Zware overtredingen op het theorie-examen
- Een zware overtreding is een fout antwoord op een vraag over de derde of vierde graad, of over de maximumsnelheid. Dat kost vijf punten.
- Twee zulke fouten en je bent uitgesteld. Eén mag, met vier lichte fouten.
- Derde graad: iemand rechtstreeks in gevaar brengen, of een bevel negeren.
- Vierde graad: zeven overtredingen. Die leer je eerst.
- Stopbevel met de arm horizontaal of een zwaaiend rood licht negeren: vierde graad. Elk ander bevel negeren: derde graad.
Het verschil tussen derde en vierde graad staat hieronder.
Rood licht, verboden richting, keren op de autosnelweg: die vragen kosten vijf punten. Je start met vijftig punten en je hebt er eenenveertig nodig. Twee zware overtredingen, en je bent uitgesteld.
Hieronder komt eerst de derde graad, per familie, en daarna de zeven van de vierde. Leren doe je omgekeerd: begin bij de zeven.
Wat is een zware overtreding op het theorie-examen?
De derde graad: iemand rechtstreeks in gevaar brengen, of een bevel negeren. De vierde graad doet dat ook, en leidt bij een ongeval bijna altijd tot lichamelijke schade. Te snel rijden staat niet in de graadlijst, maar een fout antwoord op een vraag erover telt wel als zware overtreding.
Bij welke graden is een fout antwoord op het theorie-examen een zware overtreding?
Wat valt onder de derde graad bij bevelen, inhalen en de rijbaan?
Bevelen:
- je geeft niet meteen gevolg aan een bevel van een bevoegd persoon;
- je verplaatst je stilstaande of geparkeerde voertuig niet als hij dat vraagt;
- je volgt de aanwijzingen niet van een gemachtigd opzichter die kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden laat oversteken.
Inhalen, kruisen en strepen:
- links inhalen terwijl je de tegenliggers niet ver genoeg ziet;
- iemand haalt je links in en jij wijkt niet zo ver mogelijk naar rechts uit, of je voert je snelheid op;
- een doorlopende witte streep overschrijden, of links ervan rijden als ze de twee richtingen scheidt;
- een doorlopende oranje streep overschrijden, of een doorlopende streep van oranje spijkers op korte, regelmatige afstand van elkaar;
- niet rechts kruisen, of zonder voldoende zijdelingse afstand. Bij een hindernis vertraag je en stop je zo nodig voor de tegenliggers;
- een tram op de rijbaan kruis je rechts. Links mag alleen als rechts niet kan door een te smalle doorgang of een hindernis, en zonder tegenliggers in gevaar te brengen.
Links inhalen is derde graad in deze gevallen, als je een gespan, een tweewielig motorvoertuig of een voertuig met meer dan twee wielen inhaalt:
- op een overweg met het bord overweg voor enkel spoor of voor twee of meer sporen, het Sint-Andrieskruis. Niet als er slagbomen zijn of verkeerslichten het verkeer regelen;
- als de bestuurder die je wil inhalen zelf een voertuig inhaalt dat geen fiets, tweewielige bromfiets of tweewielige motorfiets is. Wel toegelaten op drie of meer rijstroken in jouw richting;
- als de bestuurder die je wil inhalen een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers en bromfietsers nadert of ervoor stopt, zonder agent en zonder verkeerslicht.
Ook het bord links inhalen verboden negeren is derde graad. Het verbiedt tot en met het volgende kruispunt alleen het links inhalen van een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen.



Je haalt in Leuven een fietser in, binnen de bebouwde kom, met 80 cm tussenruimte. Wat klopt?
Bij twee of drie duidelijk gescheiden rijbanen volg je de linkerrijbaan niet, tenzij een plaatselijk reglement dat toelaat.
Kun je op een smalle rijbaan moeilijk kruisen of inhalen, dan mag je de gelijkgrondse berm volgen, die even hoog ligt als de rijbaan, zonder de weggebruikers daar in gevaar te brengen.
Op de pechstrook rijden is derde graad. Uitzonderingen: een prioritair voertuig met een dringende opdracht en, bij stilstaand of sterk vertraagd verkeer, een takelwagen of personen en diensten die het parket of de politie oproept, op weg naar een incident op of langs de autosnelweg of autoweg.
Wat met voetgangers, lichten en je gsm?
Afslaan:
- links afslaan: voorrang aan de tegenliggers op de rijbaan die je verlaat;
- ga je daarvoor naar links, kijk dan of niemand achter je al inhaalt, en breng de bestuurders op de weg die je verlaat niet in gevaar;
- van richting veranderen: voorrang aan bestuurders en voetgangers op de andere delen van dezelfde weg;
- en aan de voetgangers die de rijbaan oversteken waarop jij wil rijden.
Voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers:
- geen voetgangers in gevaar brengen op het trottoir, op een deel dat voor hen voorbehouden is, op de berm, op een vluchtheuvel, of als ze volgens de regels op de rijbaan lopen;
- zonder agent of verkeerslicht nader je een oversteekplaats met matige snelheid en verleen je voorrang aan wie erop is of op het punt staat erop te gaan;
- mét agent of licht laat je wie volgens de regels op de rijbaan is gegaan, in een normaal tempo de oversteek afmaken. Is jouw richting gesloten, dan stop je voor de oversteekplaats;
- in een woonerf of erf breng je voetgangers niet in gevaar en hinder je hen niet. Zo nodig stop je. Bij kinderen ben je dubbel voorzichtig;
- in een voetgangerszone rijd je stapvoets, je laat de doorgang vrij en je stopt zo nodig;
- in een speelstraat ook stapvoets. Spelende voetgangers gaan eerst. Fietsers stappen af als het moet;
- op een weg voor voetgangers, fietsers, ruiters en speed pedelecs breng je de anderen niet in gevaar;
- je rijdt niet door een groep kinderen, scholieren, personen met een handicap of bejaarden, in rijen of bij het oversteken.




