niet verplaatsen, ter plaatse blijven tot een bevoegd persoon de vaststellingen doet. Waar je op let, het verschil tussen reactie en remmen en de stappen na een ongeval: alles staat hieronder. Je ziet het gevaar. Je auto staat nog niet stil, want je voet is nog niet op het rempedaal. Dat stuk is je reactie. Daarna pas beginnen de remmen te werken. Defensief rijden zorgt dat je die ruimte hebt, en dat je weet wat je doet als het toch misgaat. Het theorie-examen vraagt beide: het gevaar vroeg zien, en weten wat je doet als het toch gebeurt. Wat is defensief rijden? Definitie. Defensief rijden is rijden waarbij je anticipeert en je aanpast aan wat er op de weg kan gebeuren. Je reageert vroeger, en de kans op een ongeval wordt kleiner. Dat helpt de andere weggebruikers, en het spaart je auto. De regels kennen is het begin. Je moet ook de weg lezen: wat doen de anderen, wat komt er op je af, waar is nog ruimte. Defensief rijden: het gevaar zien voor het een probleem wordt. Waar let je op voor het te laat is? Een breed zicht Bijna alles wat je over het verkeer weet, komt binnen via je ogen. Kijk dus niet alleen naar de motorkap. Kijk ver vooruit, in je spiegels en opzij. In Gent is dat de fietser uit een zijstraat. In Brugge een deur die opengaat. Ver, opzij en achter je: je leest de hele weg, niet alleen wat vlak voor je motorkap gebeurt. Ruimte rond je auto Houd tussen je auto en je voorligger een voldoende veiligheidsafstand, rekening houdend met je snelheid. Hoe sneller je rijdt, hoe meer ruimte je nodig hebt. Die plicht geldt bij zon en bij regen. Houd ook zijdelings voldoende ruimte: tegenover fietsers, voetgangers en de auto naast je. Hoe groter die ruimte, hoe meer tijd je hebt om te reageren. Ruimte rond de auto: houd afstand van auto's, fietsers en voetgangers, niet alleen van je voorligger. De anderen inschatten Wie de reactie van een ander al inschat, wordt minder verrast. Let op een bestuurder die een manoeuvre inzet, op een voetganger aan de rand van de rijbaan, op kinderen en dieren die kunnen opduiken. In een schoolomgeving in Mechelen of Hasselt is dat geen theorie. Een kind kijkt niet altijd naar jou. Schat de koers van de anderen in, ook de voetganger die niet op een oversteekplaats loopt. Defensief rijden, dat is vooral... Hoeveel ruimte heb je nodig om te stoppen? Definitie. De stopafstand is de som van twee stukken. De reactieafstand is wat je auto nog aflegt tussen het zien van het gevaar en het begin van het remmen. De remafstand is wat je daarna nog nodig hebt om stil te staan. Je reactietijd wordt langer als je afgeleid bent, moe bent, of als alcohol, drugs of geneesmiddelen meespelen. De auto rolt intussen door. Wie alert is, legt minder meters af voor hij remt. De remafstand groeit met je snelheid en met minder grip. Op het terugkommoment, de verplichte opleiding na je rijbewijs, ervaar je die zelf bij 50 km/u. Je moet in alle omstandigheden kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Je snelheid mag geen ongeval veroorzaken, en je afstand tot je voorligger moet daarbij passen. Op het examen. Het examen vraagt of je een gevaar vroeg ziet, of je afstand houdt die bij je snelheid past, en of je reactietijd en remafstand uit elkaar houdt. Regen en een slecht wegdek horen bij het remmen. Vermoeidheid, afleiding, alcohol en drugs horen bij je reactie. Wat is de stopafstand van je auto? Wat verandert er als het wegdek nat is? Op een natte weg grijpen je banden minder. De remafstand wordt langer. Tussen Gent en Aalst, of op de autosnelweg bij een bui, is dat het verschil tussen nog stoppen en je voorligger raken. Je reactietijd verandert niet door de regen. Je blijft even snel als op een droog wegdek, zolang jij alert bent. De remafstand wel: het wegdek is gladder, de banden hebben minder grip. Je stopafstand wordt dus langer, omdat het remmen langer duurt. Hoe harder het regent of hoe slechter de weg, hoe meer ruimte je nodig hebt. Op de autosnelweg, waar je veel sneller rijdt, heb je nog meer ruimte nodig. Vergroot je veiligheidsafstand. Valkuil. Op een natte weg blijft je reactietijd gelijk. Het is de remafstand die langer wordt. Een antwoord als “alles wordt evenveel langer” klopt niet. De regen verandert de grip, niet je brein. Je rijdt bij regen van Kortrijk naar Gent. Wat wordt er echt langer? Wat doe je meteen na een ongeval? Gebeurt het toch, in Leuven of op de autosnelweg, dan eerst de mensen, dan de plaats, dan de papieren. Eerst de veiligheid Stop zodra dat veilig kan, zet de motor af, en zet als je kunt alle richtingaanwijzers tegelijk aan. Dat mag. Verplicht is het niet. Kun je op een autosnelweg of een autoweg veilig uitstappen, breng dan je passagiers weg van de rijstroken. Gewonden Is er lichamelijk letsel, dan verplaats je de auto niet. Je verleent hulp voor zover dat nodig is. Een gewonde verslepen maakt het letsel vaak erger. Doe dat alleen bij onmiddellijk gevaar, zoals brand. Verwittig de hulpdiensten. Je mag even weg om hulp te halen, als je je naam en adres aan iemand ter plaatse geeft. Daarna blijf je, zodat een bevoegd persoon de vaststellingen kan doen. Lukt het niet om binnen een redelijke tijd een bevoegd persoon ter plaatse te krijgen, dan doe je binnen 24 uur aangifte. Dat kan op het dichtstbijzijnde politiekantoor, of op dat van waar je woont. Valkuil. Bij een gewonde verplaats je de auto niet. De gewonde zelf verplaats je alleen bij onmiddellijk gevaar, zoals brand. Hem comfortabeler leggen is een fout antwoord. Hulp verlenen is iets anders dan slepen. Na een ongeval in Antwerpen is er een gewonde. Verplaats je hem? Waar zet je de gevaarsdriehoek? In elke auto horen een gevaarsdriehoek, een retro-reflecterend veiligheidsvest, een blustoestel en een verbandetui. Veel mensen zeggen gevarendriehoek. Het is hetzelfde voorwerp. Na een ongeval volg je dezelfde signalisatie als bij pech. Kun je de auto niet verplaatsen, of alleen zetten waar stilstaan en parkeren verboden zijn, dan duid je hem aan met de driehoek. Doe dat ook als de lichten stuk zijn en hij van op ongeveer 100 meter niet goed te zien is, en als een lading op de weg blijft liggen. Je mag ook alle richtingaanwijzers tegelijk laten knipperen, of een draagbaar oranjegeel knipperlicht plaatsen. Dat vervangt de driehoek niet. Je zet de driehoek rechtop, achter je auto, zodat wie nadert hem ziet voor hij je bereikt. Op een gewone weg minstens 30 meter. Op een autosnelweg minstens 100 meter. Wie nadert moet hem van op ongeveer 50 meter kunnen zien. In de bebouwde kom, waar 30 meter niet kan, mag de driehoek dichterbij en zelfs op de auto. Het vest trek je aan zodra je een auto met pech verlaat op een autosnelweg of een autoweg, op een plaats waar je niet mag stoppen of parkeren. Daar verwacht niemand een voetganger. Onthoud. 30 meter op een gewone weg, 100 meter op de autosnelweg. In de bebouwde kom mag het korter als 30 meter niet past. Het vest is verplicht bij pech op de autosnelweg of de autoweg, zodra je uitstapt waar je niet mag stoppen. Valkuil. 100 meter geldt alleen op een autosnelweg. Op een gewone weg zet je de driehoek op minstens 30 meter. De 50 meter is niet de afstand waarop je de driehoek zet: zo ver moet wie nadert hem kunnen zien. Je auto heeft pech in de bebouwde kom van Leuven en je kunt hem niet wegzetten. Hoe ver zet je de gevaarsdriehoek? Wat noteer je na het ongeval? Alleen stoffelijke schade, niemand gewond: je blijft ter plaatse om samen de vaststellingen te doen. Zijn jullie het eens over de feiten, dan hoeft de politie niet per se te komen. Zijn jullie het niet eens, dan blijf je tot een bevoegd persoon de vaststellingen komt doen. Kun je die persoon binnen een redelijke tijd niet bereiken, dan mag je het ongeval zo snel mogelijk aangeven, op het dichtstbijzijnde politiekantoor of op dat van waar je woont. Bij gewonden heb je daar 24 uur voor. Ben je ouder dan 15 jaar, toon dan je identiteitskaart, of een bewijs dat daarvoor geldt, aan de andere betrokkenen die erom vragen. Is iemand met schade niet ter plaatse, laat dan je naam en adres achter en bezorg ze zo snel mogelijk, rechtstreeks of via de politie. Schrijf samen de feiten en deze gegevens duidelijk op: naam, voornaam en adres; telefoonnummer; verzekeraar en polisnummer; nummerplaat; merk, model en kleur van de auto. Neem foto's van de plaats, de schade en de borden, voor je iets verzet. Bij gewonden blijft de auto staan. Daarna breng je je verzekeraar op de hoogte. Die dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en regelt de schade. De fout bespreek je niet op de rijbaan. Onthoud. Schrijf de feiten op. Ga niet discussiëren over de fout. Dat is het werk van de verzekeraars, niet van twee geschrokken bestuurders. Blijf daarbij kalm. Eerst zien en ruimte houden. Gebeurt het toch, dan veiligheid, driehoek, hulp en de feiten op papier. Herhaal nu de kaartjes hieronder en test jezelf in de quiz. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, Vlaamse versie: artikelen 10.1, 51.1 tot 51.4, 52.1 tot 52.3 en 81.2. Koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen: artikelen 70, 70bis en 71. Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen: artikel 2. GOCA Vlaanderen, brochure Doc. 130, algemene leerstof theorie-examen: defensief rijgedrag, reactietijd, afstand bewaren, hulp aan slachtoffers. Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, bijlage 4: waarneming, beoordeling en reactie, remafstand, gedragslijn bij ongevallen. Vlaanderen.be, Terugkommoment voor rijbewijs B: praktijkoefening remafstand bij 50 kilometer per uur. Vlaanderen.be, Wat moet u verplicht bij hebben als u met een voertuig rijdt: gevarendriehoek, brandblusapparaat, fluovestje en verbanddoos. Vlaanderen.be: Terugkommoment voor rijbewijs B auto, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Slecht weer, mist en nacht: zo rijd je veilig Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/slecht-weer-mist-en-nacht/ Hoofdstuk 14: Ongevallen vermijden Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Regen verandert de maximumsnelheid niet. Jij vertraagt wel: minder grip, meer afstand, en stoppen voor een hindernis die je ziet aankomen. Sneeuwkettingen mag je alleen bij sneeuw of ijzel. Op een natte rijbaan zonder sneeuw zijn ze verboden. Spijkerbanden zijn verboden. Voormistlichten zijn nooit verplicht. Je mag ze alleen bij mist, sneeuwval of felle regen. Achtermistlichten, als je wagen ze heeft: verplicht bij mist of sneeuw onder ongeveer 100 meter zicht, en bij felle regen. Lichten aan tussen avond en ochtend, en ook overdag zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter. Per situatie de juiste reflex, de lichten en de valkuilen van het examen: hieronder. De rijbaan wordt glad, of je ziet plots bijna niets. De maximumsnelheid op die weg blijft dezelfde. Jouw snelheid niet. Regen, sneeuw, ijzel, mist, zijwind en nacht vragen elk een eigen reflex. De eerste reflexen bij weer en claxon staan in de les Weer en milieu. Hier gaat het over wat de regels echt vastleggen: de lichten, de kettingen en wanneer je moet vertragen. Waarom moet je bij regen trager rijden? Een bui op de ring van Gent. Het bord langs de weg, of de gewone limiet van die weg, verandert niet omdat het regent. Toch mag je niet gewoon je snelheid aanhouden. Je stemt je snelheid af op het weer, het zicht, de staat van de rijbaan en je voertuig. Die snelheid mag geen ongeval veroorzaken en het verkeer niet hinderen. Twee dingen horen daarbij. Je houdt een veilige afstand tegenover je voorligger, groot genoeg voor jouw snelheid. En je moet in elke situatie kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. minder grip: een natte rijbaan houdt je banden slechter vast, dus je remafstand wordt langer; aquaplaning: de banden raken de weg niet meer, de uitleg staat hieronder; minder zicht, voor jou en voor wie je kruist. Definitie. Aquaplaning ontstaat als je banden het water niet meer wegkrijgen. Ze verliezen het contact met de rijbaan. De auto glijdt en reageert niet meer op stuur, rem of gas. Natte rijbaan: je vertraagt en houdt meer afstand, ook als de limiet dezelfde blijft. Je banden doen het werk alleen als de groeven diep genoeg zijn. De hoofdgroeven moeten minstens 1,6 mm diep zijn. Ondiepe groeven voeren water slecht af, en aquaplaning begint vroeger. Valkuil. Regen verlaagt de maximumsnelheid niet. Je moet wel trager rijden, want je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. “Ik reed de toegelaten snelheid” is geen excuus op een natte rijbaan. Het regent hard op de ring van Gent. De limiet is dezelfde als bij droog weer. Mag je die snelheid aanhouden? Wat is het gevaar bij sneeuw en ijzel? Sneeuw en ijzel maken de rijbaan nog gladder dan regen. Je hebt minder grip, soms ook minder zicht, en je moet voorzichtiger sturen en remmen. IJzel is het gladst: je banden hebben dan bijna geen houvast. Een driehoek met een slippende auto waarschuwt voor een glibberige rijbaan. Een onderbord kan sneeuw, ijzel, een nat wegdek of bladeren noemen. Het bord zegt niet hoe snel je mag rijden, maar dat je hier kunt uitglijden. Glibberige rijbaan: de rijbaan kan glad zijn. Een onderbord kan sneeuw of ijzel tonen. Sneeuwkettingen mag je op de banden leggen, maar alleen bij sneeuw of ijzel. Op een rijbaan die alleen nat is, zijn ze verboden. Ze zijn toegelaten, niet verplicht. Ook mét kettingen, of met vierseizoenenbanden, rijd je trager. Sneeuwkettingen: alleen bij sneeuw of ijzel, en ook dan rijd je trager. Spijkerbanden zijn verboden. De minister kan ze alleen bij uitzondering toelaten, als het weer dat rechtvaardigt, en onder voorwaarden die hij zelf vastlegt. De rijbaan in Hasselt is nat, maar er ligt geen sneeuw en geen ijzel. Mag je sneeuwkettingen monteren? Wanneer mag je je mistlichten aansteken? Bij mist mag je de voormistlichten gebruiken. Verplicht is dat nooit. Drie situaties, en geen andere: mist, sneeuwval en felle regen. Ze mogen je dimlichten of je grootlichten vervangen, of samen met die lichten branden. Zodra je weer normaal ziet, doe je ze uit. Buiten die drie situaties zijn ze verboden. Ze verblinden andere bestuurders, vooral wie je kruist. Op het examen. Voormistlichten: nooit verplicht, alleen bij mist, sneeuwval of felle regen. Achtermistlichten: heeft je wagen ze, dan moet je ze gebruiken bij mist of sneeuw die het zicht tot minder dan ongeveer 100 meter beperkt, en bij felle regen zonder die afstandsgrens. Elders blijven ze uit. Wanneer moet je de achtermistlichten gebruiken, als je wagen ze heeft? Er is geen vaste snelheid voor mist in de regels. Je past je snelheid aan het zicht aan, en je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Een vraag die beweert dat de wegcode een vaste snelheid voor mist oplegt, is dus fout. Mist, sneeuwval en felle regen: alleen dan mogen de voormistlichten branden. Onthoud. Zie je niet meer duidelijk tot op ongeveer 200 meter, dan gaan de gewone lichten aan, ook overdag. Onder ongeveer 100 meter bij mist of sneeuw, en bij felle regen, gaan de achtermistlichten aan als je wagen ze heeft. Een vaste snelheid voor mist staat er niet bij: je vertraagt. Hoe houd je je koers bij zijwind? Op stukken waar vaak een sterke zijwind waait, en waar een windzak hangt, waarschuwt een bord voor zijwind. Een open stuk aan de kust is daar een voorbeeld van. Een vlaag duwt de auto opzij. Dat is een plotse afwijking van je lijn. Zijwind: op dit stuk waait het vaak hard opzij. Er hangt een windzak. Twee reflexen. Je rijdt trager dan de limiet van die weg, zodat een vlaag je minder ver duwt. En je houdt het stuur met twee handen, zodat je de vlaag kunt opvangen. Windzak strak: trager rijden, en het stuur met twee handen. Valkuil. Je moet je voertuig de hele tijd goed in de hand hebben en elke rijbeweging kunnen maken, niet alleen bij wind. Het stuur met twee handen vasthouden is de beste manier om dat te doen. Een vraag die dit tot windstoten beperkt, is fout. Een windzak aan de kust staat strak. Wat doe je? Wanneer zet je je lichten aan, ook overdag? In het donker zie je alleen het stuk dat je lichten verlichten, en anderen zien jou alleen als je lichten branden. Je gebruikt je lichten tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en ook op elk ander uur wanneer je niet meer duidelijk kunt zien tot op ongeveer 200 meter. Vooraan zijn dat de dimlichten of de grootlichten. Die mogen samen branden. Achteraan branden de rode lichten. Een stortbui om 15 uur op de Antwerpse ring, waarin je geen 200 meter ver ziet, telt dus ook. Je dooft de grootlichten en schakelt over op de dimlichten in vier gevallen: je nadert een tegenligger: doe het op tijd, zodat die veilig verder kan, en in elk geval zodra hij met zijn lichten knippert omdat je hem verblindt; je nadert een spoorvoertuig (een trein, een tram) of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman verblind zou worden; je volgt een voertuig op minder dan 50 meter, behalve terwijl je inhaalt; de rijbaan is doorlopend zo verlicht dat je ongeveer 100 meter ver duidelijk ziet. Welk licht wanneer, in een tunnel of bij stilstand, staat in de les Verlichting en zichtbaarheid. Hier onthoud je het moment: nacht, of zicht onder ongeveer 200 meter. Om 15 uur zie je door een bui niet duidelijk tot op ongeveer 150 meter. Wat doe je met je lichten? Wat betekent herhaling, en wat kost ze? Herhaling is geen tweede lichte fout. Je werd veroordeeld voor een feit uit een vaste lijst, en dat vonnis is definitief geworden. Binnen drie jaar na de dag van dat vonnis pleeg je opnieuw een feit uit die lijst. Het hoeft niet hetzelfde feit te zijn. Op die lijst staan onder meer: alcohol vanaf minstens 0,35 milligram per liter lucht die je uitademt, of 0,8 gram per liter bloed, en de weigering van de ademtest, de ademanalyse of de bloedproef; dronkenschap door alcohol, drugs of geneesmiddelen, rijden onder invloed van drugs, en de weigering van de speekseltest, de speekselanalyse of de bloedproef; vluchtmisdrijf, rijden zonder het vereiste rijbewijs, en rijden terwijl je rijbewijs onmiddellijk ingetrokken is. Ook een overtreding van de vierde graad telt. Hetzelfde geldt als je de toegelaten snelheid met meer dan 40 km/u overschrijdt, of met meer dan 30 km/u in de bebouwde kom, een zone 30, een schoolomgeving, een erf of een woonerf. Een gewone overtreding van de derde graad, zoals door het rood rijden, valt daar niet onder. Onthoud. Bij herhaling met een motorvoertuig moet de rechter een verval van het recht tot sturen uitspreken (je mag dan een tijd niet rijden): minstens 3 maanden, daarna minstens 6, en dan minstens 9. Je rijbewijs komt terug na theorie, praktijk, een geneeskundig en een psychologisch onderzoek. Een opleiding kan theorie en praktijk aanvullen of vervangen. De drempels voor alcohol en drugs, en wat een eerste keer al kost, staan in de les Alcohol, drugs en vermoeidheid. Hier onthoud je de termijn: drie jaar, en een straf die bij elke nieuwe herhaling zwaarder wordt. Regen, sneeuw, mist, zijwind en nacht: je kent nu de reflex bij elke situatie en de cijfers die in de regels staan. Overloop ze nog eens en maak daarna de quiz hieronder. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, artikelen 8.3, 10.1, 30, 30.1, 81.4.1 en 81.4.4 Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, artikelen 29, 30, 33, 34, 35, 37bis en 38 Ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald, artikelen 7.5 (glibberige rijbaan) en 7.11 (zijwind) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie), verkeersborden: bord A15 en bord A37 ## Verkeersagenten: gebaren boven lichten en borden Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/verkeersagenten/ Hoofdstuk 15: Verkeersagenten Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden Een bevoegd persoon, meestal de politie, staat boven de lichten, de borden en de gewone regels. Drie bevelen betekenen alle drie stoppen: arm recht omhoog, arm of armen horizontaal, en een rood licht dat overdwars zwaait. Zie je zijn borst of rug, dan stop je. Rijd je naar zijn hand, dan mag je het kruispunt op. Een wegkapitein, een groepsleider of een gemachtigd opzichter geeft aanwijzingen. Zo iemand is geen bevoegd persoon. Een bevel negeren is van de derde graad. Negeer je de horizontale armen of het zwaaiende rode licht, dan is het de vierde graad. De gebaren, het verschil met een wegkapitein en wie er wint van het licht: dat staat hieronder. Het licht springt op groen in Gent, maar de politieagent steekt zijn arm omhoog. Rijd je door, dan negeer je zijn bevel. Dat is een overtreding van de derde graad. Wie beslist er dan op het kruispunt: het licht of de agent? Zijn bevel gaat boven het licht. Wie is een bevoegd persoon? Definitie. Een bevoegd persoon ziet toe op de naleving van de verkeerswet en de reglementen die erbij horen. Meestal is dat de politie. Met de onderscheidingstekens van zijn functie, herkenbaar overdag en 's nachts, mag hij het verkeer regelen. Zijn bevelen gaan boven lichten, borden en regels. In de praktijk is dat de politieagent van de federale of lokale politie die je op straat tegenkomt. Er zijn er nog meer. Zo is het personeel dat een brug in de openbare weg bewaakt en bedient, bevoegd voor