De dode hoek
- Een dode hoek is een zone rond je voertuig die je vanuit je zithouding niet rechtstreeks en ook niet in je spiegels ziet.
- Stel je spiegels goed af. Ga er daarna niet van uit dat je alles rond je auto kunt zien.
- Kijk vóór je opzij rijdt ook over je schouder, aan de kant waar je naartoe wilt.
- Bij een gewone rijstrookwissel verleen je voorrang. Je richtingaanwijzer verandert dat niet. Voor ritsen geldt een aparte regeling.
- Naast een vrachtwagen of bus neem je niet aan dat de chauffeur je gezien heeft. Vermijd de ruimte rechts naast een voertuig dat rechts wil afslaan.
Hieronder oefen je waar je kijkt, wanneer je wacht en hoe je rekening houdt met het zicht van een andere bestuurder.
Je wilt naar links en je spiegel lijkt leeg. Toch kan er naast je een motorfiets rijden. Alleen naar je spiegel kijken is dus geen goede basis om opzij te sturen. Ga dus eerst na of de ruimte echt vrij is voor je opzij stuurt.
Wat is een dode hoek?
Denk aan een fietser die schuin naast je rijdt. Je kijkt vooruit en merkt hem niet op. In je buitenspiegel zie je hem evenmin. Als je dan opzij rijdt, kun je zijn plaats op de weg innemen.
Dit gaat niet over mist of duisternis. Het gaat over wat je vanuit je bestuurdersstoel kunt zien. Daarom horen je spiegels en rechtstreeks rondkijken samen. Met één blik in één spiegel ben je niet klaar.
Je hebt je spiegels goed afgesteld. Kun je nu opzij rijden zonder verder te kijken?
Waar moet je rond je auto extra kijken?
Leer de auto kennen waarmee je oefent. Ga eerst goed zitten en stel dan, vóór je vertrekt, je spiegels af.
Je binnenspiegel staat goed als de bovenrand van de spiegel op dezelfde lijn staat als de bovenkant van de achterruit. In elke buitenspiegel zie je nog net de zijkant van je auto en een zo groot mogelijk deel van de weg. Als vuistregel zie je een derde lucht en twee derde grond.
Gebruik daarna deze aandachtspunten om samen met je begeleider of instructeur je zicht te verkennen:
- Schuin achter je, links en rechts. Controleer waar een voertuig naast je uit het spiegelbeeld verdwijnt. Daar is rechtstreeks kijken nodig voordat je naar die kant opschuift.
- Vlak achter de auto. Controleer ook het gebied laag achter je voertuig. Vertrouw voor dat gebied niet alleen op wat je door de achterruit ziet.
- Vooraan bij de stijlen van de voorruit. Aan een kruispunt kan een voetganger of fietser achter zo'n stijl verdwijnen. Beweeg je hoofd om eromheen te kijken.
Zie dit als een kijkoefening: elke auto heeft andere dode hoeken. Je moet weten wat jij in jouw auto wel en niet ziet. Laat je begeleider of instructeur het je tonen terwijl de auto stilstaat op een veilige plek.
Hoe controleer je vóór je van rijstrook verandert?

Je rijdt op de autosnelweg bij Gent en wilt naar links. Begin met vooruitkijken: wat doet het verkeer voor je? Controleer daarna het verkeer achter en naast je. Deze volgorde helpt je om niets over te slaan:
- Kijk in de binnenspiegel naar het verkeer achter je.
- Kijk in de buitenspiegel aan de kant waar je naartoe wilt.
- Zet je richtingaanwijzer tijdig aan, zodat anderen je bedoeling begrijpen.
- Kijk kort over je schouder aan diezelfde kant en houd ook de weg voor je in het oog.
- Rijd pas opzij als dat veilig kan en je de voorrang respecteert.
Dit is een praktische kijkroutine. Je voert geen rijstrookwissel uit omdat je alle stappen hebt afgewerkt. Zie je iemand naast je, dan wacht je. Heb je moeten wachten? Kijk dan opnieuw voor je opzij rijdt.
Let op de uitzondering: ritsen. Bij sterk vertraagd verkeer houdt een rijstrook soms op of is ze versperd. Wie op die rijstrook rijdt, mag pas vlak voor de versmalling invoegen. De bestuurders op de vrije rijstrook moeten daar om beurten voorrang verlenen aan één invoegende bestuurder. Ook daarbij kijk je goed of de ruimte vrij is.
