Stilstaan of parkeren: verschil, verboden en afstanden
- Je staat stil zolang je personen laat in- of uitstappen of zaken laadt of lost. Blijf je langer, dan parkeer je.
- Stel je voertuig rechts op, evenwijdig met de rand. Bij eenrichtingsverkeer mag dat aan beide kanten, als de andere regels het toelaten.
- 5 m vóór een oversteekplaats op de rijbaan, en bij een kruispunt. 20 m vóór verkeerslichten en verkeersborden. De uitzonderingen staan hieronder.
- Bij parkeren: 15 m aan weerszijden van een haltebord, 1 m vóór en achter een ander voertuig en minstens 3 m vrije doorgang.
- Moeten voetgangers de berm volgen? Laat aan de buitenkant minstens 1,5 m begaanbare ruimte vrij.
Het verschil, de verboden plaatsen en de afstanden staan hieronder.
Je ziet een lege plek bij de bakker in Leuven. Je auto past erin. Maar mag je daar ook staan? Dat hangt af van wat je doet, waar je staat en hoeveel ruimte je vrijlaat.
Sta ik stil of ben ik aan het parkeren?
Een vriend stapt uit en je vertrekt meteen: stilstaan. Je gaat brood kopen: parkeren. Er bestaat geen vaste grens van enkele seconden of minuten. Wat je doet bepaalt het verschil, niet alleen hoelang je blijft.
Zaken laden of lossen is stilstaan, ook als je daarvoor uitstapt. Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen telt wel als parkeren.

Je laat een vriend uitstappen en vertrekt meteen. Je auto is dan...
Hoe stel ik mijn auto op?
Kies de rechterkant in je rijrichting. Op een rijbaan met eenrichtingsverkeer mag je beide kanten gebruiken. Dat heft andere verboden niet op: een trottoir wordt daardoor geen parkeerplaats.
Stel je auto buiten de rijbaan op, op de gelijkgrondse berm: de berm die op dezelfde hoogte ligt als de rijbaan. Buiten de bebouwde kom mag dat op elke berm. Moeten voetgangers die berm volgen, dan laat je aan de buitenkant minstens 1,5 m begaanbare ruimte vrij.

Is de berm te smal om te parkeren? Zet je auto deels op de berm en deels op de rijbaan. Is er geen bruikbare berm, dan parkeer je op de rijbaan, voor zover dat daar mag.
Voor stilstaan gebruik je bij een te smalle berm deels de berm en deels de zijdelingse strook, of deels de rijbaan als die strook er niet is. Die strook ligt naast de middenrijbaan, afgebakend met witte onderbroken strepen. Zonder bruikbare berm gebruik je de strook, en de rijbaan alleen als ze er niet is. Parkeren mag er niet.
Sta je op de rijbaan? Blijf zo ver mogelijk van de as, evenwijdig met de rand en in één rij, behalve bij een bijzondere plaatsaanleg.

Je rijdt in een eenrichtingsstraat. Aan welke kant mag je je auto opstellen als geen andere regel het verbiedt?
En met een motorfiets, fiets of bromfiets?
Een motorfiets zonder zijspan of aanhangwagen mag haaks op de rand van de rijbaan parkeren, zolang ze de parkeermarkering niet overschrijdt. Motorfietsen mogen ook buiten de rijbaan en de parkeerstroken staan, ook op een trottoir, zonder het verkeer van anderen te hinderen of onveilig te maken.
Een fiets, een voortbewegingstoestel of een tweewielige bromfiets die niemand berijdt, telt niet als voertuig. Zet ze buiten de rijbaan en de parkeerstroken, zonder hinder of gevaar. Een onderbord, een symbool op de grond of een rek wijst hun plaats aan. Een voortbewegingstoestel voor iemand met verminderde mobiliteit mag altijd buiten de rijbaan en de parkeerstroken staan.

Waar mag ik zelfs niet even stilstaan?
Je mag niet stilstaan of parkeren waar je voertuig duidelijk gevaar kan opleveren of anderen onnodig hindert. Daarvoor hoeft geen verbodsbord te staan. Ook iemand snel laten uitstappen mag daar niet.
- Op trottoirs, en binnen de bebouwde kom op verhoogde bermen, tenzij een plaatselijke regeling of een bord het toelaat.
- Op fietspaden, op oversteekplaatsen voor voetgangers en op oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.
- Op overwegen en op verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken met witte schuine strepen.
- Op de rijbaan in een onderbrugging (de weg loopt er onder een andere weg door), in een tunnel en onder een brug. Alleen onder een brug kan een plaatselijke regeling een uitzondering maken.
- Op de rijbaan nabij een hellingtop en in een bocht wanneer het zicht onvoldoende is.
- Op verhoogde inrichtingen, een verhoging dwars op de weg om de snelheid te matigen, tenzij een plaatselijke regeling het toelaat.
Op een autosnelweg of autoweg mag je niet stilstaan of parkeren, vanaf het beginbord tot het eindbord, oprit inbegrepen. Uitzondering: parkeerstroken met het bord parkeren toegelaten. Bij een defect op de pechstrook zet je de auto veilig, signaleer je hem en draag je buiten de auto een retroreflecterend veiligheidsvest.

