Aanwijzingsborden: betekenis en voorbeelden per groep
- Aanwijzingsborden geven informatie: richtingen, het soort weg, zones, voorbehouden rijstroken en voorzieningen.
- Vanaf het bord van de bebouwde kom mag je maximaal 50 km/u, tenzij een ander bord iets anders zegt.
- Autosnelweg, autoweg, woonerf en erf: de bijzondere regels gelden vanaf het bord.
- Pijlen die recht omhoog of omlaag wijzen betekenen rechtdoor, schuine pijlen afslaan, en elke pijl is één rijstrook.
- Een blauwe wegwijzer met een fietser, een ruiter of een voetganger toont een aanbevolen route voor die weggebruikers, een bruine wijst naar een toeristische bestemming.
De borden per groep, met afbeeldingen en de valkuilen: alles staat hieronder.
Je rijdt Leuven binnen, je passeert een wit bord en je maximumsnelheid is ineens lager. Het bord verbiedt niets en verplicht niets, het geeft alleen informatie. Toch geldt vanaf dat bord 50 km/u, tenzij een ander bord iets anders zegt. Zo zijn aanwijzingsborden: ze lijken onschuldig, maar er zitten regels aan vast. In groepen leer je ze vlot.
Wat zijn aanwijzingsborden?
Ze staan op plaatsen die passen bij wat ze aanduiden. Ze wijzen je niet alleen de weg, ze zeggen ook welk soort weg je opdraait en waar je een parking, een tankstation of een nooduitgang vindt.
Bebouwde kom, zone 30, woonerf en erf: welke regels gelden vanaf het bord?
Het bord begin van de bebouwde kom staat rechts, op elke toegangsweg. Het mag links herhaald worden. Vanaf dat bord is je snelheid beperkt tot 50 km/u. Bij de uitgang staat het bord einde van de bebouwde kom.

Staat er in de bebouwde kom een bord met een andere snelheid, dan geldt vanaf het volgende kruispunt weer 50 km/u. Buiten de bebouwde kom geldt op de meeste wegen 70 km/u, en 90 km/u mag alleen waar een bord het toelaat.
Je rijdt in Brugge de bebouwde kom binnen en passeert het bord. Welke maximumsnelheid geldt er, als er geen ander bord staat?
Hetzelfde principe geldt voor de zone 30. Het bord begin van een zone met een snelheidsbeperking van 30 km/u staat rechts aan elke toegang, het bord einde aan elke uitgang. Tussen die twee borden rijd je maximaal 30 km/u. Ligt de zone in een bebouwde kom, dan geldt na het einde ervan weer 50 km/u.

Vanaf het bord begin van een woonerf of erf gelden bijzondere regels:
- je rijdt er maximaal 20 km/u;
- voetgangers mogen de hele breedte van de weg gebruiken en er spelen;
- jij brengt voetgangers niet in gevaar, je hindert ze niet, je stopt zo nodig en je bent dubbel voorzichtig bij kinderen;
- parkeren mag alleen op de plaatsen die als parkeerplaats zijn aangeduid.

Je rijdt in Mechelen een woonerf binnen. Wat is je maximumsnelheid?
Autosnelweg, autoweg en tunnel: wat verandert er?
Bij de grote wegen werkt het net zoals bij de zones: het eerste bord zet een pakket regels in gang. De bijzondere regels voor de autosnelweg gelden vanaf de plaats waar het bord begin of oprit van een autosnelweg staat, tot het bord einde van een autosnelweg. Voor de autoweg is het hetzelfde, van het bord autoweg tot het bord einde van een autoweg.


Het bord tunnel is bedoeld voor een tunnel die langer is dan 500 meter. Op een onderbord staan de lengte en eventueel de naam van de tunnel.

