Voetgangers: regels, oversteekplaatsen en borden
- Een voetganger is ook wie een fiets, kinderwagen of rolstoel aan de hand leidt.
- Ligt er op minder dan ongeveer 20 meter een oversteekplaats voor voetgangers, dan moet je die gebruiken.
- Op de rijbaan loop je pas als er geen trottoir, berm, fietspad of ander begaanbaar deel is. Dan blijf je zo dicht mogelijk bij de rand, aan de linkerkant.
- Zonder agent of verkeerslichten verleen je als bestuurder voorrang aan wie op een oversteekplaats staat of er net op wil stappen. Een voertuig dat voor zo’n oversteekplaats stopt of ze nadert, haal je niet links in.
- Langs een voetganger op de rijbaan laat je minstens 1 meter ruimte, buiten de bebouwde kom 1,5 meter.
Elke regel apart, met de valkuilen van het examen: alles staat hieronder.
Een fiets aan de hand, een oversteekplaats op 15 meter, een auto die stilstaat voor een zebrapad: drie gewone situaties waarin je punten kunt laten liggen.
Wie is een weggebruiker en wie telt als voetganger?
Voor alle weggebruikers geldt dezelfde basis: je veroorzaakt geen hinder of gevaar, ook niet voor wegenwerkers, toezichtdiensten en prioritaire voertuigen. Voorwerpen, zwerfvuil, stoffen of een andere belemmering horen niet op de weg, en rook of stoom verspreid je er niet. Schade aan de weg vermijd je: een bestuurder matigt zijn snelheid, vermindert zijn lading of kiest een andere weg.
Een bestuurder mag kwetsbaardere weggebruikers, voetgangers en fietsers voorop, niet in gevaar brengen. Zijn ze er of kun je ze verwachten, zoals in een straat in de bebouwde kom, dan ben je dubbel voorzichtig.


Je loopt in Gent naast je fiets, die je aan de hand leidt. Wat ben je voor de wegcode?
Waar loop je als voetganger?
Je gebruikt telkens het eerste deel van de weg dat aanwezig en begaanbaar is, in deze volgorde:
- het trottoir, of een weggedeelte dat met een blauw bord aan voetgangers (al dan niet samen met fietsers) is voorbehouden;
- een weggedeelte met een blauw bord voor ruiters;
- de verhoogde berm, daarna de gelijkgrondse berm;
- de parkeerstrook, daarna de zijdelingse strook;
- het fietspad;
- de rijbaan, als laatste mogelijkheid.
Loop je op de rijbaan, dan blijf je zo dicht mogelijk bij de rand en ga je links, gezien in je looprichting. Zo zie je de voertuigen op je afkomen. Rechts mag alleen als de veiligheid het rechtvaardigt.
Loop je op het fietspad, dan verleen je doorgang aan de andere weggebruikers die erop rijden.
Je moet op de rijbaan lopen, want er is niets anders. Aan welke kant loop je, gezien in je looprichting?
Hoe steek je over, en wanneer moet je de oversteekplaats nemen?
Je steekt de rijbaan haaks over, dus recht naar de overkant. Je blijft er niet rondlopen of staan als dat niet nodig is.
Ligt er op minder dan ongeveer 20 meter een oversteekplaats voor voetgangers, ook zebrapad genoemd, dan moet je die nemen. Verder weg mag je ook elders oversteken, nog altijd haaks en voorzichtig.
Een oversteekplaats voor voetgangers ligt 15 meter verderop. Wat moet je als voetganger doen?
Wat je doet, hangt af van wie het verkeer regelt:
- Staan er voetgangerslichten? Dan ga je de rijbaan pas op als het licht dat toelaat.
- Regelt een agent of een ander bevoegd persoon het verkeer, of staan er verkeerslichten zonder voetgangerslichten? Dan houd je je aan de bevelen of aan de lichten. De bevelen van een bevoegd persoon gaan voor op de verkeerslichten.
- Regelt niemand het verkeer? Dan ga je voorzichtig de rijbaan op, met aandacht voor de voertuigen die naderen.

Loopt er een tramspoor of een eigen trambedding over de oversteekplaats en nadert er een tram, dan ga je er niet op, tenzij een verkeerslicht het je toestaat.
Loop je over een trottoir dat de rijbaan oversteekt, zoals bij een doorlopend trottoir aan een zijstraat, dan belemmer je het verkeer daar niet nodeloos.
Welke borden houden ruimte vrij voor voetgangers?
Drie ronde blauwe borden duiden een weggedeelte aan dat voor voetgangers bestemd is: één voor voetgangers, fietsers en tweewielige bromfietsen klasse A, één voor voetgangers en fietsers, en één voor voetgangers alleen.

