Tegenliggers kruisen: regels, uitzonderingen en tram
- Kruisen: twee voertuigen rijden elkaar in tegengestelde richting voorbij. Dat gebeurt rechts.
- Je laat genoeg zijdelingse afstand en je wijkt naar rechts uit als het moet.
- Hindernis aan jouw kant: je vertraagt en stopt als het nodig is, zodat de tegenligger door kan.
- Te smalle rijbaan: de gelijkgrondse berm of de zijdelingse strook mag, zonder iemand in gevaar te brengen.
- Een tram mag je links kruisen als rechts te smal of versperd is, zonder de tegenliggers te hinderen of in gevaar te brengen.
De regel, de zes situaties waarin je voorrang verleent, de berm en de tram: alles staat hieronder.
Een smalle straat in Gent, geparkeerde auto's, en recht voor je een tegenligger. Wie rijdt door? Wie wijkt uit? Kruisen lijkt vanzelfsprekend: je doet het tientallen keren per rit zonder erbij stil te staan. Toch moet je de regels goed kennen, ook met een tram in tegenrichting of een berm als uitweg.
Wat is kruisen?
In Vlaanderen rijd je rechts. Op de rijbaan blijf je zo dicht mogelijk bij de rechterrand. Op een plein hoeft dat niet. De tegenligger rijdt dus links van jou.
Het kruisen gebeurt rechts. Jij blijft aan jouw kant, de ander aan de zijne, en jullie rijden elkaar voorbij. Een bord voor een smalle doorgang verandert die kant niet: het zegt alleen wie eerst door mag.

Een straat met verkeer in twee richtingen. Er komt een auto recht op je af. Het kruisen gebeurt:
Aan wie verleen je voorrang?
Kruisen zonder elkaar te raken begint bij één vraag: wie laat wie voorgaan? Zes situaties moet je kunnen toepassen.
- Spoorvoertuigen. Elke weggebruiker verleent voorrang aan een tram of een ander voertuig op rails, en gaat zo snel mogelijk van de sporen af.
- Voorrang van rechts. Je verleent voorrang aan de bestuurder die van rechts komt. Niet als jij al op een rotonde rijdt. En niet als die bestuurder uit een verboden rijrichting komt.
- Bord voorrang verlenen of stopbord. Kom je van een weg met de omgekeerde driehoek of met een stopbord, dan verleen je voorrang aan elke bestuurder op de weg die je oprijdt.
- Aardeweg of pad. Kom je van een aardeweg of een pad op een openbare weg met een rijbaan, dan verleen je voorrang aan elke bestuurder die daar rijdt.
- Een manoeuvre. Wie een manoeuvre wil uitvoeren, verleent voorrang aan de andere weggebruikers. Van rijstrook veranderen, de rijbaan oversteken, een parkeerplaats verlaten of oprijden, uit een aanpalend eigendom komen, keren of achteruitrijden: dat zijn manoeuvres. Vanop het einde van een fietspad de rijbaan oprijden om rechtdoor te rijden, is dat niet.
- Trottoir of fietspad. Steek je een trottoir of een fietspad over, dan verleen je voorrang aan de weggebruikers die er volgens de regels gebruik van maken.
Een pad is een smalle openbare weg, alleen voor voetgangers en voor voertuigen die niet meer ruimte nodig hebben dan een voetganger. Een aardeweg is breder dan een pad, maar niet ingericht voor het voertuigenverkeer in het algemeen. Hij blijft een aardeweg, ook als alleen het stuk waar hij op een andere weg aansluit eruitziet als een rijbaan.