Prioritaire voertuigen, bussen en groepen:
- hoor je het speciaal geluidstoestel van een prioritair voertuig, dan maak je meteen de doorgang vrij. Zo nodig stop je;
- bij een gesignaleerd voertuig dat kinderen vervoert ben je dubbel voorzichtig. Branden al zijn richtingaanwijzers, dan matig je je snelheid sterk en stop je zo nodig: de kinderen gaan in- of uitstappen;
- langs een stilstaande autobus, autocar, trolleybus, minibus of tram die reizigers laat in- of uitstappen, matig je je snelheid;
- is er aan de halte van een voertuig voor gemeenschappelijk vervoer geen vluchtheuvel, dan stop je aan de kant waar de reizigers in- of uitstappen, tot ze het voertuig, het trottoir of de berm veilig bereiken. Daarna vertrek je met matige snelheid;
- je rijdt niet door een militaire colonne, een stoet, een wielerwedstrijd of een wedstrijd zonder motor;
- nadert een groep renners, dan wijk je uit en stop je. Aanwijzingen van signaalgevers en groepsleiders volg je.
Lichten en het bord verboden richting:
- rood licht: niet voorbij de stopstreep, of voorbij het licht zelf als er geen streep is;
- een groene pijl bij rood: alleen die richting, en voorrang aan bestuurders uit andere richtingen en aan voetgangers;
- een rood kruis boven een rijstrook: die strook is verboden;
- het bord verboden richting voor ieder bestuurder: die richting rijd je niet in;
- tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, of als je geen 200 meter ver ziet: dimlichten of grootlichten vooraan, rode lichten achteraan. Een aanhangwagen met verplichte lichten: twee witte vooraan, rode achteraan;
- breder dan 2,50 meter: in diezelfde omstandigheden ook de omtreklichten.

In de auto:
- een kind jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm zit in een geschikt kinderbeveiligingssysteem;
- je vervoert niet meer kinderen jonger dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm dan er plaatsen zijn met een gordel of een goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem, plus de plaatsen die daar niet mee uitgerust hoeven te zijn;
- geen toestel met een scherm gebruiken, vasthouden of manipuleren, tenzij het in een houder aan de auto zit;
- je moet in staat zijn te sturen: lichamelijk geschikt zijn, de nodige kennis en rijvaardigheid hebben, alle nodige manoeuvres kunnen uitvoeren en je voertuig voortdurend goed in de hand houden.
Je gsm zit niet in een houder. Tijdens het rijden neem je hem vast om van muziek te wisselen, zonder te bellen. Wat klopt?
Welke zeven overtredingen zijn van de vierde graad?
De vierde graad is de top: bij een ongeval leiden ze bijna altijd tot lichamelijke schade. Het zijn er zeven.
- Een stopbevel negeren: de arm of de armen horizontaal, of een rood licht dat dwars voor je zwaait.
- Een bestuurder aansporen of uitdagen om overdreven snel te rijden.
- Een gespan of een voertuig met meer dan twee wielen links inhalen bij het naderen van de top van een helling of in een bocht, als het zicht onvoldoende is. Behalve als je kunt inhalen zonder de doorlopende witte streep naar de tegenliggers te overschrijden.
- Een overweg oprijden terwijl de slagbomen bewegen of dicht zijn, de rode knipperlichten branden of de bel gaat.
- Op een autosnelweg of autoweg een dwarsverbinding nemen, keren, achteruitrijden of in de tegengestelde richting rijden.
- Stilstaan of parkeren op een overweg.
- Een snelheids- of sportwedstrijd op de openbare weg, zonder speciale toelating.

De plaats maakt het verschil. Links inhalen terwijl je de tegenliggers niet ver genoeg ziet, is derde graad. Een auto inhalen bij het naderen van een top of in een bocht met onvoldoende zicht is vierde.
Een agent in Mechelen steekt één arm recht omhoog. Jij rijdt door. Welke graad is dat?
Je keert op de autosnelweg bij Antwerpen. Welke graad is dat?
Hoe onthoud je dit voor het examen?
- eerst de zeven van de vierde graad;
- wie loopt gevaar? Iemand rechtstreeks in gevaar brengen is minstens derde graad;
- leer per familie: bevelen, inhalen, voorrang, kwetsbare weggebruikers, bussen, lichten, in de auto.
Herhaal de kaarten en doe daarna de quiz. Mik op nul zware overtredingen.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz10










Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.