Dit bord verbiedt stilstaan én parkeren. Bij het bord parkeerverbod mag je nog even iemand laten uitstappen. Een opschrift kan de uren beperken.
Waar gelden de vijf en de twintig meter?
Voor stilstaan én parkeren gelden deze verboden. Meet telkens vanaf de juiste plaats:
- Op de rijbaan op minder dan 5 m vóór een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen.
- Op minder dan 5 m van de plaats waar fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen het fietspad moeten verlaten om op de rijbaan te rijden, of de rijbaan moeten verlaten om op het fietspad te rijden.
- Bij een kruispunt op minder dan 5 m van de verlenging van de dichtstbijzijnde rand van de dwarsrijbaan, tenzij een plaatselijke regeling iets anders bepaalt.
- Op minder dan 20 m vóór verkeerslichten op een kruispunt, tenzij een plaatselijke regeling iets anders bepaalt.
- Op minder dan 20 m vóór verkeerslichten buiten kruispunten en vóór verkeersborden, met de hoogte-uitzondering hieronder.
Vóór betekent: vóór het licht, het bord of de oversteekplaats, in je rijrichting. De vijf meter vóór een oversteekplaats geldt dus niet automatisch erachter. Andere verboden kunnen daar wel gelden.
Je wil op de rijbaan vóór een oversteekplaats voor voetgangers parkeren. Welke minimumafstand geldt daar?
Waar is alleen parkeren verboden?
Hieronder gaat het om parkeerverboden. Stilstaan kan nog, tenzij een andere regel, gevaar of onnodige hinder het verbiedt.
- Op minder dan 1 m vóór of achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, of waar je het instappen in of wegrijden van een ander voertuig verhindert.
- Op minder dan 15 m aan weerszijden van een haltebord voor bus, trolleybus of tram.
- Voor de inrij van een eigendom, de toegang voor auto's, behalve met het voertuig waarvan de nummerplaat leesbaar op die inrij staat.
- Waar voetgangers, fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen de rijbaan moeten gebruiken om een hindernis te omzeilen.
- Waar je de toegang tot parkeerplaatsen buiten de rijbaan belemmert, of de doorgang van spoorvoertuigen.
- Als de vrije doorgang op de rijbaan smaller zou worden dan 3 m.

Ook de inrichting van de weg kan parkeren verbieden:
- Buiten de bebouwde kom, op de rijbaan van een weg met het bord voorrangsweg.
- Buiten de bebouwde kom, links langs een rijbaan van een weg met twee rijbanen, en op de middenberm die ze scheidt.
- Op een rijbaan verdeeld in rijstroken, behalve waar het bord parkeren toegelaten staat, of het bord dat parkeren uitsluitend toelaat voor motorfietsen, personenauto's, auto's voor dubbelgebruik en minibussen.
- Op de rijbaan langs een gele onderbroken streep.
- Bij tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, als twee andere voertuigen daardoor moeilijk kunnen kruisen.
- Op de middelste rijbaan van een weg met drie rijbanen.
- Op zijdelingse stroken.
- Op plaatsen voorbehouden voor personen met een handicap, behalve voor voertuigen gebruikt door personen met een handicap die de speciale kaart hebben.
Je mag op de openbare weg ook geen voertuigen te koop of te huur tentoonstellen.
In een voetgangerszone is parkeren verboden. Stilstaan kan er niet zomaar: alleen voetgangers hebben er toegang. Mag je er volgens de borden laden of lossen, dan rijd je stapvoets en hinder je de voetgangers niet.
Welke afstand hoort bij welke situatie?
Koppel elk getal aan de plaats én de handeling: oversteekplaats of kruispunt is 5 m, licht of bord is 20 m, haltebord is 15 m en dan alleen voor parkeren.
| Afstand | Waar? | Waarvoor? |
|---|---|---|
| 5 m | Op de rijbaan vóór oversteekplaatsen; bij de overgang tussen fietspad en rijbaan; vanaf de verlenging van de rand bij kruispunten | Stilstaan en parkeren. Bij kruispunten kan een plaatselijke regeling afwijken |
| 20 m | Vóór verkeerslichten en verkeersborden | Stilstaan en parkeren, met de uitzonderingen hierboven |
| 15 m | Aan weerszijden van een haltebord | Parkeren |
| 3 m | Vrije doorgang op de rijbaan | Parkeren |
| 1,5 m | Buitenste begaanbare strook op een berm die voetgangers moeten volgen | Stilstaan en parkeren |
| 1 m | Vóór en achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig | Parkeren |
Je wil vóór een verkeerslicht op een kruispunt iemand laten uitstappen. Er geldt geen plaatselijke uitzondering. Welke minimumafstand geldt vóór het licht?
Vraag eerst wat je doet, kijk waar je staat en meet vanaf het juiste punt. Herhaal de kernregels en doe daarna de quiz.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz9









Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.