Je komt van een aardeweg tussen de velden op de rijbaan naar Oudenaarde. Wie mag eerst?
Wat doe je op het moment dat je kruist?
De regel zegt rechts. Op de weg doe je drie dingen, elke keer opnieuw.
- Je laat een voldoende zijdelingse afstand: genoeg ruimte naast het voertuig dat je kruist.
- Als het nodig is, wijk je naar rechts uit.
- Belemmert een hindernis of een andere weggebruiker jouw doorgang, dan vertraag je. Als het nodig is, stop je, zodat de tegenliggers door kunnen.
De hindernis beslist wie wacht. Ligt ze aan jouw kant, dan is jouw doorgang versperd en laat jij de tegenligger door. Ligt ze aan zijn kant, dan is zijn doorgang versperd en laat hij jou door. Wie er het eerst was, speelt geen rol.
Is de rijbaan niet breed genoeg om vlot te kruisen? Dan mag je de gelijkgrondse berm volgen, of de zijdelingse strook. Alleen als je de weggebruikers die daar zijn niet in gevaar brengt.
De gelijkgrondse berm ligt op dezelfde hoogte als de rijbaan, tussen de rijbaan en een sloot, een talud of de grens van een eigendom. Het is niet het trottoir en niet het fietspad. Meestal is ze niet verhard. De verhoogde berm, die hoger ligt, gebruik je hier niet. Het trottoir ook niet.
De zijdelingse strook ligt langs de middenrijbaan: het middelste deel van de weg, aan elke kant afgebakend door een witte onderbroken streep. De strook hoort niet bij de rijbaan. Zie je zo'n strook, dan mag je die volgen om te kruisen, met dezelfde voorwaarde: niemand die daar loopt of rijdt in gevaar brengen.
In een smalle straat kijk je best ver vooruit. Zoek al een plaats om uit te wijken terwijl de tegenligger nog ver weg is, niet pas als jullie neus aan neus staan.
De rijbaan is te smal om veilig te kruisen. Wat mag je doen?
Wanneer mag je een tram links kruisen?
Een tram die de rijbaan volgt, kan niet uitwijken. De rails bepalen zijn plaats. Daarom bestaat er één uitzondering op rechts kruisen.
Een spoorvoertuig op de rijbaan mag je links kruisen, maar alleen als het rechts niet kan. Twee gevallen:
- de doorgang rechts is te smal;
- een stilstaand of geparkeerd voertuig, of een andere vaste hindernis, verspert de doorgang rechts.
De voorwaarde valt niet weg: je hindert de tegenliggers niet en je brengt hen niet in gevaar. Is rechts nog vrij en breed genoeg, dan kruis je de tram gewoon rechts, zoals elke andere tegenligger.
Links kruisen heft de voorrang van de tram niet op. Elke weggebruiker verleent voorrang aan het spoorvoertuig en gaat zo snel mogelijk van de sporen af. Sla je af en komt er een tram aan, dan laat je die voorgaan, of je nu links of rechts afslaat. Voorrang van rechts geldt niet tegenover een tram.
Een tram komt op de rijbaan recht op je af. Rechts is het te smal. Mag je links kruisen?
Welk bord beslist in een smalle doorgang?
Soms is de doorgang zo smal dat twee auto's er niet naast elkaar door kunnen. Dan staat er een bord dat zegt wie wacht. Een verkeersbord gaat boven de gewone verkeersregel. Je hoeft niet meer met de tegenligger uit te maken wie eerst mag.
De twee borden heten allebei smalle doorgang. Je leest ze op dezelfde manier: de pijl die naar boven wijst, is jouw richting. De pijl die naar beneden wijst, is de richting van de tegenligger.
Het ronde bord heeft een rode rand en een witte achtergrond. Jouw pijl, rechts op het bord, is rood en wijst naar boven. De zwarte pijl van de tegenligger wijst naar beneden. Jij verleent voorrang aan de bestuurders uit de tegenovergestelde richting.

Het blauwe rechthoekige bord heeft een witte rand. Jouw pijl, rechts op het bord, is wit en wijst naar boven. De rode pijl van de tegenligger wijst naar beneden. Jij hebt voorrang op de bestuurders uit de tegenovergestelde richting.

Bij een smalle doorgang zie je het ronde bord met de rode rand. Wat doe je?
Je kruist rechts en je verleent voorrang wanneer de situatie dat vraagt. Is de rijbaan te smal, dan gebruik je de berm of de zijdelingse strook. Alleen een tram mag je soms links kruisen. In een smalle doorgang zegt het bord wie er eerst mag. Herhaal de kernpunten met de herhalingskaartjes en maak daarna de quiz.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz4




Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.