Een vierkant blauw bord kondigt het begin aan van een weg of weggedeelte dat voorbehouden is voor voetgangers, fietsers, ruiters en bestuurders van speed pedelecs. Een tweede variant toont welk deel van de weg voor welke gebruikers bestemd is.
Voetgangers op een trottoir, op zo’n voorbehouden weggedeelte, op een berm of op een vluchtheuvel breng je als bestuurder niet in gevaar. Hetzelfde geldt in een voetgangerszone en in een speelstraat.
In een voetgangerszone hebben alleen voetgangers toegang. Voertuigen mogen er enkel in de gevallen die de wegcode opsomt, zoals prioritaire voertuigen als hun opdracht het rechtvaardigt of voertuigen van geregelde diensten voor gemeenschappelijk vervoer. Wie er mag rijden, rijdt stapvoets en laat de voetgangers door.
Het bord oversteekplaats voor voetgangers duidt de oversteekplaats aan, en een gevaarsbord met dezelfde naam kan ze aankondigen. Een ander gevaarsbord meldt een plaats waar speciaal veel kinderen komen: daar let je extra op.
Mogen groepen op de rijbaan lopen?
Stoeten, processies en groepen voetgangers met een leider mogen de rijbaan volgen. Dan gaan ze aan de rechterkant.
Een groep van minstens vijf personen met een leider mag ook aan de linkerkant van de rijbaan lopen, maar dan wel achter elkaar.
Als bestuurder mag je een stoet, een processie of een groep voetgangers niet doorbreken. Is een groep begonnen met oversteken, dan wacht je tot ze voorbij is.
Achter het stuur: wanneer verleen je voorrang aan een voetganger?
Begin bij een oversteekplaats voor voetgangers waar niemand het verkeer regelt: geen agent, geen verkeerslichten. Je nadert met matige snelheid en je verleent voorrang aan de voetgangers die op de oversteekplaats staan of er op het punt staan op te stappen.
Voorrang verlenen betekent dat je pas verder rijdt als dat zonder gevaar kan, gelet op de plaats, de snelheid en de afstand van de andere weggebruikers.
Tweede reflex: je haalt niet in vlak voor een oversteekplaats. Rijdt er een auto, bus of motor voor je die stopt voor een oversteekplaats of er een nadert, dan is links inhalen verboden waar geen agent en geen verkeerslichten het verkeer regelen.
In Leuven nadert de auto voor je een oversteekplaats voor voetgangers. Er zijn geen verkeerslichten en geen agent. Mag je haar links inhalen?
Regelt wel een bevoegd persoon of een verkeerslicht het verkeer, dan laat je voetgangers die volgens de regels zijn vertrokken, bijvoorbeeld bij groen licht, hun oversteek in een normaal tempo afmaken, ook als je richting al is vrijgegeven. Is je richting gesloten, dan stop je voor de oversteekplaats.
Rijd een oversteekplaats niet op als je er waarschijnlijk zou moeten stilstaan omdat het verkeer vastzit.
Steek je als bestuurder een trottoir over, bijvoorbeeld bij het uitrijden van een garage, dan verleen je voorrang aan wie het trottoir gebruikt.
Voor wie moet je extra voorzichtig zijn, en wat doe je bij een halte?
Voor kinderen, bejaarden en personen met een handicap ben je dubbel voorzichtig: je vertraagt en je stopt zo nodig.
Dat geldt zeker voor blinden met een witte of gele stok, en voor personen met een handicap in een voertuig dat ze zelf voortbewegen of dat een elektrische motor heeft waarmee je niet sneller dan stapvoets kunt rijden.
Staat een tram, bus of autocar stil om reizigers te laten in- of uitstappen, dan matig je je snelheid als je er langs rijdt.
Is er aan de halte geen vluchtheuvel en rijd je langs de kant waar de reizigers in- of uitstappen, dan stop je. Zo kunnen ze veilig het voertuig, het trottoir of de berm bereiken. Pas daarna rijd je weer weg, met matige snelheid.

Hoeveel ruimte laat je voor een voetganger op de rijbaan?
Moeten voetgangers door een hindernis de rijbaan op, bijvoorbeeld door werken, dan laat je langs die hindernis minstens 1 meter vrije ruimte. Lukt dat niet en loopt er een voetganger ter hoogte van de hindernis, dan rijd je er niet sneller dan stapvoets langs.
Loopt een voetganger op de rijbaan, op een manier die de wegcode toelaat, dan houd je minstens 1 meter zijdelingse afstand van hem. Buiten de bebouwde kom is dat minstens 1,5 meter. Lukt dat niet, dan rijd je stapvoets en stop je zo nodig.
Herhaal nu de kaartjes hieronder en test met de oefenvragen of de 20 meter, de linkerkant en de voorrang op de oversteekplaats echt zitten.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz8








Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.