Weer en milieu: aquaplaning, ijzel, claxon en LEZ
- Claxon: zo kort mogelijk, alleen om een ongeval te voorkomen. Buiten de bebouwde kom ook om een inhaalmanoeuvre aan te kondigen. Tussen avond en ochtend wissel je grootlichten en dimlichten af, behalve bij dreigend gevaar.
- Motor in vrijloopstand: niet herhaaldelijk gas geven. Laten draaien mag alleen als het nodig is.
- Mistlichten: vooraan alleen bij mist, sneeuwval of felle regen, en nooit verplicht. Achteraan wel verplicht, als je auto ze heeft, onder ongeveer 100 meter zicht bij mist of sneeuw, en bij felle regen.
- Slecht weer: eerst je snelheid aanpassen en meer afstand houden. Zicht onder ongeveer 200 meter: dimlichten of grootlichten.
- Slippen: zacht sturen naar waar je heen wilt. Geen bruuske beweging.
Elke regel hieronder, met beelden en vragen om te oefenen.
Regen, sneeuw, mist of ijzel: je eerste zet is trager rijden. Voor het theorie-examen moet je ook weten wat mag met de claxon bij nacht, de mistlichten en een motor die draait terwijl je stilstaat. Eerst het milieu, daarna het weer.
Wanneer mag je claxonneren?
Het geluidstoestel, je claxon, is geen manier om je frustratie te uiten. Andere toestellen om geluid te maken mag je niet gebruiken. Een geluidssignaal blijft zo kort mogelijk.
- In de bebouwde kom mag je alleen claxonneren om een ongeval te voorkomen.
- Buiten de bebouwde kom mag het ook om een bestuurder te waarschuwen die je wilt inhalen.
- Tussen avond en ochtend vervang je de claxon door het kort afwisselen van grootlichten en dimlichten, behalve bij dreigend gevaar.

Het is nacht in Gent. Je wilt een andere bestuurder waarschuwen. Er is geen dreigend gevaar. Wat doe je?
Mag je motor blijven draaien als je stilstaat?
Twee verboden, allebei over de motor in vrijloopstand (hij draait, maar er zit geen versnelling in):
- je mag de motor niet herhaaldelijk versnellen, ook niet als je denkt dat je niemand hindert;
- je mag de motor niet laten draaien, behalve als het nodig is.
Draait je motor in vrijloopstand zonder dat het nodig is, dan zet je hem af. Ook als je stilstaat, verbruikt hij brandstof en stoot hij uitlaatgassen uit.
Lawaai dat mensen stoort of dieren doet schrikken is verboden. Rook en vervuilende gassen boven de toegelaten grens ook. Een kort rookwolkje bij het starten mag.

Je staat met je auto stil in Mechelen, buiten elke lage-emissiezone. Gelden de regels voor de motor in vrijloopstand hier ook?
Wat is een lage-emissiezone?

Een gemeente kan zo'n zone invoeren op de gemeentewegen en de gewestwegen op haar grondgebied. Op de autosnelweg kan ze dat niet. Rijd je de zone in, dan beslist de Euronorm van je motor, de Europese norm voor zijn uitstoot, of je er mag zijn.
Voor auto's en bestelwagens geldt sinds 1 januari 2020 dit:
- een diesel moet minstens aan Euronorm 5 voldoen;
- een benzine- of aardgasmotor moet minstens aan Euronorm 2 voldoen;
- lpg, aardgas en bio-ethanol tellen als benzine;
- bij een hybride telt de verbrandingsmotor.
Voldoet je auto niet aan de norm, dan kan de gemeente de toegang verbieden of voorwaarden stellen. Elektrische voertuigen, voertuigen op waterstof en prioritaire voertuigen mogen altijd in.
Een zone 30 is iets anders: daar is de snelheid beperkt tot 30 km/u. Trager rijden geeft ook minder lawaai en minder uitlaatgassen. Twee dingen die jij zelf doet, maken nog meer verschil:
- soepel rijden, zonder bruusk optrekken of remmen: je stoot minder uit en je verbruikt minder brandstof;
- een start-stopsysteem: de motor valt vanzelf stil als je stilstaat. Hoe je verbruik echt daalt, staat in de les zuinig rijden.
Slecht weer: wat verander je eerst?
Je snelheid. Die stem je af op het weer, het zicht, de staat van de weg en de staat van je auto. Regen, sneeuw, ijzel, mist en harde wind verhogen het risico. Trager rijden is het eerste juiste antwoord.

