Verlichting en zichtbaarheid: dimlicht en mist
- Vooraan wit of geel, achteraan rood. Achteruitrijlicht en nummerplaat: wit of geel. Richtingaanwijzers: oranje.
- Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en zodra je niet duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter: dimlichten of grootlichten.
- Grootlichten uit als je iemand verblindt, een voertuig op minder dan 50 meter volgt (behalve tijdens het inhalen), of de rijbaan doorlopend verlicht is en je duidelijk tot op ongeveer 100 meter ziet.
- Heb je een achtermistlicht, dan moet het aan bij mist of sneeuw met minder dan ongeveer 100 meter zicht, en bij felle regen. Anders blijft het uit.
- Slecht zicht: pas je snelheid aan. Je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt verwachten.
Licht per licht, met de afstanden die op het examen terugkomen: alles staat hieronder.
Zie je de weg nog, en zien de anderen jou? Welk licht je wanneer aanzet en hoe snel je rijdt als je weinig ziet: dat moet je voor het theorie-examen precies kennen. Elk licht komt aan bod, van een nacht naar Brugge tot mist rond Hasselt.
Welke kleur heeft welk licht?
De kleuren zijn je houvast voor de rest. Vooraan zijn de lichten wit of geel, nooit rood. Achteraan zijn de achterlichten, de stoplichten en het achtermistlicht rood.
Twee lichten achteraan mogen wel wit of geel zijn: het achteruitrijlicht en de verlichting van je nummerplaat. Richtingaanwijzers knipperen oranje. Vooraan mag dat knipperlicht ook wit zijn, achteraan ook rood.

Wanneer gebruik je dimlicht, en wanneer grootlicht?
De standlichten tonen je auto en hoe breed ze is. Ze verlichten de weg niet ver. Vanaf het vallen van de avond rijd je niet met alleen standlichten aan, ook niet in een helder verlichte straat in Leuven. Dan horen dimlichten of grootlichten aan.
Sta je stil of geparkeerd, en is het donker of zie je niet duidelijk tot op ongeveer 200 meter, dan signaleren de standlichten vooraan en de rode achterlichten je auto. Is je auto door de straatverlichting al van op ongeveer 100 meter duidelijk te zien, dan hoeven die lichten niet.
In de bebouwde kom mag een parkeerlicht die lichten vervangen, als je auto evenwijdig met de rijbaan staat en je geen aanhangwagen trekt. Alleen het parkeerlicht aan de kant van de rijbaan brandt.
Het dimlicht verlicht de weg zonder tegenliggers te verblinden. Dimlicht of grootlicht moet aan tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en overdag zodra je niet duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, door mist, regen, sneeuw of een donkere tunnel.
Het grootlicht verlicht de weg over een grote afstand, zolang je niemand hindert. Dimlicht en grootlicht mogen samen branden. In vier gevallen doof je het grootlicht en rijd je op dimlicht:
- iemand komt je tegemoet. Schakel op tijd over, en in ieder geval meteen als hij snel met zijn grootlichten knippert, want dan wordt hij verblind;
- je nadert een spoorvoertuig of een boot waarvan de bestuurder of de stuurman verblind kan worden;
- je volgt een voertuig op minder dan 50 meter, behalve terwijl je inhaalt;
- de rijbaan is zonder onderbreking verlicht en je ziet duidelijk tot op ongeveer 100 meter.
Je rijdt 's nachts op 40 meter achter een auto en je haalt niet in. Wat doe je met je grootlichten?
De dagrijlichten zitten vooraan, zijn wit en gaan vanzelf aan. Ze maken je overdag zichtbaar en verlichten de weg niet. Ze doven als de koplichten of de voormistlichten aangaan. Op nieuwere auto's zijn ze verplicht. Een uitzondering kan gelden voor een personenauto of lichte bestelwagen die vóór 7 februari 2011 is goedgekeurd, en voor andere voertuigen die vóór 7 augustus 2012 zijn goedgekeurd.
Stoplichten zijn rood en branden zodra je het rempedaal indrukt. Een personenauto met Europese typegoedkeuring die na 1 mei 2003 voor het eerst in gebruik is genomen, heeft er drie. Voor personenauto's en lichte bestelwagens van na 1 november 2014 geldt dat ook, behalve bij een chassiscabine of een voertuig met open laadruimte. Op andere voertuigen zijn twee verplicht, een derde mag.
Het achteruitrijlicht is wit of geel en brandt alleen in de achteruitversnelling. Het verlicht de weg achter je en waarschuwt andere weggebruikers dat je achteruitrijdt of gaat rijden. Andere bestuurders mag het niet hinderen. De nummerplaat licht mee op met de standlichten.
Is het voertuig breder dan 2,50 meter, dan horen er omtreklichten bij: wit naar voren, rood naar achteren. Blauwe knipperlichten zijn alleen voor bepaalde diensten, zoals politie, brandweer en ziekenwagens.