het verkeer op en bij die brug. Bevelen aan wie rijdt, mag hij alleen geven als hij de onderscheidingstekens van zijn functie draagt. Die tekens moet je overdag en 's nachts kunnen herkennen. Zonder die tekens regelt hij het rijdende verkeer niet. Zijn bevelen volg je meteen op. Ze gaan boven de verkeerstekens en boven de gewone verkeersregels. Een groen licht maakt zijn stopbevel niet ongedaan. Bij een controle toon je je rijbewijs of je voorlopig rijbewijs. Bij een controle toon je je rijbewijs, of je voorlopig rijbewijs als je nog in opleiding bent. Dat doe je zodra een ambtenaar die op de verkeerswet toeziet erom vraagt. Staat je auto stil of geparkeerd, en vraagt hij je om ze te verplaatsen, dan doe je dat meteen. Weiger je, of ben je er niet, dan mag hij de auto zelf laten verplaatsen, op jouw risico en op jouw kosten. Ben je er niet en staat je auto volgens de regels geparkeerd, dan mag hij ze toch laten verplaatsen, maar niet op jouw risico en niet op jouw kosten. Een andere weggebruiker mag die auto niet zelf verplaatsen. Op het examen. Een bevel van een politieagent negeren is een zware overtreding: 5 punten minder, bij twee zulke fouten ben je uitgesteld. Meestal is dat de derde graad, 191 euro. Horizontale armen of een zwaaiend rood licht: de vierde graad, ook zwaar, zonder onmiddellijke inning. Die 191 euro kan sinds 1 juli 2026 onmiddellijk geïnd worden. Bij de vierde graad is de onmiddellijke inning uitgesloten. De arm recht omhoog blijft van de derde graad. Ook je auto niet verplaatsen wanneer hij dat vraagt, is van de derde graad. Het is dus geen vriendelijke tip. Is iedereen met een fluohesje een bevoegd persoon? Niet iedereen die je een teken geeft, mag het kruispunt regelen. Sommige mensen geven aanwijzingen. Die volg je op. Zij zijn daarom nog geen bevoegde personen. een gemachtigd opzichter, bij het oversteken van kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden; een wegkapitein, bij een groep fietsers of een groep motorfietsers; een groepsleider, bij een groep voetgangers of een groep ruiters; een werfopzichter, bij het personeel van werken op de openbare weg. Om het verkeer stil te leggen gebruiken zij een schijf waarop het bord verboden toegang staat. Geen opgestoken arm, geen horizontaal uitgestrekte armen. Een wegkapitein mag het verkeer in de zijweg stilleggen op een kruispunt dat niet door verkeerslichten geregeld wordt, terwijl de groep oversteekt. Hij vervangt werkende lichten niet. Valkuil. Een wegkapitein, een groepsleider of een gemachtigd opzichter is geen bevoegd persoon. Zijn aanwijzingen volg je wel op: negeren is van de derde graad. De drie stopbevelen van een bevoegd persoon geeft hij niet. In Brugge laat een wegkapitein je stoppen voor een groep fietsers. Is hij een bevoegd persoon? Wat betekenen de drie bevelen? Drie bevelen hebben een vaste betekenis. Ze vragen alle drie hetzelfde: stoppen. Elk ander duidelijk bevel volg je ook meteen op. Niet elk gebaar staat apart beschreven. Eén arm recht omhoog: stoppen voor alle weggebruikers. Wie al op het kruispunt is, maakt het vrij. Arm recht omhoog. Alle weggebruikers stoppen. Wie zich al op het kruispunt bevindt, stopt daar niet middenin: die maakt het kruispunt zo snel mogelijk vrij. Dit bevel geldt uit elke richting, niet alleen voor wie hem aankijkt. Fietsers en voetgangers stoppen ook, tenzij ze het kruispunt al op zijn. Armen horizontaal, en je ziet hem van voren: jij stopt. Wie naar zijn hand rijdt, mag het kruispunt op. Een arm of beide armen horizontaal uitgestrekt. Stoppen geldt voor de weggebruikers die naderen uit een richting die de richting van die arm of armen kruist. Zie je zijn borst of zijn rug, dan kom je van voren of van achteren. Jij kruist de lijn van zijn armen. Je stopt, ook als je alleen zijn rug ziet. Zie je hem in profiel, en wijst zijn arm in de as van jouw weg, dan rijd je naar zijn hand. Dat stopbevel geldt niet voor jou. Je mag het kruispunt op. Onthoud. Stel je voor dat zijn horizontale armen een onzichtbare muur vormen. Zie je zijn borst of zijn rug, dan rijd je tegen die muur: je stopt. Zie je zijn schouder en rijd je naar zijn hand, dan rijd je langs de muur: je mag het kruispunt op. In Leuven zie je de agent in profiel. Eén arm wijst horizontaal in de as van jouw weg. Mag je oprijden? Een rood licht dat overdwars zwaait: stoppen voor de bestuurders naar wie het licht gericht is. Een rood licht dat overdwars zwaait. De bestuurders naar wie dat licht gericht is, stoppen. Wijst het licht naar jou, dan stop je. Wijst het naar een andere rijrichting, dan geldt dit bevel niet voor jou. Onthoud dit derde bevel goed: een lamp in de hand is hier een echt stopbevel. Valkuil. Drie bevelen hebben een vaste betekenis, en die betekenen alle drie stoppen. De arm omhoog geldt voor iedereen, niet alleen voor wie hem aankijkt. Wie al op het kruispunt is, maakt het vrij. De horizontale armen en het zwaaiende rode licht zijn de stopbevelen van de vierde graad. In Antwerpen zwaait de agent met een rood licht overdwars, recht naar jou. Wat doe je? Geldt een gesproken bevel ook? Een bevel hoeft geen armgebaar te zijn. Vraagt hij je luidop om je voertuig te verplaatsen of de rijbaan vrij te maken, dan is dat ook een bevel. Je volgt het meteen op. Bij een controle in Hasselt zegt de agent je bijvoorbeeld dat je aan de kant moet gaan staan. Dat gesproken bevel gaat boven bord en licht. Groen licht, maar hij zegt stop: wie wint? Op het examen moet je kunnen kiezen tussen een licht en het bevel van een bevoegd persoon. De rangorde heeft drie treden, van hoog naar laag: het bevel van de bevoegde persoon, of hij het nu toont of uitspreekt; de verkeerstekens: verkeerslichten, verkeersborden en wegmarkeringen; de gewone verkeersregels, zoals de voorrang van rechts. Werken de verkeerslichten, dan gelden de voorrangsborden op dezelfde weg niet. Een snelheidsbord of een verbodsbord blijft wel gelden. Een oranjegeel knipperlicht verandert niets aan de voorrang, en de lichten boven de rijstroken ook niet. Dan blijven de voorrangsborden gelden. Twee kleine borden voor fietsers en speed pedelecs onder een licht blijven ook gelden. Onthoud. Drie treden, van hoog naar laag: eerst het bevel van de bevoegde persoon, dan de verkeerstekens, dan de gewone regels. Je daalt pas een trede als de trede erboven er niet is. Werken de lichten, dan gelden de voorrangsborden op dezelfde weg niet. Drie situaties die je moet kunnen oplossen: je staat aan een stopbord en hij geeft je een duidelijk bevel om door te rijden: je rijdt door, zijn bevel gaat boven het bord; aan de ingang van het kruispunt staat het bord voorrang verlenen, en hij wenkt je vooruit: je rijdt door; bij werken in Kortrijk staat een tijdelijk licht op rood, en hij staat in profiel met de armen in de as van jouw weg: je mag door, ook al is het licht rood. Op het examen. Het licht is groen of rood, en de bevoegde persoon geeft het tegenovergestelde bevel. Je volgt hem altijd. Zijn bevel gaat boven de lichten, de borden en de gewone regels. In Mechelen springt het licht op groen. De agent midden op het kruispunt kijkt je aan, met de arm recht omhoog. Wat doe je? Een politiewagen met geluid achter je: is dat hetzelfde? Een prioritair voertuig heeft een of meer blauwe knipperlichten en een speciaal geluidstoestel. De blauwe lichten moeten aan bij een dringende opdracht. Bij een andere opdracht mogen ze alleen aan als de aard van die opdracht dat rechtvaardigt. Het speciale geluidstoestel mag alleen aan bij een dringende opdracht. Dat is iets anders dan een bevel op het kruispunt. Pas wanneer het speciale geluidstoestel het naderen aankondigt, maak je meteen de doorgang vrij en verleen je voorrang. Zo nodig stop je. Blauwe knipperlichten alleen leggen je die plicht niet op. Zolang het speciale geluidstoestel uit blijft, rijd je gewoon door. Een politiewagen achter je is dan nog geen bevel om te stoppen. In Hasselt rijdt een politiewagen achter je en zet het speciale geluidstoestel aan. Wat doe je? Het bevel van een bevoegd persoon gaat boven het licht, de drie stopbevelen hebben elk hun richting, en een hesje is nog geen bevoegd persoon. De herhaling hieronder zet die punten op kaartjes. Daarna kijken de oefenvragen of je het bevel volgt, ook als het licht iets anders zegt. Bronnen van de cursus Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975), artikelen 3, 4, 5, 6, 37, 38, 40bis, 41 en 43bis Wegverkeerswet van 16 maart 1968, artikelen 11 en 22 Koninklijk besluit van 30 september 2005, overtredingen van de derde en de vierde graad Koninklijk besluit van 19 april 2014, onmiddellijke inning, bedragen sinds 1 juli 2026 GOCA Vlaanderen, brochure van het theorie-examen (Doc. 130) Koninklijk besluit van 1 december 1975 (Wegcode, Vlaamse versie): artikelen 4.3, 4.4, 41.3.1, 41.3.2, 43bis.3.3, 43ter, 4.2, 6.1, 6.2, 6.3, 37.1, 37.2 en 37.3 Koninklijk Besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer (19 april 2014): artikelen 2 en 7 ## Theorie-examen auto: tips voor je examendag Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/examendag/ Hoofdstuk 16: Klaar voor het examen Gewijzigd op: 2026-10-23 Het belangrijkste in 30 seconden 50 meerkeuzevragen op de computer. 15 seconden per vraag, pas nadat ze is voorgelezen. Je hebt minstens 41 op 50 nodig. Een lichte fout of een blanco vraag: min 1 punt. Een zware overtreding: min 5 punten. Twee zware overtredingen: je bent uitgesteld. In 2026 kost het examen 19 euro. Audiovertaling: 43 euro extra. Deelname vanaf 17 jaar, met je identiteitskaart. Je theorie blijft 3 jaar geldig. Na 2 keer na elkaar niet slagen: eerst 12 uur theorie in een erkende rijschool. Het verloop, de punten, de prijs en wat je de dag zelf meebrengt: hieronder staat het stap voor stap. De examendag voelt anders dan oefenen aan je keukentafel. In een examencentrum in Gent of Brugge telt niet alleen het juiste antwoord. De klok en de punten beslissen mee. Ken je die twee, dan verlies je geen punten door de manier waarop het examen verloopt. Hoe verloopt het theorie-examen? Je legt het examen af in een examencentrum, op een computer. De vragen lijken op echte situaties op de weg. Je ziet ze op het scherm, en ze worden je duidelijk voorgelezen. 