Tunnels: afstand houden, pech en brand
- Voor de ingang: dimlichten aan zodra je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter.
- Geen vast aantal meter: een voldoende veiligheidsafstand voor jouw snelheid.
- Op autosnelweg en autoweg: niet keren en niet achteruitrijden. Op de rijbaan in een tunnel: niet stilstaan.
- Bij pech: vluchthaven, of zo ver mogelijk van de as. Kan de auto niet weg of staat hij waar stilstaan verboden is: gevaarsdriehoek.
- Bij brand: de tunnel uit als de auto nog rijdt, anders de nooduitgang volgen.
Vier momenten, in volgorde: voor je inrijdt, terwijl je rijdt, bij pech en bij brand.
In een tunnel wordt het midden op de dag plots donker. Geen berm om even te blijven staan, geen plaats om te keren, en het einde van de tunnel kan nog ver weg zijn. Veiligheid in tunnels hoort bij de leerstof van het theorie-examen. Je moet de juiste volgorde zo goed kennen dat je ze zonder nadenken volgt.
Het komt neer op vier momenten: voor de ingang, tijdens het rijden, bij pech en bij brand. We nemen ze een voor een door.
Wat doe je voor je een tunnel inrijdt?
Buiten kan de zon schijnen terwijl het binnen meteen donker is. Overdag hangen je lichten dus af van wat je nog ziet, niet van het uur.
Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en elke keer dat je niet meer duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter, gebruik je vooraan de dimlichten of de grootlichten. In een tunnel zijn dat bijna altijd de dimlichten.
De grootlichten doof je en je schakelt over op dimlichten wanneer de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is, zodat je tot op ongeveer 100 meter duidelijk ziet. Hetzelfde doe je wanneer je een andere auto volgt op minder dan 50 meter, behalve tijdens het inhalen.
Zet de dimlichten aan voor de ingang. Dan zoek je de schakelaar niet terwijl je ogen nog moeten wennen.

Het blauwe bord met een witte tunnel erop kondigt een tunnel aan van meer dan 500 meter. Je ziet het aan elke ingang. Een onderbord geeft de lengte, en eventueel de naam. Is de tunnel langer dan 3 000 meter, dan zie je om de 1 000 meter hoeveel er nog rest.
De snelheid verandert niet omdat je een tunnel inrijdt. In de bebouwde kom is dat 50 km/u, tenzij een bord een andere snelheid aanduidt. Buiten de bebouwde kom geldt in Vlaanderen 70 km/u. 90 km/u mag alleen waar een bord 90 toont.
Op de autosnelweg is het maximum 120 km/u. Buiten de bebouwde kom geldt dat ook op een weg met minstens twee rijstroken in elke richting, als de richtingen anders dan met wegmarkeringen gescheiden zijn.
Een rond bord met een getal kan een lagere snelheid opleggen. Dat geldt tot en met het volgende kruispunt, tot een ander snelheidsbord of tot het bord van het begin of het einde van een bebouwde kom, woonerf, erf of voetgangerszone.
Op de autosnelweg rijd je niet trager dan 70 km/u, behalve als een bord een lagere snelheid oplegt. Je past je snelheid wel altijd aan het zicht, het verkeer en de staat van de weg aan. Een donkere ingang is zo'n moment.
Soms staat er een bord dat een radio-omroep aanduidt waarop je verkeersinformatie hoort. Op dat bord staan de naam van de zender en de frequentie.
Middag, volle zon. In de tunnel zie je niet meer duidelijk tot op ongeveer 200 meter. Wat doe je met je lichten?
Welke afstand houd je, en mag je keren?
Er is dus geen vast getal dat in elke tunnel geldt. Hoe sneller je rijdt, hoe meer ruimte je nodig hebt om te stoppen. Een bord ter plaatse kan wel een andere snelheid opleggen. Dat bord volg je.
Op een autosnelweg en op een autoweg is keren verboden. Achteruitrijden ook, net als rijden in de tegenovergestelde richting. Dat geldt ook in een tunnel op die wegen, bijvoorbeeld op de ring van Antwerpen.
Op een andere weg zijn keren en achteruitrijden manoeuvres. Je verleent daarbij voorrang aan de andere weggebruikers. In een tunnel lukt dat niet veilig: op de rijbaan mag je er niet stilstaan en niet parkeren.
Je afrit gemist? Je rijdt door tot je buiten bent, en je keert waar het mag.
Je hebt je afrit in de tunnel gemist. Wat doe je?
Wat doe je als er file staat in de tunnel?
Bij file vormen de bestuurders een reddingsstrook. Dat is de vrije ruimte tussen de rijstroken, zodat hulp tot bij het incident raakt. In een tunnel is er geen andere plaats om uit te wijken.
Bestaat de rijbaan uit twee rijstroken, dan ga je op de linkerrijstrook uiterst links en op de rechterrijstrook uiterst rechts. De opening ontstaat tussen de twee rijen.
Zijn er meer dan twee rijstroken, dan blijft de linkerrijstrook uiterst links en schuift de rest naar rechts. De opening ligt dan naast de linkerrijstrook.
Door die strook mogen prioritaire voertuigen als hun opdracht dat vraagt, de diensten die het openbaar ministerie of de politie oproept, en de takelwagens die naar het incident rijden. Jij blijft eraf.
Pech: waar zet je de auto, en hoe verwittig je?
De motor valt stil of een band loopt leeg. Als het nog kan, zet je de auto eerst zo dat het andere verkeer er veilig langs kan.

