Voertuigcontroles: banden, verplichte uitrusting en pech
- Banden: hoofdgroeven minstens 1,6 mm, nergens zichtbaar linnen, spanning aan het ventiel of op het dashboard.
- Aan boord: veiligheidsvest, gevaarsdriehoek, brandblustoestel en verbandetui. Een ademtesttoestel hoort er niet bij.
- Pech op de autosnelweg: driehoek op minstens 100 meter, vest aan zodra je uitstapt waar je niet mag stoppen.
- Olie of brandstof op abnormale wijze op de weg laten vallen mag niet. Op het praktijkexamen wijs je soms het reservoir van de ruitensproeiers aan, en dan sluit je de motorkap goed.
- Voor je uitstapt: parkeerrem aan, ook op vlak terrein, portier pas open na een blik, spiegel inklappen als hij hindert.
Afstanden, het brandblustoestel en de controles van het praktijkexamen: hieronder, in de volgorde van een echt vertrek.
Een gladde band, of een vest dat onder de bagage ligt: het probleem begint voor je de sleutel omdraait. Je komt die controles tegen op het theorie-examen, en een deel ervan ook op het praktijkexamen. Je overloopt ze één voor één, zoals bij een echt vertrek, of dat nu in Gent, Leuven of Hasselt is.
Zijn je banden in orde?
Je auto en haar uitrusting moeten altijd goed werken en goed onderhouden zijn. Bij de banden begin je met drie dingen die je zelf kunt zien.
- het profiel: de hoofdgroeven, de brede groeven in het midden van het loopvlak, zijn minstens 1,6 mm diep. Over drie vierden van het loopvlak blijft de tekening dieper dan 1,6 mm. Het linnen, het weefsel onder het rubber, mag op geen enkele plaats van de band zichtbaar zijn;
- de bandenspanning: op het praktijkexamen toon je hoe je ze controleert, aan het ventiel of op de meter van het dashboard als je auto alleen zo'n meter heeft, en waar je de juiste bandendruk voor jouw auto terugvindt. Zoek dat vooraf op in je eigen auto. Hoeveel de band mag dragen en hoe snel hij mag, moet kloppen met het instructieboekje;
- de staat: een band met scheuren of barsten vervang je. Op één as hebben de banden dezelfde technische kenmerken, en een directionele of asymmetrische band ligt in de juiste draairichting.

De slijtage-indicatoren in de brede groeven tonen wanneer een groef nog maar 1,6 mm diep is. Op het praktijkexamen stap je uit en toon je de groeven die je nakijkt. Indien nodig mag je de wielen draaien, en de slijtage-indicatoren mag je gebruiken, maar het hoeft niet. De controle beperkt zich tot één voorwiel.
Een reservewiel mag tijdelijk afwijken van de bandenregels. Je rijdt dan trager. Op een personenauto leg je nooit een band waarvan de groeven opnieuw zijn ingesneden. Radiaalbanden vooraan alleen als er achteraan ook radiaalbanden liggen.
Sneeuwkettingen mag je alleen monteren bij sneeuw of ijzel. Spijkerbanden zijn verboden op de openbare weg. Een winterband is niet verplicht, en de codes op de zijkant leer je in de les over banden.
Je wil met spijkerbanden door Oostende rijden als het vriest. Mag dat?
Wat moet er verplicht in je auto liggen?
Deze vier dingen moeten in elke auto liggen, in orde en bruikbaar. Een ademtesttoestel staat niet op die lijst.
- een retroreflecterend veiligheidsvest, het fluohesje: het ligt aan boord;
- een gevaarsdriehoek, om een stilstaande auto of een gevallen lading aan te kondigen;
- een brandblustoestel, of twee als de technische regels dat vragen;
- een verbandetui. Een bus of een auto voor betaald personenvervoer heeft een verbandkist.
In een gewone auto, met een hoogste toegelaten massa van niet meer dan 3500 kg, bevat het blustoestel minstens 1 kg poeder. Het staat op een steun die aan de auto vastzit. Je haalt het er in hoogstens 10 seconden af.
Minstens één blustoestel ligt binnen jouw bereik als bestuurder. De verzegeling is heel. Op het etiket op de romp staat: geldig tot 1 januari van een bepaald jaar. Vanaf die datum, of zodra de verzegeling stuk is, telt het toestel niet meer.
Trek je een aanhangwagen met een hoogste toegelaten massa van meer dan 2500 kg, dan hoort er een tweede blustoestel bij, in de auto of in de aanhangwagen. Een auto voor personenvervoer zwaarder dan 5000 kg heeft ook een tweede toestel.
Wat hoort niet bij de verplichte uitrusting in je auto?
Je staat stil met pech. Waar komen driehoek en vest?
Kun je de auto, of de aanhangwagen erachter, niet verplaatsen, of alleen neerzetten waar stilstaan en parkeren verboden zijn, dan kondig je hem van ver aan met de gevaarsdriehoek.
Hetzelfde doe je als de lichten of de richtingaanwijzers stuk zijn en de auto niet duidelijk opvalt van op ongeveer 100 meter. Valt er lading op de weg en kun je die niet meteen wegruimen, dan signaliseer je die hindernis op dezelfde manier.
Je zet de driehoek rechtop tussen je auto en het verkeer dat aankomt, zodat naderende bestuurders hem al van op ongeveer 50 meter zien. De afstand tot je auto is minstens 30 meter op een gewone weg en minstens 100 meter op de autosnelweg.
In de bebouwde kom, waar die 30 meter niet past, mag de driehoek dichterbij en zelfs op de auto.
Je mag er bovendien alle richtingaanwijzers tegelijk laten knipperen (je alarmlichten) of een draagbaar oranjegeel knipperlicht plaatsen. Dat komt bovenop de driehoek en vervangt hem niet.