Het zicht telt mee. Wordt het donker, of rijd je 's nachts, dan rijd je trager. Minder grip, door de banden, het wegdek of het weer, maakt de remweg langer.
Tussen avond en ochtend, en zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, gebruik je vooraan dimlichten of grootlichten. De rest van de lichten staat in de les verlichting en zichtbaarheid.
Die plicht geldt terwijl je rijdt. De voormistlichten mogen dan de dimlichten of de grootlichten vervangen, of samen met hen branden.
Sta je stil of geparkeerd, bijvoorbeeld om iemand te laten uitstappen? Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, of als je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, mag je dan bij mist, sneeuwval of felle regen je dimlichten of je mistlichten gebruiken. Het moet niet.

Felle regen, overdag, op de ring van Antwerpen. Wat geldt voor je achtermistlicht?

Zie je een bord met 90 km/u, dan is dat het maximum op die weg. Slecht weer schrapt dat bord niet: je rijdt nooit sneller dan dat, en je rijdt trager zodra de regen, de sneeuw of de mist dat vraagt.
Zonder bord geldt buiten de bebouwde kom in Vlaanderen 70 km/u. Op de autosnelweg is het 120 km/u. Dat geldt ook op een weg met minstens twee rijstroken per richting, als de richtingen gescheiden zijn door iets anders dan wegmarkeringen, zoals een middenberm. Een bord kan een andere snelheid opleggen of toelaten.
Wat is aquaplaning en hoe vermijd je het?
Regen heeft twee gevolgen: je ziet minder, en je grip daalt. Dit doe je dan:
- je verlaagt je snelheid, zeker in de bocht;
- je vergroot je veiligheidsafstand: je moet kunnen stoppen voor een hindernis die je kunt voorzien, en je remweg wordt duidelijk langer;
- je mijdt plassen: ze verbergen putten, en rijd je er te snel door, dan riskeer je aquaplaning;
- je remt zacht, zodat de wielen niet blokkeren;
- je houdt ruitenwissers en ontwaseming in orde;
- je doet je dimlichten aan om gezien te worden, ook overdag als het zicht daalt tot ongeveer 200 meter.
De rijbaan is nat. Hoeveel afstand houd je tot je voorligger?
Ijzel en sneeuw: hoe houd je de auto in de hand?
Ijzel maakt de rijbaan extreem glad. Eén bruuske beweging en je verliest de controle. Zo pak je het aan:
- je rijdt trager, aan een gematigde snelheid;
- je vergroot de afstand tot je voorligger, want stoppen duurt langer;
- met ABS rem je stevig door; zonder ABS pomp je zacht op het pedaal;
- je doet je lichten aan zodat anderen je zien;
- je kijkt uit voor zwarte ijzel: die is nauwelijks te zien;
- bij een slip stuur je zacht naar waar je heen wilt;
- is het te gevaarlijk, dan stel je de rit uit.
Op sneeuw doe je alles even zacht. Je vertrekt zacht, zodat de wielen niet doordraaien, en een bocht neem je traag. Voor je rijdt, veeg je de sneeuw van dak, motorkap en ruiten, en ontdooi je de ramen.

Banden met de aanduiding M+S grijpen beter op sneeuw. Ligt hun snelheidscategorie lager dan die van de originele banden én lager dan de topsnelheid van je auto, dan mag je ze alleen monteren van 1 oktober tot 30 april. Je rijdt dan niet sneller dan die lagere limiet, en in de auto hangt een plaatje met die snelheid, op een plaats die jij ziet.
Het profiel van de hoofdgroeven is minstens 1,6 mm diep. Het linnen onder het rubber mag nergens zichtbaar zijn. Sneeuwkettingen mogen alleen bij sneeuw of ijzel. Spijkerbanden zijn verboden.
Je auto slipt op ijzel, ergens buiten Brugge. Wat is je eerste reflex?
Korte claxon, motor uit als het niet nodig is, ongeveer 100 meter, meer afstand, zachte bewegingen. Daarmee ken je de reflexen van deze les. Oefen ze met de herhaling, en doe daarna de quiz hieronder.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz2


Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.