Wanneer mag het mistlicht aan?
Het achtermistlicht eerst, want het gebruik ervan is streng geregeld.
Felle regen overdag in Brugge. Wat doe je met het achtermistlicht?
Voormistlichten mag je alleen gebruiken bij mist, sneeuwval of felle regen. Dan mogen ze de dimlichten of de grootlichten vervangen, of samen met die lichten branden.
Sta je stil in mist, sneeuw of felle regen, dan mag je dimlichten of voormistlichten gebruiken, en ook het achtermistlicht. De plicht om het achtermistlicht aan te zetten geldt als je rijdt.

Waarvoor dienen de richtingaanwijzers en het noodsignaal?
De richtingaanwijzers tonen welke kant je uit wil: vooraan, achteraan en opzij. Ze knipperen tussen 60 en 120 keer per minuut.

Kan je een defecte auto of aanhangwagen niet wegzetten zoals een geparkeerde auto, of staat hij waar stilstaan verboden is, dan plaats je de gevaarsdriehoek. Minstens 30 meter ervoor op een gewone weg, minstens 100 meter op de autosnelweg, zichtbaar van op ongeveer 50 meter. In de bebouwde kom mag hij dichter, desnoods op het voertuig.
Het noodsignaal mag erbij, net als een draagbaar oranjegeel knipperlicht. Een lading op de weg die je niet meteen opruimt, signaleer je op dezelfde manier. Dat geldt ook als je lichten defect zijn en je auto niet duidelijk te zien is van op ongeveer 100 meter. Op een autosnelweg of autoweg trek je een retro-reflecterend veiligheidsvest aan zodra je uitstapt waar je niet mag stoppen.
Welke lichten controleer je voor je vertrekt?
Loop even rond je auto voor je de sleutel omdraait.
- vooraan: standlichten, dimlichten, grootlichten, en de voormistlichten als je ze hebt;
- richtingaanwijzers: vooraan, achteraan, links en rechts;
- achteraan: rode achterlichten, stoplichten, achtermistlicht.

Het is nacht. De rijbaan is doorlopend verlicht en je ziet duidelijk tot op ongeveer 100 meter. Wat brandt er vooraan?
Hoe snel mag je rijden als je weinig ziet?
Je snelheid moet passen bij het weer, de plaats, het verkeer, het zicht en de lading. Die snelheid mag geen ongeval veroorzaken en het verkeer niet hinderen. Je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt verwachten, en je houdt genoeg afstand.
Op de autosnelweg is 120 km/u de gewone limiet, en trager dan 70 km/u mag normaal niet. Bij slecht zicht telt toch eerst wat je ziet. Is 70 km/u te snel om veilig te stoppen, dan rijd je trager: je snelheid mag geen ongeval veroorzaken.

Dichte mist op de autosnelweg. Je ziet alleen een kort stuk weg. Wat doe je?
Wat mag niet bij een helling, een bocht of een volle koffer?
Links inhalen mag niet als je de tegenliggers niet vroeg genoeg ziet om het zonder gevaar te doen. Bij het naderen van de top van een helling en in een bocht met onvoldoende zicht mag je een auto, een motor of een gespan links niet inhalen.
Het mag alleen als je de doorlopende witte streep niet overschrijdt die het deel voor de tegenliggers afbakent. Op die plaatsen mag je ook niet stilstaan of parkeren op de rijbaan.
De lading mag je zicht niet belemmeren. Ze mag je lichten, je reflectoren en je nummerplaat niet bedekken, en ze mag niet vallen of de auto onstabiel maken.
Laat een handkar of de lading ervan je onvoldoende zicht naar voren, dan duw je de kar niet. Je gaat ervoor staan en je trekt ze, zodat je ziet wat er op de weg komt.
Je kent nu de kleuren, de vier afstanden en de drie gevallen van het achtermistlicht. De herhaling hieronder zet die kern op kaartjes, en de oefenvragen daarna tonen of je bij elk licht meteen weet wat je doet.