Je auto staat vast op de autosnelweg en je kunt hem niet verplaatsen. Hoe ver zet je de gevaarsdriehoek?
Een vlek onder je auto, en wat toon je onder de motorkap?
Drupt er olie of brandstof uit je auto, dan laat je die op abnormale wijze op de openbare weg vallen, en dat is verboden. Je lost dat op voor je verder rijdt, niet pas aan de volgende lichten in Antwerpen.

Op het praktijkexamen kiest de computer één controle voor jou. Het kan om je banden gaan: de slijtage van een voorwiel of de bandenspanning. Het kan ook om het product voor de ruitensproeiers gaan.
Dan open je de motorkap en wijs je het reservoir aan. Daarna sluit je de kap, en voor je weer instapt, kijk je of ze goed dicht is.
De controles van het oliepeil, de remvloeistof en de koelvloeistof verdwijnen vanaf 1 december 2026 uit het praktijkexamen; leg je het examen vóór die datum af, dan doe je daar hetzelfde: motorkap open, de oliepeilstok of het peil aanwijzen, kap goed dicht.

Op het praktijkexamen heb je het reservoir van de ruitensproeiers aangewezen. Wat doe je nu?
Voor je uitstapt: parkeerrem, portier, spiegels
Daarom zet je de parkeerrem aan telkens je uitstapt, ook op een vlakke parking in Leuven.

Het portier open je niet, en je laat het niet open, zonder te controleren dat je niemand in gevaar brengt of hindert. Extra opletten voor voetgangers en voor bestuurders van tweewielers.

Je parkeert zo dat je niemand in gevaar brengt of onnodig hindert. Je auto staat rechts ten opzichte van je rijrichting; op een rijbaan met eenrichtingsverkeer mag dat aan beide kanten.
Is er een gelijkgrondse berm, dan zet je de auto daarop, buiten de rijbaan. Buiten de bebouwde kom mag dat op eender welke berm. Is de berm niet breed genoeg, dan parkeer je deels op de berm en deels op de rijbaan.
Op het trottoir en, in de bebouwde kom, op een verhoogde berm mag je niet stilstaan of parkeren, behalve als een plaatselijke regeling het toelaat.
Een buitenspiegel die in de weg steekt, klap je in. Hindert hij niemand, dan hoeft dat niet.
Je stelt je achteruitkijkspiegels zo af dat je vanaf je stoel het verkeer achter je en links ziet, ook een auto die links begint in te halen. Dat doe je voor je vertrekt, niet pas op de rotonde.
Je parkeert op een perfect vlakke parking. De parkeerrem?
Banden, wat aan boord ligt, een lek, de motorkap en de parkeerrem: daar let je op voor je vertrekt en voor je uitstapt. Oefen ze hieronder, en doe daarna de quiz.