Is er een vluchthaven, dan zet je de auto daar: op de rijbaan van een tunnel mag je niet stilstaan. Het bord vluchthaven wijst die plaats aan. Een onderbord kan tonen dat er een noodtelefoon en een brandblusser zijn.
Geen vluchthaven? Dan stel je het voertuig op zoals een geparkeerd voertuig: rechts ten opzichte van je rijrichting. Heeft de rijbaan eenrichtingsverkeer, dan mag het ook links. Staat het op de rijbaan, dan zo ver mogelijk van de as, evenwijdig met de rand, in één file.
Verwar de vluchthaven niet met het bord noodstopstrook. Dat bord staat alleen waar een noodstopstrook is aangelegd.
Kun je de auto niet verplaatsen, of kan hij alleen staan waar stilstaan en parkeren verboden zijn, zoals op de rijbaan in de tunnel, dan signaleer je hem op afstand met de gevaarsdriehoek. Op een gewone weg minstens 30 meter ervoor, op de autosnelweg minstens 100 meter, zodat naderend verkeer hem ziet van op ongeveer 50 meter.
In de bebouwde kom, als die 30 meter niet kan, mag de driehoek dichterbij of op het voertuig. Alle richtingaanwijzers tegelijk mag je erbij aanzetten. Dat mag bij een defect voertuig, of om een dreigend gevaar voor een ongeval aan te geven. Die lichten vervangen de driehoek niet.
Op een autosnelweg of autoweg trek je een retroreflecterend veiligheidsvest aan zodra je uitstapt, als je staat waar je niet mag stoppen of parkeren. In een tunnel op die wegen dus wel. Op een gewone weg geldt die vestplicht niet automatisch.
In een hulppost kan een noodtelefoon hangen: het bord noodtelefoon toont dat. Je gsm kan ook bereik hebben, maar de noodtelefoon hoort bij de uitrusting van de tunnel.
Je opent het portier pas wanneer je zeker bent dat je niemand in gevaar brengt, zeker geen voetganger of tweewieler.
Je staat met pech in de tunnel en je wilt hulp roepen. Wat gebruik je in de hulppost?
Wat doe je bij brand in een tunnel?
Je auto vat vuur. Rijdt hij nog, dan blijf je niet op de rijbaan staan, want in een tunnel is stilstaan daar verboden. Je rijdt de tunnel uit zolang dat nog kan.
Kan de auto niet meer rijden, dan stel je hem zo goed mogelijk op en signaleer je hem, zoals bij pech.

Het bord brandblusapparaat toont dat de hulppost er een heeft. Zit die post achter een deur, dan staat erbij dat deze zone niet brandbestendig is. Je schuilt daar niet. Je volgt de aanwijzingen naar de nooduitgangen.
Het bord nooduitgang duidt de uitgangen aan. Het bord vluchtroute toont de dichtstbijzijnde nooduitgang in de aangeduide richting, met de afstand in meter. Die borden hangen op de tunnelwand, maximaal 25 meter van elkaar en op 1 tot 1,5 meter boven de weg.
Het brandt en de hulppost zit achter een deur. Waar ga je heen?
Dimlichten als het zicht wegvalt, voldoende afstand, niet stilstaan op de rijbaan, bij pech de vluchthaven of anders de gevaarsdriehoek, bij brand de nooduitgang. Herhaal die volgorde, en toets ze daarna in de quiz.
De verkeersborden in deze lesJe herhalingsfiche: de vorm en de betekenis, vóór de quiz9









Verkeersborden uit de Belgische signalisatie. Elk bord wordt uitgelegd in de bijhorende les in hoofdstuk 2 van de cursus.