50 meerkeuzevragen. Bij elke vraag krijg je 2 of 3 antwoorden. Jij kiest het juiste. Je werkt op je eigen tempo. Per vraag heb je maximaal 15 seconden. Die tijd start pas als de vraag volledig is voorgelezen. Het hele examen duurt ongeveer 30 minuten. Stel: je zit in Leuven. De stem leest de vraag voor. Pas als die stem stopt, beginnen je 15 seconden. Luister dus eerst naar de hele zin. Dan pas kies je een antwoord. Onthoud. De cijfers van de examendag: 50 vragen, minstens 41 op 50, maximaal 15 seconden per vraag nadat ze is voorgelezen, en een theorie die 3 jaar geldig blijft. Hoeveel punten heb je minstens nodig om te slagen? Wat kost een fout, en wat is een zware overtreding? Definitie. Een zware overtreding op het theorie-examen is een fout antwoord op een vraag over een overtreding van de derde of de vierde graad, of over het overschrijden van de toegelaten maximumsnelheid. Die fout kost 5 punten. Je vertrekt met 50 punten. Daarna telt elke misser: een fout antwoord, of een vraag die je blanco laat: min 1 punt; een zware overtreding: min 5 punten; twee zware overtredingen: je bent uitgesteld. Je bent dan niet geslaagd. Reken even mee. Negen lichte fouten kosten 9 punten: je houdt 41 over, en dat is net genoeg. Eén zware overtreding en vier lichte fouten kosten ook 9 punten: opnieuw 41. Eén zware overtreding en vijf lichte fouten brengen je onder 41. Tien lichte fouten doen hetzelfde. Veel marge heb je dus niet, maar de regel is duidelijk. Valkuil. Twee zware overtredingen kosten je het examen, ook als de rest juist is. Met 48 juiste antwoorden zak je naar 40, en je bent sowieso uitgesteld. Oefen daarom extra op die vragen en op de maximumsnelheid. Je hebt 46 juiste antwoorden op 50. Twee van je vier fouten zijn zware overtredingen. Wat is het resultaat? Wat kost het, en hoe reserveer je? In 2026 betaal je 19 euro voor het theorie-examen van rijbewijs B. Dat tarief geldt vanaf 1 januari 2026 in de Vlaamse examencentra. Kijk op de website van het examencentrum of je op voorhand online een afspraak moet maken. Je kiest zelf een centrum in Vlaanderen. Ken je te weinig Nederlands, dan mag je het examen met audiovertaling doen. Dat kan sinds 1 januari 2023, in het Frans, het Duits of het Engels. Je hoort elke vraag en elk antwoord eerst in het Nederlands, en daarna in de taal die je koos. Je betaalt 43 euro bovenop de 19 euro. Zeg bij het loket welke taal je wilt. Een eigen tolk meenemen kan niet. Dove of slechthorende kandidaten kunnen wel een beëdigd doventolk krijgen die het examencentrum aanduidt. Op het examen. In 2026 kies je vrij een Vlaams examencentrum. De Vlaamse Regering wil vanaf 1 januari 2027 dat je de theorie in Vlaanderen hebt gehaald voor het praktijkexamen daar. Op 3 juli 2026 is dat alleen als plan goedgekeurd. Het geldt nog niet. Vanaf wanneer mag ik, en wat neem ik mee? Je mag het theorie-examen voor rijbewijs B afleggen vanaf 17 jaar. Neem je identiteitskaart mee. Een kopie telt niet. Ben je ze kwijt, neem dan het officiële bewijs van aangifte van verlies of diefstal mee. Heb je geen Belgische identiteitskaart, neem dan je vreemdelingenkaart mee. Je geslaagde theorie blijft 3 jaar geldig, dus 36 maanden. In die tijd vraag je je voorlopig rijbewijs aan en doe je het praktijkexamen. Zodra je een voorlopig rijbewijs hebt, staat daarop tot wanneer je theorie geldig blijft. Houd die datum goed in het oog. Weet je hem niet meer, neem dan contact op met het examencentrum waar je geslaagd bent. Heb je een leer- of leesstoornis, zoals dyslexie, of kun je niet of nauwelijks lezen? Dan kun je een vertraagde zitting aanvragen. Een examinator leest de vragen voor, en je krijgt meer tijd om te antwoorden. Je bewijst dat met een attest, bijvoorbeeld van het CLB of het OCMW. Ben je al vijf keer niet geslaagd, dan mag je die zitting ook aanvragen, zonder attest. Zo'n zitting is altijd op afspraak, dus neem op tijd contact op met een examencentrum. Onthoud. Reserveer pas als je oefenexamens drie keer na elkaar op minstens 41 op 50 zitten. Dan boek je omdat je klaar bent, niet om jezelf te verplichten. Wanneer beginnen de 15 seconden van een vraag te lopen? Wat als ik niet slaag? Niet slagen is vervelend, niet het einde. Je mag opnieuw, maar niet op dezelfde dag. Boek een nieuwe sessie. Meteen na het examen kun je je foute antwoorden nog bekijken, met het juiste antwoord erbij. Achteraf kan dat niet meer. Bekijk ze dus meteen, en onthoud wat je miste. Na twee keer na elkaar niet slagen mag je pas een derde keer deelnemen als je een getuigschrift van theorieles in een erkende rijschool voorlegt. Die lessen duren minstens 12 uur. Zonder getuigschrift kom je de zaal niet in. Die plicht geldt niet als een neus-keel-oorarts attesteert dat je de lessen door een gehoorprobleem niet normaal kunt volgen. Ze geldt ook niet als je de vertraagde zitting mag doen. Slaag je ook een vierde keer niet, dan hoef je die 12 uur niet opnieuw te volgen. De lessen tellen 3 jaar mee. Bewaar je getuigschrift. Je bent twee keer na elkaar niet geslaagd. Wat heb je nodig voor een derde poging? Wat komt er na de theorie? Slaag je, en heb je nog geen rijbewijs, dan doe je meteen in het examencentrum een leestest. Die gaat over je ogen. Haal je ze niet, dan ga je naar een oogarts die je zelf kiest. Het centrum geeft je het aanvraagdocument voor je voorlopig rijbewijs. Op de achterkant verklaar je dat je medisch in staat bent om veilig te rijden. Je vraagt dat voorlopig rijbewijs aan binnen de 3 jaar na je theorie. Wacht je langer, dan moet je eerst opnieuw slagen voor het theorie-examen. Voor dat voorlopig rijbewijs zijn er twee wegen. Vanaf 17 jaar: een voorlopig rijbewijs met één of twee begeleiders, 36 maanden geldig. Behalve je begeleiders of een erkende rij-instructeur mag er niemand mee. Je begeleider staat op het document en zit vooraan. Die heeft minstens 8 jaar een Belgisch of Europees rijbewijs B en was de laatste 3 jaar niet vervallen van het recht tot sturen. Elke begeleider volgt een vormingsmoment van 3 uur. Pauzes tellen niet mee. Voor het praktijkexamen heeft minstens één begeleider dat moment al vijf maanden eerder gevolgd. Vanaf 18 jaar, na minstens 20 uur praktijkles in een erkende rijschool, of na een test van je technische rijvaardigheid: een voorlopig rijbewijs zonder begeleider, 18 maanden geldig. Je krijgt daarvoor een bekwaamheidsgetuigschrift. Zonder begeleider mag je hoogstens twee passagiers meenemen, en verder niemand. Die moeten onder meer minstens 8 jaar een Belgisch of Europees rijbewijs B hebben, en mogen de laatste 3 jaar niet vervallen geweest zijn van het recht tot sturen. Op je voorlopig rijbewijs hoeven ze niet te staan. Het praktijkexamen mag pas vanaf 18 jaar. Je hebt dan minstens vijf maanden geoefend met je voorlopig rijbewijs, en je theorie is nog geen 3 jaar oud. Bij dat praktijkexamen hoort de gevaarherkenningstest, op een computer in het examencentrum. Je ziet korte filmpjes vanuit de plaats van de bestuurder, met snelheidsmeter, richtingaanwijzers en spiegels. Stopt het filmpje, dan duid je de gevaren aan. Niet alleen recht voor je, ook naast en achter je. Er zijn 2 oefenvragen en 5 examenvragen, telkens met 4 keuzes. Minstens 1 en hoogstens 3 antwoorden zijn juist. Je hebt minstens 6 op 10 nodig. Scoor je lager, dan krijgt dat onderdeel de beoordeling voorbehoud. Daarmee ben je nog niet automatisch gebuisd voor het hele praktijkexamen. De test en de rit op de openbare weg doe je in hetzelfde examencentrum. Meestal komt de test net voor de rit. Het kan ook erna. Hoe pak ik de examendag aan? De avond ervoor ga je op tijd slapen. Kom ruim op voorhand, met je identiteitskaart in je hand. Een foto op je telefoon telt niet. Lees elke vraag tot het einde voor je naar de afbeelding kijkt. Veel strikvragen zitten in de zin. De foto toont wat de zin al zei. Twijfel je tussen twee antwoorden, kies dan het antwoord dat de regel volgt. Niet wat je in de auto van je ouders soms zag. In Brugge of in Kortrijk telt dezelfde regel. Je kent de stof, en nu ook de klok, de punten en wat je meebrengt. Herhaal de cijfers van de examendag, en doe daarna de quiz hieronder. Bronnen van de cursus Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, Vlaamse versie: artikelen 14, 16, 31 en 32, en bijlage 4 Koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B: artikelen 3, 4, 5, 8, 8/1, 9/1 en 9/2 Vlaanderen.be, Theorie-examen voor rijbewijs B, gelezen op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen, Doc. 130, Het rijbewijsexamen, 18 augustus 2026 GOCA Vlaanderen, Op weg naar het rijbewijs B, gevaarherkenningstest, 16 september 2026 GOCA Vlaanderen, Doc. 133, praktijkexamen categorie B, 18 augustus 2026 Tarief van de examencentra vanaf 1 januari 2026 GOCA Vlaanderen: Tarief 20260101, geraadpleegd op 21 oktober 2026 GOCA Vlaanderen: Op weg naar het rijbewijs B praktijkexamen toegelicht, geraadpleegd op 21 oktober 2026 ## Contact Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/contact/ Gewijzigd op: 2026-10-22 Rijbewijs B Theorie Contact Contact Schrijf naar Rijbewijs B Theorie Een vraag over een les, een fout die je in de cursus ziet, een probleem met je account: schrijf ons via het formulier op deze pagina of naar contact@rijbewijs-b-theorie.be. Je krijgt antwoord per e-mail, meestal binnen twee werkdagen. Er is geen livechat, en ons antwoord kan in het Frans zijn geschreven en daarna automatisch vertaald. Pagina bijgewerkt op 22 oktober 2026. Eerlijk over de taal Het team van Permis Online SRL, de uitgever van Rijbewijs B Theorie, werkt in het Frans. Je mag in het Nederlands schrijven: we lezen je bericht met een automatische vertaaltool. Ons antwoord schrijven we in het Frans, en een automatische vertaaltool zet het daarna om naar het Nederlands. Een zin kan daardoor stroef klinken. Begrijp je iets niet goed? Zeg het ons, dan formuleren we het anders. Wie leest je bericht? Je bericht komt bij het team van Permis Online SRL terecht. Morgane Trigalet van de klantenservice leest de berichten en beantwoordt ze. Meld je een fout in de cursus, dan controleren we de regel opnieuw in de officiële tekst voor we iets aanpassen. Er is geen livechat op de site: je bereikt ons via het formulier of per e-mail. Waarover kun je ons schrijven? Een vraag over een les of een quiz, een quiz of een proefexamen Een regel die je niet begrijpt, een verbetering die je verrast: vermeld de titel van de les of het adres van de pagina. Gaat het om een vraag uit een quiz of een proefexamen, kopieer dan het begin van de vraag en het antwoord dat je koos. Voor je schrijft over een verbetering Bij de quizzen en de proefexamens van Rijbewijs B Theorie heeft elke vraag één juist antwoord. Een volledig proefexamen telt 50 vragen. Je start met 50 punten. Een fout antwoord kost 1 punt, en 5 punten bij een vraag over een zware overtreding. Een onbeantwoorde vraag telt als een fout antwoord. Met minstens 41 punten ben je geslaagd, net als