Het bord tunnel staat bij een tunnel die langer is dan…
Pijlen en rijstroken: hoe lees je de borden voor de keuze van een rijstrook?
Net voor een kruispunt of een splitsing van de weg helpen borden je om op tijd de juiste rijstrook te nemen. Een eerste bord kondigt de pijlen op de rijbaan aan en schrijft voor welke rijstrook je neemt. Het kan aangevuld worden met de stroken voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen. Er is ook een opstelvak voor die weggebruikers.
Daarna komt het bord voor de keuze van een richting. Je leest het met drie regels:
- pijlen die recht omlaag of omhoog wijzen horen bij de richtingen die rechtdoor gaan;
- schuine pijlen horen bij de richtingen waar je afslaat;
- het aantal pijlen is het aantal rijstroken.
Op een bord voor de keuze van een richting komt het aantal pijlen overeen met…
In dezelfde groep vind je ook:
- de busstrook, een rijstrook voor autobussen, afgebakend met brede onderbroken witte strepen of een dambordmarkering;
- de bijzondere overrijdbare bedding, voorbehouden voor voertuigen van het gemeenschappelijk vervoer en afgebakend met brede doorlopende witte strepen of een dambordmarkering;
- eenrichtingsverkeer: mogen fietsers in beide richtingen rijden, dan staat er een onderbord onder het bord;
- het bord rechts of links voorbijrijden toegelaten;
- een bord voor een gevaar of een regel die maar voor één of meer rijstroken geldt, op een rijbaan met meerdere rijstroken in dezelfde richting.
Hangt een bord boven een rijstrook, dan geldt het alleen voor die rijstrook.

Wegwijzers en nummers: hoe vind je je weg?
Elk soort weg heeft zijn eigen nummerbord: de gewone weg, de autosnelweg, de internationale weg en de ring.

Om je te oriënteren volgen daarna de voorwegwijzer, die een richting vooraf aankondigt, de wegwijzer, met of zonder afstand in kilometer, en het plaatsnaambord. Gaat de route over een autosnelweg of een autoweg, dan staat het symbool daarvan op de wegwijzer. Een wegwijzer voor een route over een autosnelweg is groen.
Veel wegwijzers tonen een symbool: een luchthaven, een haven (ook met car-ferry), een bedrijf of industriepark of een beurs- of tentoonstellingshal. Andere wijzen naar openbare diensten (politie, brandweer, station, postkantoor, stadhuis of gemeentehuis, gerechtsgebouw) of naar toeristische bestemmingen (sportcentrum, kasteel, ruïnes, klooster of abdij, natuurpark, monument).
Er zijn ook wegwijzers naar logies en eten: jeugdherberg, overnachtingsgelegenheid, kampeerterrein, caravanterrein, restaurant, vakantiedorp, hotel of motel en drankgelegenheid. Ook het trefpunt voor toeristische informatie heeft een eigen bord.
Voorzieningen en noodgevallen: welke borden zie je onderweg?
Eerst de borden die je voor een onaangename verrassing behoeden:
- de doodlopende weg en de variant doodlopende weg, uitgezonderd voor voetgangers en fietsers;
- het einde van de werken;
- de oversteekplaats voor voetgangers en de oversteekplaats voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;
- de borden die afslaande bestuurders wijzen op fietsers of bestuurders van tweewielige bromfietsen die dezelfde weg volgen, of op een oversteekplaats voor voetgangers;
- de ondergrondse of bovengrondse oversteekplaats voor voetgangers;
- de verhoogde inrichtingen, zoals een verkeersdrempel: je nadert ze met dubbele voorzichtigheid en matige snelheid, zodat je er niet sneller dan 30 km/u over rijdt.

Een doodlopende weg met een voetganger en een fiets bovenaan op het bord. Wat betekent dat?

Verder zie je borden voor een parking en een overdekte parking, voor een telefoon en een noodtelefoon, en voor het tankstation. Op dat laatste heeft elke brandstof een eigen vakje, van links naar rechts: benzine en diesel, LPG, CNG, LNG, waterstof en elektriciteit.

En voor noodgevallen:
- in tunnels de nooduitgang en de vluchtroute, die de dichtstbijzijnde nooduitgang in de aangeduide richting toont, met de afstand in meter;
- de verplegingsinrichting (bijvoorbeeld een ziekenhuis) en de hulppost;
- het brandblusapparaat en de waterloop;
- de noodstopstrook en de versmalling die de omvang van een rijstrook heeft, waarvan het symbool aan de plaats aangepast mag worden;
- de vluchthaven: een onderbord met symbolen toont of er een noodtelefoon en een brandblusser zijn;
- de radio-omroep die verkeersinformatie geeft.
Je kent nu de grootste familie van het hoofdstuk in vijf groepen: zones, grote wegen, pijlen en rijstroken, wegwijzers en voorzieningen. Leer ze ook zo, per groep: een groep onthoud je makkelijker dan een los bord. De herhaling hieronder zet de kernpunten op kaartjes, de oefenvragen testen daarna of je elk bord meteen herkent.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz14














Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.