Pas dezelfde aandacht toe bij invoegen op de autosnelweg, wegrijden uit een parkeerplaats en inhalen. Vóór je links inhaalt, controleer je ook of niemand achter je al begonnen is in te halen. Terug naar rechts ga je pas zodra dat veilig kan.
Als geheugensteun onthoud je drie woorden: spiegels, richtingaanwijzer, schouder. Zodra je opzij bent gereden, zet je de richtingaanwijzer uit. Het kijken blijft doorlopen: verkeer dat je daarnet zag, kan intussen ergens anders rijden.
Je wilt op de autosnelweg van rijstrook veranderen. Je hebt in je spiegels gekeken en je richtingaanwijzer staat aan. Wat doe je nog vóór je opzij rijdt?
Wat doe je naast een vrachtwagen of bus?

Bij een vrachtwagen of bus bekijk je de situatie ook vanuit de chauffeur. Je weet niet precies wat die vanuit de cabine ziet. Blijf daarom alert vlak voor het voertuig, langs de zijkanten en achteraan.
Kun je de chauffeur niet zien in zijn spiegel? Neem dan niet aan dat hij jou heeft opgemerkt. Kun je hem wel zien, dan weet je nog niet of hij naar je kijkt.
Wil je met de auto een vrachtwagen inhalen, controleer dan vooraf of je dat veilig en in korte tijd kunt doen. Begin niet als je daarna naast hem vast komt te zitten. Je moet ook zonder hinder weer naar rechts kunnen.
Fiets je achter een vrachtwagen die rechts wil afslaan? Wacht dan op afstand achter het voertuig tot hij afgeslagen is. Dat is geen verkeersregel, wel een verstandige voorzorg. Ga niet rechts naast het voertuig staan, ook niet terwijl het voor rood wacht.
Wachten achter het voertuig betekent niet automatisch dat de chauffeur je ziet. Het voorkomt vooral dat je je naast hem in de gevaarlijke ruimte plaatst. De chauffeur moet zelf blijven controleren dat hij zonder gevaar kan afslaan.
Je fietst achter een vrachtwagen die voor rood staat met de rechterrichtingaanwijzer aan. Wat is de veilige keuze?
Hoe houd je rekening met fietsers, motorfietsers en steps?
Zoek bij het rondkijken ook naar fietsers, bromfietsers, motorfietsers en elektrische steps. Kijk niet alleen naar de plaats waar je een auto verwacht. Controleer de ruimte naast je en blijf volgen wat de andere weggebruikers doen.
Je slaat in Leuven rechts af en kruist daarbij een fietspad. Kijk rechts naast en achter je. Bij het oversteken van het fietspad verleen je voorrang aan de weggebruikers die het volgens de regels gebruiken.
Ook zonder fietspad kan een fietser naast je verder rijden. Bij het afslaan verleen je voorrang aan bestuurders en voetgangers die andere delen van dezelfde openbare weg volgen. Je verleent ook voorrang aan voetgangers die de rijbaan oversteken die je oprijdt.
Zit je zelf op de fiets of op een elektrische step, wees dan ook voorzichtig rond een bus. Wacht in zo'n situatie liever op afstand achter het voertuig dan je in de ruimte rechts ernaast te wringen.
Waar kijk je vóór je het portier opent?
Je bent geparkeerd. Een fietser komt langs de auto's gereden en jij wilt uitstappen. Ook nu moet je eerst kijken. Een geopend portier kan de fietser hinderen of in gevaar brengen.
Een portier openen of openlaten, instappen of uitstappen: dat mag pas als je hebt nagegaan dat je daarmee niemand kunt hinderen of in gevaar brengen. Denk vooral aan voetgangers en aan bestuurders van tweewielers, zoals fietsers. Dit geldt voor de bestuurder én de passagiers.
Kijk eerst in de spiegel aan de kant waar je uitstapt en controleer de omgeving rechtstreeks. Komt er iemand aan die je zou hinderen, wacht dan. Kijk bij het voorzichtig openen opnieuw door de opening voordat je het portier verder opent.
Je weet nu waarom een lege spiegel niet genoeg is. Stel je spiegels af, controleer rechtstreeks en geef anderen de ruimte waarop ze recht hebben. Herhaal de kernpunten met de herhalingskaarten en oefen daarna de situaties in de quiz.