op het officiële theorie-examen. Een fout in de cursus Een regel die verkeerd is uitgelegd, een verkeersbord met een verkeerde naam, een officiële tekst die is veranderd: meld het. Geef het adres van de pagina, de zin waarover het gaat en, als je die hebt, de officiële tekst waaraan je twijfelt (een artikel van de Wegcode, een pagina van vlaanderen.be). Kies in het formulier “Een fout in de cursus”. Je account Met het gratis account bewaar je je voortgang op al je toestellen en krijg je toegang tot je dashboard, de proefexamens per hoofdstuk en de volledige proefexamens. Wachtwoord vergeten? Vraag op de pagina “Inloggen” een inloglink aan: je krijgt die per e-mail. Wil je je account wissen? Ga in je dashboard naar “Mijn account” en kies “Mijn account verwijderen”. Blijft het probleem? Schrijf ons dan vanaf het e-mailadres van je account, of vermeld het in je bericht: daarmee vinden we je account terug. Het privacybeleid legt uit wat de site over je bewaart en hoe je je rechten uitoefent. Pers en samenwerking Journalist, onderzoeker, rijschool, vereniging of school: stel je voor en leg je vraag of je project in een paar zinnen uit. Kies in het formulier “Pers of samenwerking”. Je afspraak voor het examen: bij wie kun je terecht? Rijbewijs B Theorie bereidt je voor op het theorie-examen, maar laat het je niet afleggen. We kunnen je dus niet inschrijven, je afspraak niet wijzigen en je geen uitslag bezorgen. Afspraak: je maakt je afspraak voor het theorie-examen bij een examencentrum. De examencentra worden uitgebaat door Autoveiligheid, SBAT, Keuringsbureau Motorvoertuigen en AIBV. Uitslag: die krijg je van het examencentrum zelf. Rijbewijs B Theorie heeft er geen toegang toe. De officiële stappen staan op vlaanderen.be: Rijbewijs B behalen: stap voor stap. Schrijf ons Het antwoord gaat naar het e-mailadres dat je invult: controleer het voor je verstuurt. Eén bericht volstaat. Liever je eigen mailprogramma? Schrijf naar contact@rijbewijs-b-theorie.be en vermeld de pagina of de les waarover het gaat. Wat doen we met je bericht? Je bericht (onderwerp, naam, e-mailadres, tekst en eventueel de pagina) komt per e-mail bij het team van Permis Online SRL terecht. Het wordt niet op de site bewaard. We gebruiken het alleen om je te antwoorden en je vraag op te volgen. Het wordt niet verkocht en niet gebruikt voor reclame. We bewaren de uitwisseling zolang we ze nodig hebben om je te helpen, daarna hoogstens drie jaar na ons laatste bericht. Om je bericht te lezen en te beantwoorden gebruikt het team automatische vertaalfuncties van Google. Je bericht en ons antwoord kunnen dus door Google worden verwerkt. Tegen reeksverzendingen bewaart de site hoogstens een dag en een uur een hash van je IP-adres en je e-mailadres, en telt hij de berichten per dag zonder iets waarmee je herkend kunt worden. Alles staat uitgebreid in het privacybeleid. De gegevens van de uitgever vind je in de wettelijke vermeldingen. Veelgestelde vragen Hoe snel krijg ik antwoord? We antwoorden per e-mail, meestal binnen twee werkdagen, op het adres dat je in het formulier invult. Ik heb geen antwoord gekregen. Wat nu? Kijk eerst in je spamfolder. Controleer dan het e-mailadres dat je invulde: een tikfout verhindert dat het antwoord aankomt. Is er na twee werkdagen niets aangekomen, schrijf dan rechtstreeks naar contact@rijbewijs-b-theorie.be. Leest een mens mijn bericht? Ja. Een medewerker van het team van Permis Online SRL leest je bericht en beantwoordt het zelf. Omdat het team in het Frans werkt, gebruiken we automatische vertaaltools om je bericht te lezen en ons antwoord naar het Nederlands om te zetten. Is er een livechat? Nee. Op Rijbewijs B Theorie is er geen livechat. Je bereikt ons via het formulier of per e-mail. Mag ik in het Nederlands schrijven? Ja, schrijf gerust in het Nederlands. Je mag ook in het Frans schrijven. Kunnen jullie me inschrijven voor het theorie-examen of mijn afspraak wijzigen? Nee. Rijbewijs B Theorie bereidt je voor op het theorie-examen, maar laat het je niet afleggen. Je afspraak maak of wijzig je bij het examencentrum zelf. Gaat je vraag over een regel? Misschien staat het antwoord al in de cursus: alle lessen zijn gratis, met quizzen en uitleg. Open de gratis cursus Bronnen Vlaamse overheid: Theorie-examen voor rijbewijs B, pagina bijgewerkt op 19 oktober 2026: 50 meerkeuzevragen, 15 seconden antwoordtijd per vraag. GOCA Vlaanderen: Doc. 130, “Het rijbewijsexamen”, Vlaams Gewest, brochure van 18 augustus 2026: puntentelling, zware overtredingen en 41 punten op 50 om te slagen. Vlaamse overheid: Rijbewijs B behalen, stap voor stap, pagina bijgewerkt op 19 oktober 2026. GOCA Vlaanderen: examencentra. Bronnen: - [GOCA Vlaanderen: Doc. 130, “Het rijbewijsexamen”, Vlaams Gewest](https://cdn.prod.website-files.com/604a00a4df74a7000318621d/6a842f609086c9b4e5a61a7b_Doc%20130-KAN_V.pdf) - [GOCA Vlaanderen: examencentra](https://www.gocavlaanderen.be/examencentra) - [Vlaamse overheid: Rijbewijs B behalen, stap voor stap](https://www.vlaanderen.be/mobiliteit-en-openbare-werken/auto-en-motor/rijbewijzen-en-rijopleiding/rijbewijs-b-voor-auto/rijbewijs-b-behalen-stap-voor-stap) - [Vlaamse overheid: Theorie-examen voor rijbewijs B](https://www.vlaanderen.be/mobiliteit-en-openbare-werken/auto-en-motor/rijbewijzen-en-rijopleiding/rijbewijs-b-voor-auto/theorie-examen-voor-rijbewijs-b) ## Gratis oefentest Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/oefenen/ Gewijzigd op: 2026-10-23 Rijbewijs B Theorie Gratis oefentest Oefenen Gratis oefentest voor je theorie-examen Test wat je onthouden hebt, zonder account. Je krijgt één vraag per scherm en op het einde je verbetering, met de les die je best herhaalt bij elke fout. Pagina bijgewerkt op 23 oktober 2026. Een vraag uit elk thema Tien vragen, telkens uit een ander thema van de cursus: verkeersborden, voorrang, snelheid, stilstaan en parkeren, het voertuig en meer. Zo zie je snel welk deel je nog moet herhalen. Twintig vragen over verkeersborden Op het examen krijg je veel vragen met een verkeersbord. Deze test toont bij elke vraag een bord of een situatie met borden, gekozen uit de lessen over verkeersborden. Hoe werkt de oefentest? Geen tijdslimiet: neem je tijd om de vraag, de afbeelding en de antwoorden te lezen. De verbetering op het einde: bij elke fout zie je het juiste antwoord, de uitleg en de les om te herhalen. Telkens andere vragen: start je opnieuw, dan krijg je een nieuwe reeks. De vragen komen uit de quizzen van de gratis cursus. Elke vraag heeft één juist antwoord. En op het echte examen? Het theorie-examen telt 50 vragen. Je start met 50 punten: een fout antwoord of een vraag zonder antwoord kost 1 punt, een fout bij een vraag over een zware overtreding kost 5 punten. Met minstens 41 punten ben je geslaagd. Hoe de dag zelf verloopt, lees je in de les over je examendag. ## Privacybeleid Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/privacybeleid/ Gewijzigd op: 2026-10-22 Rijbewijs B Theorie Privacybeleid Wettelijke informatie Privacybeleid: hoe we met je gegevens omgaan Je kunt de lessen volgen zonder account: je voortgang blijft dan in je browser en wij zien die niet. We vragen je alleen om gegevens als je een gratis account aanmaakt of als je ons schrijft. Zonder jouw toestemming draait er geen enkele tool voor statistieken of advertenties. Je kunt de lessen volgen zonder account: je voortgang blijft dan in je browser en wij zien die niet. De site vraagt je geen persoonsgegevens; je geeft ons er alleen als je ons schrijft. Zonder jouw toestemming draait er geen enkele tool voor statistieken of advertenties. Pagina bijgewerkt op 22 oktober 2026. Ze beschrijft de site zoals hij op die datum werkt. In het kort Zonder account blijft je voortgang op je eigen toestel. Met het gratis account bewaren we je e-mailadres, je wachtwoord (als hash) en je voortgang, zodat je alles op elk toestel terugvindt. We sturen je geen tips of aanbiedingen per e-mail, alleen de e-mails van je account. Op dit moment draait er op de site geen enkele tool voor statistieken of advertenties. Je gegevens worden niet verkocht of verhuurd. Voor elke vraag: contact@rijbewijs-b-theorie.be. Wie is verantwoordelijk voor je gegevens? De verwerkingsverantwoordelijke is Permis Online SRL, de vennootschap die Rijbewijs B Theorie uitgeeft. Het is een Belgische vennootschap: zetel: Rue du Congo 64, 6890 Ochamps (Libin), België; ondernemingsnummer: 0762.894.409, ingeschreven in het officiële register van de Belgische ondernemingen; btw-nummer: BE0762894409; e-mailadres: contact@rijbewijs-b-theorie.be. Voor elke vraag over je gegevens en om je rechten uit te oefenen schrijf je naar dat adres. Meer over de uitgever lees je in de wettelijke vermeldingen. Je volgt de cursus zonder account De lessen en hun quizzen zijn toegankelijk zonder account. Dan wordt je voortgang bewaard in de lokale opslag van je browser, op je eigen toestel: de lessen die je hebt afgerond en je scores voor de quizzen. Niets daarvan gaat naar onze servers. Wij zien het niet en het is aan geen enkele naam gekoppeld. Het blijft in je browser staan tot je de gegevens van deze site wist in de instellingen van je browser. Op een ander toestel of in een andere browser begin je opnieuw. Het gratis account dient precies om je voortgang op al je toestellen terug te vinden. Je maakt een gratis account aan Het gratis account bewaart je voortgang op al je toestellen en geeft je toegang tot je dashboard, de proefexamens per hoofdstuk en de volledige proefexamens. Je maakt het aan met je e-mailadres en een wachtwoord dat je zelf kiest. Meer vragen we niet, en zonder die twee gegevens kunnen we het account niet aanmaken. Wat we bewaren: bij je registratie: je e-mailadres, je wachtwoord (alleen als hash, een onomkeerbare code waaruit het wachtwoord niet terug te lezen is), een gebruikersnaam die we afleiden van het begin van je e-mailadres en de datum waarop je account is aangemaakt; telkens je inlogt, voor de sessie op dat toestel: het IP-adres en de browser die je op dat moment gebruikt, bewaard samen met de sessie, ten hoogste een jaar of tot je uitlogt; wanneer je de cursus ingelogd gebruikt: de lessen die je hebt afgerond, je resultaten voor de quizzen en de proefexamens, de tijd die je aan lessen besteedt, je activiteitspunten per dag en de badges die daaruit volgen, de datum van je eerste login en die van je laatste activiteit. Waarom: om je account te laten werken (inloggen, je voortgang op al je toestellen, je dashboard) en om je de e-mails van de dienst te sturen: de welkomstmail