Gevaarsborden: wat ze betekenen en hoe je reageert
- Een gevaarsbord waarschuwt je voor een gevaar. Meestal is het een driehoek met een rode rand.
- Het staat rechts van de weg, gewoonlijk op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats.
- Staat het dichterbij of verder weg, dan geeft een onderbord de afstand aan.
- Je reactie: je snelheid aanpassen aan het gevaar, het weer, het zicht en de staat van de weg.
- Alleen de borden overweg voor enkel spoor en overweg voor twee of meer sporen zijn geen driehoek. Ze staan bij de overweg zelf.
De borden een voor een, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder.
Ongeveer 150 meter: zoveel ruimte geeft de weg je om te reageren. Je rijdt over een landweg bij Leuven en rechts verschijnt een driehoek met een rode rand. Even verder wacht een scherpe bocht, een glad stuk weg of een oversteekplaats. Ken je de gevaarsborden, dan weet je vooraf wat eraan komt en hoe je reageert. Dat leer je hier, bord na bord.
Wat is een gevaarsbord?
Die tekening vertelt je wat eraan komt: een bocht, een steile helling, een glad wegdek, kinderen, een overweg. De boodschap is altijd dezelfde: hier moet je extra opletten.
Je vindt gevaarsborden rechts van de weg. Kan dat ter plaatse niet, dan mag het bord ook boven de rijbaan hangen. Waar het verkeer het nodig maakt, mag een bord herhaald worden.
Hoe ver voor het gevaar staat een gevaarsbord?
Onthoud één getal: een gevaarsbord staat gewoonlijk op ongeveer 150 meter van de gevaarlijke plaats. Dat ‘ongeveer’ telt, want niemand meet het op de meter af. Bij een bocht wordt de afstand gemeten vanaf het begin van de bocht.
Soms staat een bord dichterbij of verder weg dan 150 meter. Dat mag in bijzondere omstandigheden. Dan geeft een onderbord ongeveer de afstand aan.
Ook de lengte van een gevaarlijk stuk weg kan op een onderbord staan. Bij een reeks bochten of een reeks verhoogde inrichtingen staat het bord maar één keer, vóór de eerste. Het onderbord geeft dan de lengte van het hele stuk.
Je rijdt in Gent en ziet rechts van de weg een gevaarsbord. Op welke afstand van het gevaar staat het gewoonlijk?
Hoe reageer je op een gevaarsbord?
Neem het bord voor een gevaarlijke bocht naar links. Het zegt dat er ongeveer 150 meter verder zo’n bocht komt. Wat doe je dan? Je past je snelheid aan en rijdt voorzichtig, zodat je geen ongeval veroorzaakt.

Hoeveel trager je gaat, hangt af van wat er rond je gebeurt. Je stemt je snelheid af op:
- de andere weggebruikers, vooral de meest kwetsbare: voetgangers en fietsers;
- het weer: regen, sneeuw of ijzel;
- het zicht: donker, schemering of mist;
- de staat van de weg: oneffenheden, een slecht wegdek, modder of olie op de rijbaan.
Een goede vuistregel: hoe meer risico’s samenkomen, hoe trager je rijdt en hoe alerter je blijft. Je moet bovendien altijd kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien. Het bord vertelt je net wat er aankomt.
Je rijdt in de Vlaamse Ardennen en het regent hard. Voor je staat een gevaarsbord voor een gevaarlijke daling. Wat doe je?
Bochten, hellingen en verrassingen op de rijbaan
De eerste groep waarschuwt voor de weg zelf: het verloop van de weg en het wegdek. Het gaat om:
- een gevaarlijke bocht, naar links of naar rechts;
- een dubbele bocht of een reeks van meer dan twee bochten, waarvan de eerste naar links of naar rechts gaat;
- een gevaarlijke daling (de weg loopt naar beneden) en een steile helling (de weg stijgt);
- een rijbaanversmalling;
- een beweegbare brug en een uitweg op een kaai of een oever;
- een uitholling overdwars, een ezelsrug en een verhoogde inrichting;
- een glibberige rijbaan, kiezelprojectie en vallende stenen.
Een uitholling overdwars is een dip dwars over de weg, een ezelsrug een bult. Een verhoogde inrichting is een verhoging dwars over de weg, bedoeld om de snelheid te matigen.
Niet elke bocht of helling krijgt een bord. Een bord voor een bocht staat alleen bij een bocht die onverwacht opduikt of waarvoor je flink moet vertragen. Een daling of helling krijgt alleen een bord als ze minstens 7 procent is.




Bij het bord voor een glibberige rijbaan kan een onderbord zeggen wanneer de weg glad wordt, bijvoorbeeld bij ijzel, sneeuw of nat wegdek.
Wie of wat kan er plots opduiken?
De tweede groep waarschuwt voor weggebruikers, dieren en situaties die je plots op je weg kunt tegenkomen:
- een oversteekplaats voor voetgangers (het zebrapad);
- een plaats waar speciaal veel kinderen komen;
- een oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen, of een plaats waar zij van het fietspad op de rijbaan komen;
- doortocht van groot wild en doortocht van vee;
- werken, verkeerslichten en een file;
- overtocht van vliegtuigen op geringe hoogte en zijwind;
- verkeer in beide richtingen na een stuk met eenrichtingsverkeer.




Het bord voor zijwind staat waar vaak een sterke zijwind waait en een windzak voorzien is. Het bord voor verkeerslichten staat buiten de bebouwde kom bij lichten die je door de ligging niet vanop ongeveer 150 meter kunt zien.
Bij het bord voor verkeer in beide richtingen geeft een onderbord de lengte van het stuk. Reken op tegenliggers.


Bij elk van deze borden geldt dezelfde logica als bij de bocht: je vermindert je snelheid, je kijkt goed rond en je bent klaar om te reageren.
Welke borden bij een overweg zijn anders?
Bij een overweg kruist de weg een spoorlijn. Daarvoor bestaan vier gevaarsborden. Twee ervan zijn gewone driehoeken, de andere twee werken anders.
Eerst de gewone. Het bord overweg met slagbomen toont een slagboom. Het bord overweg zonder slagbomen toont een locomotief. Hier komt geen slagboom die je tegenhoudt: je mag de overweg pas oprijden nadat je je ervan vergewist hebt dat er geen trein nadert. Beide staan op ongeveer 150 meter van de overweg.


Dan de twee uitzonderingen: het bord overweg voor enkel spoor en het bord overweg voor twee of meer sporen. Het zijn geen driehoeken maar Sint-Andrieskruisen: een enkel kruis bij één spoor en een dubbel kruis bij twee of meer sporen. Ze staan niet op 150 meter, maar aan de overweg zelf of er vlak bij.


Welk van deze gevaarsborden is geen driehoek?
Sporen in de rijbaan en een gevaar zonder eigen bord
Twee borden blijven over. Het eerste waarschuwt voor sporen in de rijbaan: de weg wordt gekruist door een of meer sporen die in de rijbaan liggen.

Het tweede is het bord voor een gevaar zonder speciaal symbool: een driehoek met alleen een uitroepteken. Het wordt alleen gebruikt als geen ander gevaarsbord past. Een onderbord eronder zegt altijd om welk gevaar het gaat.

Onder een gevaarsbord met een uitroepteken hangt een onderbord. Wat staat daarop?
Je kent nu alle gevaarsborden: wat ze aankondigen, waar ze staan en hoe je reageert. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, en de oefenvragen daarna testen of je elk bord meteen herkent.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz31































Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.