en, als je dat vraagt, een inloglink voor als je je wachtwoord vergeten bent. We sturen je geen tips of aanbiedingen per e-mail. Rechtsgrond: de overeenkomst, dat wil zeggen de dienst die je vraagt als je je account aanmaakt (artikel 6, lid 1, punt b, van de AVG). Bewaartermijn: zolang je account bestaat. Je kunt het op elk moment zelf verwijderen in je dashboard, bij “Mijn account”, met “Mijn account verwijderen”: je account en alles wat erin zit wordt dan meteen gewist. Je kunt de verwijdering ook aan ons vragen (zie je rechten). De inloglink die je per e-mail krijgt, werkt één keer en ten hoogste 24 uur. Eens ingelogd blijf je een jaar ingelogd op dat toestel, tenzij je uitlogt. Tegen misbruik legt de site grenzen op: hoogstens 15 nieuwe accounts per uur vanaf hetzelfde IP-adres; hoogstens 3 aanvragen van een inloglink per uur vanaf hetzelfde IP-adres; hoogstens 20 mislukte inlogpogingen per kwartier vanaf hetzelfde IP-adres; hoogstens 3 inloglinks per dag naar hetzelfde e-mailadres. Om die grenzen te bewaken bewaart de site een hash van die adressen, nooit de adressen zelf. Die hash wordt gewist zodra de telperiode (hoogstens een dag) voorbij is, en uiterlijk een uur later. Als je jonger bent dan 18 Veel leerlingen die zich op het theorie-examen voorbereiden zijn nog geen 18. Het account vraagt alleen je e-mailadres en een wachtwoord, en we sturen je geen tips of aanbiedingen. Toestemming van een ouder. Voor een online dienst als deze mag je in België vanaf 13 jaar zelf toestemming geven voor het gebruik van je gegevens. Ben je jonger dan 13, dan is de toestemming van je wettelijke vertegenwoordiger, meestal een ouder, nodig (artikel 7 van de wet van 30 juli 2018). Je gegevens als minderjarige. Een ouder kan ons schrijven om inzage te vragen in de gegevens van zijn kind of om het account te laten verwijderen. Heb je je gegevens gegeven toen je nog minderjarig was, dan kun je ook na je 18de vragen om ze te wissen (recht op gegevenswissing, artikel 17 van de AVG). Je schrijft ons Je kunt ons schrijven via contact@rijbewijs-b-theorie.be. Dat adres is een mailbox van Permis Online SRL, gehost door Google (Google Workspace). De berichten die je naar dat adres stuurt, worden verwerkt door het team van Permis Online SRL, in zijn mailbox en in zijn ondersteuningstool, die bij onze hostingprovider staat. Onze antwoorden vertrekken per e-mail. Er is geen livechat, dus ook geen chatgesprekken om te bewaren. Je kunt ook het contactformulier gebruiken. Het vraagt waarover het gaat, je voornaam of naam, je e-mailadres, je bericht en, als je dat wilt, de pagina waarover je vraag gaat. Alles komt per e-mail bij ons aan: je bericht wordt niet op de site bewaard. Vertaling. Het team van Permis Online SRL werkt in het Frans. Om je bericht te lezen en te beantwoorden, gebruikt het automatische vertaalfuncties van Google (die van de browser Chrome en die van Google Docs). Je bericht en ons antwoord kunnen dus door die diensten van Google worden verwerkt. Waarom: om je te antwoorden en je vraag op te volgen. Rechtsgrond: ons gerechtvaardigd belang om te antwoorden aan wie ons schrijft (artikel 6, lid 1, punt f, van de AVG). Bewaartermijn: we bewaren je berichten zolang we ze nodig hebben om je te antwoorden en je vraag op te volgen, daarna hoogstens drie jaar na onze laatste uitwisseling. Tegen reeksverzendingen bewaart de site een hash van je IP-adres en van je e-mailadres, nooit de adressen zelf, hoogstens een dag en een uur. De site telt ook hoeveel berichten er per dag binnenkomen, zonder iets waarmee je herkend kunt worden. Wat de server bij elk bezoek ontvangt Zoals bij elke website stuurt je browser je IP-adres naar de server die Rijbewijs B Theorie host, om de pagina’s te ontvangen. Onze eigen code bewaart het alleen als hash en tijdelijk, om reeksverzendingen te beperken. Rechtsgrond: ons gerechtvaardigd belang om de site te beschermen (artikel 6, lid 1, punt f, van de AVG). Die server wordt geleverd door onze hostingprovider, Kinsta Inc. (de gegevens staan in de wettelijke vermeldingen). Kinsta noteert elk bezoek in technische logbestanden (IP-adres, gevraagde pagina, datum en uur, browser), die dienen om de site te laten werken en te beschermen. Kinsta bewaart die logbestanden hoogstens 4 dagen, en de loggegevens van zijn bezoekersstatistieken 30 dagen. Kinsta is een Amerikaans bedrijf: voor de doorgifte van gegevens naar de Verenigde Staten is het aangesloten bij het EU-VS-kader voor gegevensprivacy (Data Privacy Framework). De site neemt geen geautomatiseerde beslissingen die juridische gevolgen voor je hebben: de scores van de quizzen en de proefexamens dienen alleen om te oefenen. Cookies en andere trackers Een cookie is een klein bestand dat een site in je browser plaatst. De lokale opslag en de sessieopslag van je browser spelen dezelfde rol. De wet maakt een onderscheid tussen twee gevallen: trackers die onmisbaar zijn voor de dienst die je vraagt, en alle andere. De eerste worden zonder toestemming geplaatst, de andere moeten op jouw toestemming wachten. In België volgt dat uit de wetgeving over elektronische communicatie, die de Europese e-privacyrichtlijn omzet. De noodzakelijke trackers Naam | Waarvoor | Hoe lang | cel_consentement cookie | Je keuze over cookies onthouden, toestemming of weigering | 6 maanden | wordpress_logged_in_… en wordpress_sec_… cookies | Je ingelogd houden op je account | 1 jaar, of tot je uitlogt | po_cours_v1 lokale opslag | De lessen die je hebt afgerond | Tot je de gegevens van de site wist | po_cours_quiz_v1 lokale opslag | Je scores voor de quizzen | Tot je de gegevens van de site wist | pex_voix lokale opslag | Je instelling voor de stem tijdens de proefexamens (aan of uit) | Tot je de gegevens van de site wist | po_cours_purge1 lokale opslag | Technische markering: de eenmalige opschoning van je voortgang is al uitgevoerd | Tot je de gegevens van de site wist | po_cnx_m sessieopslag | Het e-mailadres dat je typt in de formulieren om in te loggen en je te registreren, om het opnieuw te tonen | Tot je het tabblad sluit | po_cpt_sync sessieopslag | Voorkomen dat de pagina in een lus herlaadt wanneer je voortgang met je account synchroniseert | Tot je het tabblad sluit | De trackers waarvoor jouw toestemming nodig is Het toestemmingsvenster verdeelt ze in twee categorieën: Statistieken: bezoeken en gelezen pagina’s tellen, zodat we weten welke lessen het meest helpen en de cursus kunnen verbeteren. Advertenties: meten hoe goed onze advertenties werken en, als je dat goedvindt, advertenties voor Rijbewijs B Theorie aan je tonen op andere websites en in andere apps. Het venster noemt de partners van elke categorie. Op de datum van deze pagina draait er op Rijbewijs B Theorie geen enkele tool voor statistieken of advertenties, en zijn er dus ook geen partners. Voegen we er een toe, dan blijft hij geblokkeerd zolang je geen toestemming geeft voor zijn categorie, en vermelden we hem hier met zijn cookies en hun bewaartermijn. Zo werkt het toestemmingsvenster Zolang je niet gekozen hebt, start er geen enkele tool waarvoor je toestemming nodig is. “Alles weigeren” is even eenvoudig en even zichtbaar als “Alles accepteren”. Met “Mijn keuzes aanpassen” beslis je per categorie, met schakelaars die nooit vooraf aangevinkt staan. De site blijft bruikbaar zonder te antwoorden. Je keuze, toestemming of weigering, wordt 6 maanden bewaard en daarna opnieuw gevraagd. Ze wordt ook opnieuw gevraagd als we een categorie of een partner toevoegen. Je kunt op elk moment van gedachten veranderen met “Cookies beheren” onderaan elke pagina, of met de knop hieronder. Trek je je toestemming in, dan worden de gekende cookies voor statistieken en advertenties gewist en wordt de pagina herladen. Wie ontvangt je gegevens? Het team van Permis Online SRL, om de site te beheren en leerlingen te helpen. Alleen wie het nodig heeft, heeft er toegang toe. Kinsta Inc., onze hostingprovider, die in onze opdracht de site en de ondersteuningstool van het team bewaart, en Google (Google Workspace), waar de berichten aankomen die je naar contact@rijbewijs-b-theorie.be stuurt. Het team gebruikt ook de vertaalfuncties van Google om je bericht te lezen en te beantwoorden. Beide Amerikaanse bedrijven zijn voor de doorgifte van gegevens naar de Verenigde Staten aangesloten bij het EU-VS-kader voor gegevensprivacy. De e-mails van de site (welkomstmail, inloglink, berichten van het contactformulier) en de antwoorden van de klantenservice worden verstuurd door onze hostingprovider, Kinsta, of door onze verzendpartner Brevo (Brevo SAS, Parijs). Lees het privacybeleid van Brevo. De overheidsinstanties, alleen als de wet ons verplicht gegevens aan hen door te geven. Je gegevens worden niet verkocht of verhuurd. Je rechten en hoe je ze uitoefent De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Belgische wet van 30 juli 2018 geven je deze rechten over je gegevens: ze inkijken en een kopie krijgen; ze laten verbeteren als ze niet kloppen; ze laten wissen, bijvoorbeeld door de verwijdering van je account te vragen; bezwaar maken tegen het gebruik ervan als dat steunt op ons gerechtvaardigd belang; het gebruik ervan in bepaalde gevallen laten beperken, bijvoorbeeld terwijl een betwisting wordt onderzocht; de gegevens die je ons hebt bezorgd terugkrijgen in een formaat dat een machine kan lezen (overdraagbaarheid); een gegeven toestemming (voor cookies) op elk moment intrekken, zonder gevolgen voor wat daarvoor is gebeurd. Om een recht uit te oefenen schrijf je naar contact@rijbewijs-b-theorie.be, bij voorkeur vanaf het e-mailadres van je account. Twijfelen we over je identiteit, dan kunnen we je vragen die te bevestigen. We antwoorden binnen een maand. Bij een ingewikkelde vraag kan die termijn met twee maanden worden verlengd: we verwittigen je dan in de eerste maand. Een klacht indienen Je kunt op elk moment een klacht indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), de Belgische toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming: Drukpersstraat 35, 1000 Brussel, contact@apd-gba.be. Wanneer deze pagina verandert We passen deze pagina aan zodra de werking van de site verandert: een nieuwe tool, een nieuwe partner, een nieuw bewaard gegeven. De datum bovenaan is die van de laatste aanpassing. Voegen we een categorie cookies of een partner toe, dan vraagt het toestemmingsvenster je opnieuw om je keuze. Veelgestelde vragen Heb ik een account nodig om de cursus van Rijbewijs B Theorie te volgen? Nee. De lessen en hun quizzen zijn toegankelijk zonder account: je voortgang blijft dan in je browser en wij zien die niet. Het gratis account dient om je voortgang op al je toestellen terug te vinden en geeft je toegang tot de proefexamens per hoofdstuk en de volledige proefexamens. Het vraagt alleen je e-mailadres en een wachtwoord. Hoe verwijder ik mijn account bij Rijbewijs B Theorie? Ga in je dashboard naar “Mijn account” en kies “Mijn account verwijderen”: je account en alles wat erin zit wordt meteen gewist. Je kunt ook schrijven naar contact@rijbewijs-b-theorie.be, vanaf het e-mailadres van je account: dan wissen we het en antwoorden we je binnen een maand. Krijgen mijn rijschool of het examencentrum mijn resultaten? Nee. Rijbewijs B Theorie is een privésite om je voor te bereiden op het theorie-examen, uitgegeven door Permis Online SRL. De site is niet verbonden met de overheid, de examencentra of de rijscholen. Je resultaten blijven op je toestel en, als je een account hebt, bij ons. Verkoopt Rijbewijs B Theorie mijn gegevens? Nee. Je gegevens worden niet verkocht of verhuurd. Ze dienen om de cursus en je account te laten werken en om je te antwoorden. Klaar om te oefenen? De cursus is gratis, les per les, en je kunt hem volgen zonder account. Begin met de cursus Bronnen Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016, de AVG: artikel 6 (rechtsgronden), artikel 7 (intrekken van toestemming), artikelen 12 tot 22 (rechten en termijnen, waaronder gegevenswissing), artikel 77 (klacht). Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens: artikel 7 (toestemming van kinderen vanaf 13 jaar), geconsolideerde tekst op Justel, bijgewerkt tot 2 april 2026. Gegevensbeschermingsautoriteit (België). Google: Privacybeleid. Google: Frameworks voor gegevensoverdracht. Brevo: Privacy Policy (Brevo SAS, 9-17 rue Salneuve, 75017 Parijs). Kinsta: Privacy Policy (aansluiting bij het Data Privacy Framework EU-VS). Kinsta: Server Logs (bewaartermijn van de logbestanden) en Counting Visits (bewaartermijn van de bezoekersstatistieken). Bronnen: - [Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016, de AVG](https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32016R0679) - [officiële register van de Belgische ondernemingen](https://kbopub.economie.fgov.be/kbopub/zoeknummerform.html?lang=nl&nummer=0762894409) - [Counting Visits](https://kinsta.com/docs/wordpress-hosting/wordpress-analytics-mykinsta/counting-visits/) - [Kinsta: Server Logs](https://kinsta.com/docs/wordpress-hosting/wordpress-troubleshooting/view-server-logs/) - [Kinsta: Privacy Policy](https://kinsta.com/legal/privacy-policy/) - [Google: Frameworks voor gegevensoverdracht](https://policies.google.com/privacy/frameworks?hl=nl) - [Google: Privacybeleid](https://policies.google.com/privacy?hl=nl) - [Brevo: Privacy Policy](https://www.brevo.com/legal/privacypolicy/) - [Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens](https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/07/30/2018040581/justel) - [Gegevensbeschermingsautoriteit (België)](https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/) ## Gratis theoriecursus rijbewijs B Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/theorie/ Gewijzigd op: 2026-10-23 Hoofdstuk 1: Aan de slag Soorten verkeersborden in Vlaanderen: 6 categorieën : Welke soorten verkeersborden zijn er? Leer de zes categorieën, het onderbord en de uitzonderingen. Gratis les met oefenvragen voor je theorie-examen B. Hoofdstuk 2: De verkeersborden Gevaarsborden: wat ze betekenen en hoe je reageert : Alle gevaarsborden voor je theorie-examen: wat ze aankondigen, op welke afstand ze staan en hoe je reageert. Gratis, met afbeeldingen en oefenvragen. Voorrangsborden: voorrang verlenen, stoppen of doorrijden : Welk voorrangsbord betekent wat? Voorrang verlenen, stopbord, voorrangsweg en rotonde uitgelegd voor het theorie-examen, met valkuilen en oefenvragen. Verbodsborden: wie, wat en tot waar geldt het verbod? : Verbodsborden uitgelegd voor je theorie-examen: wie mag er niet in, wat is verboden en tot waar geldt het verbod? Met borden, valkuilen en oefenvragen. Gebodsborden: ronde blauwe borden voor het theorie-examen : Een rond blauw bord legt je iets op. Leer de gebodsborden voor je theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen: rotonde, pijlen, fietspad en voetgangers. Parkeerborden: parkeerverbod/stilstaan en parkeren verboden : Welk bord verbiedt parkeren en welk bord ook stilstaan? Het verschil, de basisregel, beurtelings parkeren en de onderborden voor het theorie-examen. Aanwijzingsborden: betekenis en voorbeelden per groep : Aanwijzingsborden in Vlaanderen: bebouwde kom, zone 30, woonerf, autosnelweg, wegwijzers en voorzieningen. Leer ze per groep voor het theorie-examen. Verkeerslichten: wat betekenen rood, oranje en groen? : Rood, oranjegeel, groen, pijlen, fietslichten en knipperlichten aan een overweg: alle regels over verkeerslichten voor je theorie-examen, met oefenvragen. Onderborden bij verkeersborden: betekenis en voorbeelden : Wat betekent een onderbord onder een verkeersbord? Leer uren, afstanden en fietssymbolen lezen, met valkuilen en oefenvragen voor het theorie-examen. Zoneborden: blauwe zone, fietszone en snelheidszone : Blauwe zone, fietszone en snelheidszone: leer waar een zone begint en eindigt, met borden, valkuilen en oefenvragen voor je theorie-examen. Hoofdstuk 3: De weggebruikers Voetgangers: regels, oversteekplaatsen en borden : Wanneer verleen je voorrang op een zebrapad? Waar loop je als voetganger? De regels voor voetgangers en bestuurders, met de borden uitgelegd. Fietsers, steps en bromfietsers: de regels (theorie B) : Fietspad herkennen, 1 meter afstand, elektrische steps en speed pedelecs: de regels voor je theorie-examen B in Vlaanderen. Gratis les en quiz. Minimumleeftijd bestuurders: wat mag je op welke leeftijd? : Vanaf welke leeftijd mag je rijden in Vlaanderen? De minimumleeftijden voor bromfiets, step, auto, motor, vrachtwagen en bus, met de valkuilen. Prioritaire voertuigen en reddingsstrook: wat doe je? : Sirene, reddingsstrook, bus aan de halte of wielerwedstrijd: wat moet je doen? De regels voor je theorie-examen, met oefenvragen. Hoofdstuk 4: Wegmarkeringen Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je? : Doorlopende en onderbroken strepen: wat mag je overschrijden? Ook busstrook, oranje spijkers en gele streep uitgelegd voor je theorie-examen. Stopstreep, haaientanden en zebrapad: waar stop je? : Stopstreep en haaientanden: waar je stopt, wat een zebrapad vraagt en hoe je de oversteek voor fietsers herkent op het theorie-examen. Andere wegmarkeringen: pijlen en schuine strepen : Pijlen, schuine strepen, dambord en opstelvlak: herken de markering en weet waar je rijdt, stopt of parkeert op het theorie-examen. Hoofdstuk 5: Stilstaan en parkeren Stilstaan of parkeren: verschil, verboden en afstanden : Stilstaan of parkeren? Verboden plaatsen en de afstanden 5, 20, 15, 3, 1,5 en 1 meter voor je theorie-examen in Vlaanderen. Blauwe zone: parkeerschijf, uren en valkuilen : Parkeerschijf in de blauwe zone, halfmaandelijks parkeren en voorbehouden plaatsen: de regels voor het theorie-examen in Vlaanderen. Hoofdstuk 6: Snelheid Snelheidsbeperkingen in Vlaanderen: theorie rijbewijs B : Hoe snel mag je rijden in Vlaanderen? Leer 50, 70, 90 en 120 km/u, zone 30 en de grenzen per voertuig. Gratis les en quiz voor je theorie-examen B. Te snel rijden: boete, intrekking en verval : Meer dan 20 km/u te snel in de bebouwde kom en je rijbewijs kan meteen weg. Drempels, bedragen sinds 1 juli 2026 en het verval. Hoofdstuk 7: Overtredingen Overtredingen per graad: wat elke fout kost : De vier graden van verkeersovertredingen: 64 tot 520 euro, wanneer je naar de politierechtbank moet, en welke fout 5 punten kost op het theorie-examen. Zware overtredingen op het theorie-examen : Rood licht, verboden richting, keren op de autosnelweg: de derde en vierde graad die op het Vlaamse theorie-examen vijf punten kosten. Hoofdstuk 8: De openbare weg Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg? : Rijbaan, trottoir en berm: wat hoort bij de openbare weg, en waar rijd je? Uitgelegd voor het theorie-examen in Vlaanderen. Autosnelweg: 70 en 120 km/u, pechstrook : Minimum 70 km/u en maximum 120 op de autosnelweg, wie niet op mag, de pechstrook alleen bij pech, en op de oprit verleen jij voorrang. Autoweg of autosnelweg: wat is het verschil? : Wat is een autoweg in Vlaanderen? Het blauwe bord, wie er niet op mag, en wanneer je 70, 90 of 120 km/u mag. Fietspaden en fietsborden: herkennen en wie mag erop? : Zo herken je een echt fietspad: blauw bord of twee witte strepen. Rood asfalt telt niet. Wie mag erop, en wat is een fietszone? Bord woonerf: zone 30, erf en schoolstraat : Woonerf aan 20 km/u, zone 30 en fietszone aan 30, schoolstraat stapvoets. De borden voor het theorie-examen in Vlaanderen. Voetgangerszone en voorbehouden wegen: regels : Voetgangerszone, speelstraat en voorbehouden weg: wie mag erin, stapvoets of 30 km/u, en wanneer je een tram- of busbedding mag dwarsen. Voorrang rotonde en kruispunt: wie mag eerst? : Wie mag eerst op een kruispunt zonder borden, bij een groen licht of op een rotonde? De reflexen voor het theorie-examen in Vlaanderen. Tunnels: afstand houden, pech en brand : Dimlichten, voldoende afstand en niet stilstaan op de rijbaan. Bij pech de vluchthaven, bij brand de nooduitgang. Gratis theorie voor Vlaanderen. Hoofdstuk 9: Kruisen en inhalen Tegenliggers kruisen: regels, uitzonderingen en tram : Hoe kruis je een tegenligger? Rechts, genoeg afstand, de berm als het smal is, en de tram soms links. Inhalen: wanneer mag het en wanneer niet? : Wanneer mag je inhalen, links of rechts? De verboden, de tram en de valkuilen voor het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen. Afslaan en voorsorteren: links, rechts en op de rotonde : Afslaan en voorsorteren voor het theorie-examen: rechts kort, links ruim, de juiste rijstrook en de rotonde. De dode hoek : Leer je dode hoek controleren, veilig van rijstrook veranderen en opletten bij vrachtwagens. Gratis uitleg en quiz voor je theorie-examen B in Vlaanderen. Hoofdstuk 10: Voorrang Voorrangsregels: wie mag er eerst? : Voorrang van rechts, stopbord en rotonde: leer wie eerst mag op elk kruispunt, voor het theorie-examen rijbewijs B in Vlaanderen. Hoofdstuk 11: Milieu en zuinig rijden Weer en milieu: aquaplaning, ijzel, claxon en LEZ : Claxon, mistlichten en aquaplaning: wat je doet bij regen, sneeuw en ijzel, en wanneer je een lage-emissiezone binnen mag. Voor je theorie-examen B. Zuinig en ecologisch rijden: tips om minder te verbruiken : Zuinig rijden voor het theorie-examen in Vlaanderen: anticiperen, vroeg schakelen, start-stop, banden en wanneer toeteren mag. Hoofdstuk 12: Het voertuig Soorten voertuigen: bromfiets, aanhangwagen, vierwieler : Bromfiets, lichte vierwieler of aanhangwagen: welk rijbewijs heb je nodig? De grens van 750 kg en 3 500 kg, klaar voor het theorie-examen. Voertuigcontroles: banden, verplichte uitrusting en pech : Banden, veiligheidsvest, gevaarsdriehoek en parkeerrem: wat je controleert voor je vertrekt en voor je uitstapt, voor het theorie-examen in Vlaanderen. Veiligheid in de auto: gordel en kinderzitje : Gordel voor iedereen, kinderzitje onder 1,35 m en 18 jaar, voorairbag en claxon: de regels voor het theorie-examen rijbewijs B. Onderhoud, technische keuring en lading : Vloeistoffen, keuring vanaf vier jaar, maximale toegelaten massa van 3 500 kg en de maten van je lading. Klaar voor het theorie-examen in Vlaanderen. Banden: profieldiepte, spanning en markeringen : Hoe diep moeten de groeven van je banden zijn, wanneer mag je M+S-banden monteren en wat betekent 205/55 R 16? Gratis les voor het theorie-examen. Documenten aan boord: wat moet je bij je hebben? : Welke documenten moet je in de auto hebben? Rijbewijs, identiteitskaart, inschrijving, verzekering, keuring en gelijkvormigheid. Gratis theorieles. Hoofdstuk 13: Zien en gezien worden Verlichting en zichtbaarheid: dimlicht en mist : Wanneer zet je dimlicht, grootlicht of mistlicht aan? De regels bij regen, mist en slecht zicht, voor je theorie-examen in Vlaanderen. Hoofdstuk 14: Ongevallen vermijden Alcohol, drugs en vermoeidheid: mag je nog rijden? : Alcohol 0,22 en 0,09 mg/l, drugs vanaf de analysegrens, twaalf uur rijverbod en herhaling: de cijfers voor het theorie-examen rijbewijs B. Defensief rijden: afstand houden en handelen na een ongeval : Defensief rijden voor het theorie-examen: ver kijken, afstand houden, en wat je doet met de gevaarsdriehoek na een ongeval. Slecht weer, mist en nacht: zo rijd je veilig : Regen, sneeuw, ijzel en mist: wanneer je mistlichten aansteekt, hoe je je snelheid aanpast, en welke straf een herhaling meebrengt. Hoofdstuk 15: Verkeersagenten Verkeersagenten: gebaren boven lichten en borden : Wat doe je als de agent zijn arm opsteekt en het licht groen is? Leer de drie stopbevelen en waarom zijn bevel boven het licht gaat. Hoofdstuk 16: Klaar voor het examen Theorie-examen auto: tips voor je examendag : Theorie-examen auto in Vlaanderen: 50 vragen, 41 op 50, 15 seconden, 19 euro. Zo pak je de examendag aan. ## Wettelijke vermeldingen Adres: https://rijbewijs-b-theorie.be/wettelijke-vermeldingen/ Gewijzigd op: 2026-10-22 Rijbewijs B Theorie Wettelijke vermeldingen Wettelijke informatie Wettelijke vermeldingen van Rijbewijs B Theorie Rijbewijs B Theorie (rijbewijs-b-theorie.be) wordt uitgegeven door Permis Online SRL, een Belgische vennootschap. Op deze pagina, die ook het colofon van de site is, lees je wie de site uitgeeft en host, hoe je de uitgever bereikt, wat je van de inhoud mag overnemen en waar de informatie vandaan komt. Bijgewerkt op 22 oktober 2026. Wie geeft Rijbewijs B Theorie uit? Rijbewijs B Theorie wordt uitgegeven door Permis Online SRL. Maatschappelijke benaming | Permis Online SRL | Rechtsvorm | Besloten vennootschap (BV, in het Frans SRL) naar Belgisch recht | Zetel | Rue du Congo 64, 6890 Ochamps (Libin), België | Ondernemingsnummer | 0762.894.409 (openbare fiche) | Btw-nummer | BE0762894409 | Rechtspersonenregister | RPR Luik, afdeling Neufchâteau | Oprichtingsdatum | 4 februari 2021 | E-mail | contact@rijbewijs-b-theorie.be | Het ondernemingsnummer wordt toegekend door de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), het openbare register van de Belgische ondernemingen. Je kunt het controleren op de openbare fiche. Als Belgische vennootschap moet Permis Online SRL deze gegevens op haar website tonen. Dat vragen artikel XII.6 van het Wetboek van economisch recht en artikel 2:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Wie is verantwoordelijk voor de publicatie? Wenceslas Dasnois, oprichter van Permis Online SRL, is de auteur van Rijbewijs B Theorie en verantwoordelijk voor de publicatie. Hij legt de methode vast, kiest de officiële bronnen en beslist wat er wordt gepubliceerd. Wie host de site? Rijbewijs B Theorie wordt gehost door Kinsta Inc., 8605 Santa Monica Blvd #92581, West Hollywood, CA 90069, Verenigde Staten. Telefoon: +1 888 610 2915. Website: kinsta.com. Hoe bereik je de uitgever? Per e-mail: contact@rijbewijs-b-theorie.be. Per post: Permis Online SRL, Rue du Congo 64, 6890 Ochamps (Libin), België. Je kunt ook het formulier op de pagina Contact gebruiken. Schrijf ons bij elke vraag over de site of over deze vermeldingen, of als je een fout in een les wilt melden. Het team van Permis Online SRL werkt in het Frans. Hoe we met je Nederlandstalige berichten omgaan, lees je op de pagina Contact. Wat doet Rijbewijs B Theorie, en wat niet? Rijbewijs B Theorie bereidt je voor op het theorie-examen voor rijbewijs B in Vlaanderen. De site biedt een gratis cursus, les per les, met een quiz aan het eind van elke les. Je kunt ook gratis een proefexamen afleggen, opgebouwd zoals het officiële theorie-examen. Goed om te weten Rijbewijs B Theorie is een privésite. Het is geen dienst van de Vlaamse overheid, geen examencentrum en geen rijschool, en je legt er het officiële examen niet af. Het theorie-examen leg je af in een erkend examencentrum. Die centra worden uitgebaat door erkende ondernemingen (Autoveiligheid, SBAT, Keuringsbureau Motorvoertuigen en AIBV), die verenigd zijn in GOCA Vlaanderen. De bevoegde overheid is de Vlaamse overheid, Departement Mobiliteit en Openbare Werken. De officiële stappen om je rijbewijs te halen staan op vlaanderen.be: Rijbewijs B behalen: stap voor stap. Waar komt de informatie op de site vandaan? De pagina’s van Rijbewijs B Theorie steunen op officiële teksten: de Wegcode (het koninklijk besluit van 1 december 1975) in de Vlaamse versie die Codex Vlaanderen publiceert, de reglementering over het rijbewijs en de pagina’s van vlaanderen.be en GOCA Vlaanderen. De lessen verwijzen naar hun bronnen, zodat je de regels zelf kunt nakijken. Teksten veranderen. Verschilt een pagina van Rijbewijs B Theorie van een officiële tekst, dan geldt de officiële tekst. Zie je een fout, meld die dan via contact@rijbewijs-b-theorie.be. De officiële sites waarnaar Rijbewijs B Theorie verwijst, zoals vlaanderen.be, Codex Vlaanderen en GOCA Vlaanderen, hangen niet af van Permis Online SRL. De uitgever heeft geen enkele controle over hun inhoud. Intellectuele eigendom: wat mag je overnemen? De teksten, de lessen, de quizvragen, de proefexamens en de vormgeving van Rijbewijs B Theorie zijn auteursrechtelijk beschermd. Behoudens andersluidende vermelding zijn ze eigendom van Permis Online SRL. Ze overnemen of verspreiden, ook gedeeltelijk, mag alleen met de schriftelijke toestemming van Permis Online SRL. Een kort fragment citeren mag wel, met een duidelijke vermelding van Rijbewijs B Theorie als bron en een link naar de pagina. Voor afbeeldingen geldt een andere regel: elke afbeelding behoudt de licentie van haar maker. In de lessen staan de vermeldingen van de makers onderaan, in het onderdeel “Bronnen en methodologie”. Persoonsgegevens en cookies Hoe Rijbewijs B Theorie je persoonsgegevens verzamelt en gebruikt, lees je in het privacybeleid. Daar staat ook alles over cookies. Heb je een vraag over je persoonsgegevens, schrijf dan naar contact@rijbewijs-b-theorie.be. Je cookiekeuzes kun je op elk moment wijzigen met de knop “Cookies beheren” onderaan elke pagina. Veelgestelde vragen Wie geeft Rijbewijs B Theorie uit? Rijbewijs B Theorie wordt uitgegeven door Permis Online SRL, een Belgische vennootschap die op 4 februari 2021 is opgericht. De zetel is gevestigd aan de Rue du Congo 64, 6890 Ochamps (Libin), België, en het ondernemingsnummer is 0762.894.409. Is Rijbewijs B Theorie een officiële site van de overheid? Nee. Rijbewijs B Theorie is een privésite om je voor te bereiden op het theorie-examen, uitgegeven door Permis Online SRL. Het is geen dienst van de Vlaamse overheid en geen examencentrum: het officiële examen leg je af in een erkend examencentrum. Hoe neem ik contact op met de uitgever van Rijbewijs B Theorie? Per e-mail via contact@rijbewijs-b-theorie.be of per post naar Permis Online SRL, Rue du Congo 64, 6890 Ochamps (Libin), België. Waar komt de informatie op Rijbewijs B Theorie vandaan? Uit officiële teksten: de Wegcode in de Vlaamse versie van Codex Vlaanderen, de reglementering over het rijbewijs en de pagina’s van vlaanderen.be en GOCA Vlaanderen. De lessen verwijzen naar hun bronnen. Klaar om te oefenen? De cursus is gratis, les per les, en je kunt hem volgen zonder account. Begin met de cursus Bronnen Wetboek van economisch recht, artikel XII.6: de gegevens die een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij permanent toegankelijk maakt (geconsolideerde tekst op Justel, de databank van de Belgische wetgeving). Wetboek van vennootschappen en verenigingen, artikel 2:20: de vermeldingen op de website van een rechtspersoon (geconsolideerde tekst op Justel). Kruispuntbank van Ondernemingen: openbare fiche van Permis Online SRL (0762.894.409). Vlaamse overheid: Rijbewijs B behalen, stap voor stap, pagina bijgewerkt op 19 oktober 2026. GOCA Vlaanderen: leden, de erkende ondernemingen voor autokeuring en examinering. GOCA Vlaanderen: examencentra. Codex Vlaanderen: de Wegcode (koninklijk besluit van 1 december 1975) in de Vlaamse versie. Bronnen: - [Codex Vlaanderen](https://codex.vlaanderen.be/) - [Kruispuntbank van Ondernemingen: openbare fiche van Permis Online SRL (0762.894.409)](https://kbopub.economie.fgov.be/kbopub/zoeknummerform.html?lang=nl&nummer=0762894409) - [kinsta.com](https://kinsta.com/) - [Wetboek van economisch recht, artikel XII.6](https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/02/28/2013A11134/justel#Art.XII.6) - [Wetboek van vennootschappen en verenigingen, artikel 2:20](https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/03/23/2019A40586/justel#Art.2:20) - [GOCA Vlaanderen: leden](https://www.gocavlaanderen.be/detail-page/leden) - [GOCA Vlaanderen: examencentra](https://www.gocavlaanderen.be/examencentra) - [Vlaamse overheid: Rijbewijs B behalen, stap voor stap](https://www.vlaanderen.be/mobiliteit-en-openbare-werken/auto-en-motor/rijbewijzen-en-rijopleiding/rijbewijs-b-voor-auto/rijbewijs-b-behalen-stap-voor-stap)